Wat is de invloed van de Chinese overheid op duurzame investeringen?

Door Matthew Welch, Responsible Investment Specialist bij DPAM

Investeerders tonen de afgelopen jaren gevoelig meer interesse voor China. De groeiende middenklasse van het land en het Chinese leiderschap in opkomende technologieën zoals zonne-energie en batterijen voor elektrische voertuigen bieden aantrekkelijke perspectieven voor beleggers.

Het groeipotentieel van China is onmiskenbaar, maar recente hervormingen laten zien hoe moeilijk het is om duurzaam te investeren in het land. Om vanuit een ESG-perspectief in China te beleggen, is een grondige kennis van de complexe nationale context vereist.

 

 

Een evolutie in de tijd

 

In de voorbije 75 jaar evolueerde China van een natie geteisterd door honger, imperialisme en oorlog tot een economische wereldmacht. Hoewel die vooruitgang niet lineair verliep, kan niemand ontkennen dat het een indrukwekkende prestatie is om meer dan 770 miljoen mensen uit de armoede te halen. Dat verklaart ook voor een deel de steun aan de partij. Vandaag staan we op een keerpunt nu de overheid haar greep op het dagelijkse leven van burgers en bedrijven probeert te versterken. Terwijl Deng Xiaoping de kapitalistische geest uit de fles liet ontsnappen en zo een ongekende economische groei en ongelijkheid creëerde, probeert Xi Jinping deze nu in toom te houden.

Gedeelde welvaart, gecentraliseerde macht en controle op bedrijven zijn geen nieuwe concepten. De invloed van de partij is onder Xi gestaag gegroeid, zoals blijkt uit grondwetswijzigingen die invloed hebben op onderwijs, vastgoed en internetplatformen.

 

Interesse van investeerders in China

 

De toenemende invloed van de overheid maakt het des te belangrijker dat investeerders kiezen voor bedrijven die zich op verantwoorde wijze ontwikkelen en die de politieke doelstellingen volgen. Wanneer het nationale beleid in strijd is met de wereldwijde normen, moeten er hogere normen gehandhaafd worden en ingegrepen worden als er twijfels zijn over de naleving. Hoewel de groei vertraagt, bedraagt het bbp per capita in China nog steeds minder dan een kwart van dat van de Verenigde Staten. De hernieuwde aandacht voor het milieu en sociale gelijkheid is geen slechte zaak. Dat maakt beleggen in China complexer en uitdagender, maar op de lange termijn net zo aantrekkelijk.

 

Jij, ik en xi: gedeelde voogdij van bedrijven die actief zijn in China

 

Sinds 2009 is de Chinese Communistische Partij (CCP) steeds meer de weg van het autoritarisme ingeslagen. Dat uit zich in een toenemende centralisering van de besluitvorming en een toenemende controle van de partij over diverse aspecten van het leven. Het twintigste partijcongres heeft deze trend nog versterkt, met grondwetswijzigingen die de status van Xi Jinping in de kern van de CCP verhogen. Hier belichten we de huidige methoden en wetten die de overheid gebruikt om invloed uit te oefenen op bedrijven die in China actief zijn.

Het belang van staatsbedrijven (SOE’s) is enorm: volgens sommige schattingen wordt tot 45% van de Chinese economie gecontroleerd door SOE’s, terwijl een groot aantal sectoren is uitgesloten van privaat ondernemerschap. Staatsbedrijven zijn een belangrijk instrument voor de CCP, omdat ze openbare goederen leveren en sociale, economische en politieke functies vervullen. De nauwe banden tussen de hoge directie van staatsbedrijven en hoge partijfunctionarissen getuigen van de complexe agenda’s van deze ondernemingen.

Ook bij privébedrijven is de invloed van de partij aanzienlijk toegenomen sinds Xi Jinping in 2012 aan de macht is gekomen. Dat heeft de Chinese Communistische Partij (CCP) bereikt via twee verschillende organen. De Organisation Department is een agentschap dat als de ‘hr-afdeling’ van het Centraal Comité van de Partij fungeert en de posten van bijna 70 miljoen partijleden in het hele land beheert. De United Front Work Department (UFWD) is een overkoepelende organisatie die de controle en invloed van de CCP in China en daarbuiten moet vergroten.

In september 2018 kondigde de China Securities Regulatory Commission een Corporate Governance Code voor beursgenoteerde bedrijven aan. Volgens deze wetgeving moeten privébedrijven met een binnenlandse beursnotering een partijcel of -organisatie oprichten en de ‘noodzakelijke voorwaarden’ voor CCP-activiteiten verzekeren. De partij heeft geëist dat staatsbedrijven en bedrijven in de privésector niet alleen hun loyaliteit aan de CCP verklaren, maar ook de centrale rol van CCP-cellen en -basisafdelingen in de bedrijfsvoering en besluitvorming bevestigen.

De Organisation Department van de CCP speelde een cruciale rol in deze uitbreiding. Officiële statistieken laten zien dat in 1998 ongeveer 0,9% van de privébedrijven ‘connecties’ met de partij had, zoals het theoretische tijdschrift van de CCP, Qiushi, het verwoordt. Tegen 2008 was dit cijfer gestegen tot 16% en tegen eind 2014 – het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn – had 53,1% van de privébedrijven (hetzij 1,58 miljoen bedrijven) dergelijke connecties tot stand gebracht.

 

Milieuoverwegingen: een complexe puzzel

 

In de traditionele media worden het beleid en de ambities van China op het vlak van klimaatverandering vaak negatief afgeschilderd. China blijft inderdaad de grootste CO₂-uitstoter ter wereld. Als we echter rekening houden met de oppervlakte en het aantal inwoners, stellen we vast dat het land per capita niet meer broeikasgassen uitstoot dan Duitsland.

Een andere verzachtende factor schuilt in de uitbestede uitstoot van ontwikkelde landen, die China als de fabriek van de wereld zien. Als gevolg hiervan moeten sommige broeikasgasemissies worden toegeschreven aan landen die in China gemaakte producten kopen. Uit cijfers van 2015 is gebleken dat bijna 13% van de Chinese broeikasgasuitstoot afkomstig is van productie voor andere landen. Helaas trekt de natuur zich weinig aan van emissies per capita of productiecijfers, en zullen de gevolgen van de klimaatverandering voelbaar blijven naarmate het absolute emissieniveau toeneemt.

Uit gegevens van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en berekeningen van de Wereldbank blijkt dat de energiesector (45%) en de industrie (33%) de grootste bron van emissie vormen in China, gevolgd door de transportsector (8%) en de bouw (5%).

 

De productie van hernieuwbare energie bevorderen

 

De Asia Europe Clean Energy Advisory Co onthulde dat de Chinese capaciteit voor polysilicium naar verwachting zal toenemen van ongeveer 530.000 ton eind 2021 tot 1,2 miljoen ton in 2022, 2,5 miljoen ton in 2023 en 4 miljoen ton in 2024. Dat cijfer kan echter aan de hoge kant van het spectrum liggen, aangezien Bloomberg New Energy Finance suggereert dat de totale wereldwijde polysiliciumcapaciteit 1,5 miljoen ton zal bereiken tegen het einde van 2023.

Tijdens de Climate Ambition Summit in 2020 heeft Xi Jinping aangekondigd dat China tegen 2030 maar liefst 1.200 GW aan zonne- en windenergiecapaciteit wil installeren. Deze doelstelling is noodzakelijk, gezien de groeiende vraag naar elektriciteit als gevolg van, enerzijds de toenemende vraag naar energie door de strijd tegen armoede en de omschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, en anderzijds de elektrificering van de economie.

Het land is goed geplaatst om deze indrukwekkende doelstellingen te halen, omdat het de voorbije decennia heel wat expertise heeft opgebouwd in de productie van hernieuwbare energie. De grote subsidies en de concentratie van de polysiliciumproductie in China liggen aan de basis van de bloeiende zonnepanelenindustrie van het land. China loopt nu reeds voorop in de productie van verschillende onderdelen voor zonnepanelen. Door geopolitieke spanningen zou deze rol kunnen afnemen, maar gezien China’s erfgoed en expertise zal dit niet van de ene op de andere dag gebeuren.

 

Sociale overwegingen

 

We kunnen het onmogelijk hebben over de sociale risico’s waaraan bedrijven in China worden blootgesteld zonder daarbij de sociale overtredingen te noemen die mogelijk worden gemaakt door de nationale wetgeving. Twee specifieke kwesties springen in het oog: digitale rechten en de vervolging van Oeigoeren in de regio Xinjiang.

Om gebruikersinformatie te beschermen tegen de Chinese overheid, hebben bedrijven erg weinig opties. De overheid heeft onbeperkte toegang tot klantgegevens dankzij een reeks voorschriften die kunnen worden gebruikt om politieke dissidenten of burgers die kritisch staan tegenover de overheid te volgen, op te sporen en te vervolgen. Het is vaak erg moeilijk om onderscheid te maken tussen organisaties die actief gegevens voor de overheid verzamelen en organisaties die alleen maar aan de regelgeving voldoen. Voor bedrijven zoals Hikvision, die een actievere rol zijn gaan spelen in het identificeren van minderheidsgroepen die door de overheid worden vervolgd, rijzen er echter veel duidelijkere vragen. Hun bewakingsproducten werden ontdekt in zogenaamde ‘beroepsopleidingscentra’ in het westen van China en werden gebruikt om mensen te identificeren bij recente massademonstraties die met COVID-19 in verband worden gebracht. Deze actieve facilitering van mensenrechtenschendingen verschilt van de passieve medewerking door gegevens te delen zoals door de nationale wetten wordt opgelegd. Het is moeilijk om het participatieniveau vast te stellen, vooral gezien de terughoudendheid van ondernemingen om de invloed van overheidsregulering op hun bedrijf te bespreken.

Doordat de wettelijke overheidsinstrumenten om het gegevensbeheer te regelen erg vaag en uitgebreid zijn, is het bovendien moeilijk om ze in categorieën in te delen. De ‘Grote Elektronische Muur’, een reeks wetten en technologieën die worden gebruikt om digitale censuur in China af te dwingen, blokkeert buitenlandse inhoud en bedrijven van de Chinese markt. Hij beïnvloedt ook de ontwikkeling van China’s binnenlandse interneteconomie door binnenlandse bedrijven te bevoordelen en de doeltreffendheid van de producten van buitenlandse internetbedrijven te verminderen. Verschillende cyberbeveiligingswetten bepalen hoe bedrijven gegevens moeten verzamelen en met de staat moeten delen. De formulering van de wet is opzettelijk vaag, waardoor de overheid de wet flexibel kan gebruiken en interpreteren en elke betwisting uit de weg kan ruimen. Wetten inzake gegevensbeveiliging verbieden dat in China opgeslagen gegevens aan buitenlandse juridische instanties of handhavingsinstanties worden verstrekt zonder de goedkeuring van de relevante Chinese autoriteiten. Deze beperking op de overdracht en productie van gegevens lijkt geldig voor alle soorten gegevens en is niet beperkt tot ‘big data’, waarvoor al beperkingen gelden onder de wet op de cyberbeveiliging. Organisaties mogen niet rapporteren welke gegevens met de overheid gedeeld worden, waardoor het moeilijk is om een duidelijk beeld te krijgen van de samenwerking tussen organisaties en de overheid in de context van autoritaire of ondemocratische repressie.

Naast de rol die bepaalde bedrijven spelen in de schending van de digitale rechten, is ook de vervolging van Oeigoeren een belangrijke kwestie. Volgens schattingen zouden meer dan een miljoen mensen in heropvoedingskampen in Xinjiang geplaatst zijn en gedwongen worden om bedrijven in de regio te ondersteunen. Als reactie hierop werd in 2022 de Uyghur Forced Labour Prevention Act (UFLPA) van kracht. Deze verbiedt de Amerikaanse import van alle goederen die geheel of gedeeltelijk in de regio Xinjiang zijn geproduceerd, aangezien de VS ervan uitgaat dat het om dwangarbeid gaat. Dat vermoeden geldt ook voor goederen die in andere landen (waaronder China) zijn geproduceerd en onderdelen gemaakt in Xinjiang bevatten. Soortgelijke wetsvoorstellen worden momenteel besproken in Europa. Zo nam het Europees Parlement in juni vorig jaar een resolutie aan die de misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd tegen de Oeigoeren in China, veroordeelt en die oproept tot een verbod op de invoer van producten die met dwangarbeid zijn gemaakt. Naar aanleiding van deze resolutie publiceerde de Europese Commissie een voorstel voor een verordening om producten die met dwangarbeid zijn gemaakt van de EU-markt te weren. Daarbij zouden de EU-lidstaten de bevoegdheid krijgen om dergelijke producten vast te houden, in beslag te nemen of te laten verwijderen van de EU-markt.

Er wordt beweerd dat Oeigoerse arbeidskrachten in een groot aantal sectoren worden ingezet, van IT tot de productie van textiel, zonnepanelen en windturbines. Meer onderzoek naar de toeleveringsketens van westerse bedrijven zal een completer beeld geven en meer aandacht vestigen op bedrijven die in de regio Xinjiang actief zijn.

China is natuurlijk niet het enige land waar bedrijven te maken krijgen met ernstige mensenrechtenschendingen. China valt echter op door de grote betrokkenheid van de overheid bij de activiteiten van Chinese bedrijven en het verband tussen beschuldigingen van mensenrechtenschendingen en werkprogramma’s van de overheid.

Disclaimer: Beleggen houdt risico’s in. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

 

 

Lees meer op de corner ‘Duurzame beleggingen’

Dit bericht is geplaatst in Duurzame beleggingen met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *