Klimaat en Afrika: het continent der paradoxen

@Pexels

Door Ophélie Mortier, DPAM

Het Afrikaanse continent, vooral dan sub-Sahara Afrika, is het continent der paradoxen[1].

Enerzijds levert het de kleinste bijdrage aan de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen (0,8 ton per hoofd van de bevolking). Het is ook het continent dat het meest kwetsbaar is voor de dramatische gevolgen van de klimaatopwarming.

Anderzijds valt het ten prooi aan genadeloze droogtes, die de migratie van vele bevolkingsgroepen in de hand werken. Het is ook het slachtoffer van spectaculaire overstromingen.

Ten slotte is er de paradox van een zwaar tekortschietende toegang tot elektriciteit, terwijl het land talrijke hernieuwbare energiebronnen en -opties heeft.

 

Een kleine bijdrage op dit moment

 

Klimaatverandering vergt een collectieve oplossing op alle bestuursniveaus, van de staat tot de kleinste gemeenten. De aanpak die Afrika zal volgen op het vlak van klimaatverandering, met name adaptatie in plaats van mitigatie en toegang tot energie, belangt dan ook iedereen aan.

 

Vandaag draagt Afrika immers minder dan 4% bij aan de wereldwijde koolstofuitstoot. In tegenstelling tot Azië, met name China, is zijn historische ontwikkeling in de loop van de decennia bijzonder stabiel gebleven. Als Afrika echter een groeimodel nastreeft dat vergelijkbaar is met dat van meer ontwikkelde landen, zoals China en India hebben gedaan, zou het continent tegen 2050 tussen 4 en 7 gigaton koolstof kunnen uitstoten, wat evenveel is als China, Europa en de Verenigde Staten samen!

 

Kwetsbaarheid en momentum

 

De geografische ligging van het continent verklaart zijn kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Die kwetsbaarheid wordt nog verergerd door de zwakke sociaaleconomische omstandigheden en de zwakke bestuursinstellingen. De recente Covid-19 pandemie heeft de situatie er niet beter op gemaakt. Integendeel, hierdoor is de vooruitgang die sommige landen hebben geboekt, zoals Ghana en Senegal, gedeeltelijk tenietgedaan.

 

Volgens het VN-beginsel van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden en respectieve capaciteiten, gelden voor de meeste landen bezuiden de Sahara geen verplichtingen inzake de vermindering van de broeikasgasuitstoot. Zij zijn ook afhankelijk van financiële steun van meer ontwikkelde landen. En die hulp zal erg goed van pas komen, aangezien de klimaatadaptatie kampt met een schrijnend gebrek aan knowhow, technologische oplossingen en financiële steun. Bovendien lijkt ze niet hoog op de lokale politieke agenda te staan.

De COP 21 top in Parijs had meer 100 miljard dollar per jaar toegezegd om de ontwikkelingslanden te helpen bij hun klimaatmitigatie en -adaptatie. Die enveloppe moet opnieuw op tafel komen op de COP 26. De AfDB schat dat er ongeveer 715 miljard dollar nodig is om de doelstellingen van het UNFCCC en het Parijse Klimaatakkoord in het decennium 2020-2030 te halen. Het momentum voor groenere en duurzamere energie lijkt er dus wel degelijk te zijn voor het continent.

 

Belangrijke hernieuwbare energiebronnen…

 

Het Afrikaanse continent zit boordevol mogelijkheden voor hernieuwbare energie. Het heeft immers de grootste zonne-energiebronnen ter wereld, een aanzienlijk potentieel aan windenergie, en niet te vergeten de waterkracht- en geothermische bronnen.

 

Zo is zonne-energie in Afrika, het grootste reservoir ter wereld, goed voor amper 1% van de geïnstalleerde capaciteit ter wereld. Dit voorbeeld illustreert de vele uitdagingen waarmee het continent wordt geconfronteerd. Zo zijn er onder andere de politieke onzekerheid, ontoereikende infrastructuur en netwerken, een onstabiele financiële situatie en nog steeds beperkte toegang tot buitenlandse en particuliere financiering.

 

Het grootste deel van het continent heeft echter het Parijse Klimaatakkoord ondertekend en heeft zich er dus toe verbonden zijn koolstofuitstoot te verminderen, onder meer door zijn capaciteit voor hernieuwbare energie te vergroten. Marokko, Senegal, Zuid-Afrika en Kenia behoren tot deze landen en hebben hun eerste verbintenissen op dit gebied aangetoond. Kenia onderscheidt zich op het gebied van hernieuwbare energie met bijna 50% van de productie afkomstig van hernieuwbare energiebronnen, exclusief waterkracht (de meest recente gegevens van de Wereldbank dateren van 2015) en een afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, met name steenkool en olie, van minder dan 13% in datzelfde jaar.

 

Beperkte toegang tot elektriciteit

 

Gezien deze grote hernieuwbare hulpbronnen lijkt het onwaarschijnlijk dat de toegang tot elektriciteit een groot probleem blijft voor Afrika.

 

Op dit moment is hout de voornaamste energiebron in de landen bezuiden de Sahara. Dat heeft bekende gevolgen op het vlak van gezondheid en ontbossing. De openbare nutsbedrijven moeten absoluut hervormd worden, en elk uitstel zal de rekening alleen maar hoger doen uitvallen.

 

Enerzijds heeft het Internationaal Energieagentschap (IEA) immers geraamd dat het installeren van nutsaansluitingen duurder is voor regeringen dan de ontwikkeling van hernieuwbare alternatieven.

Anderzijds worden de kosten van stroomonderbrekingen geraamd op 2 tot 4% van het bbp, terwijl subsidies voor fossiele brandstoffen goed zijn voor bijna 5,6% van het bbp in sub-Sahara Afrika. [2]

Er is dus een reëel potentieel dat voor de regeringen een stimulans moet zijn om de handen uit de mouwen te steken.

 

Dit is een noodgeval!

 

Vandaag leven bijna 780 miljoen mensen in extreme armoede en de helft daarvan bevindt zich in Afrika. Sub-Sahara Afrika heeft echter een heel andere demografische dynamiek dan andere landen en continenten. De Verenigde Naties voorspellen dat de bevolking tegen 2050 nagenoeg verdubbeld zal zijn tot 2,1 miljard. Er is dus dringend behoefte aan concrete actie.

 

Hernieuwbare energiebronnen zijn competitief ten opzichte van energiecentrales die fossiele brandstoffen gebruiken. Nutsbedrijven in Afrika ten zuiden van de Sahara zitten echter in slechte financiële papieren. Investeerders blijven immers risicoavers en terughoudend ten aanzien van kapitaalintensieve hernieuwbare-energieprojecten.

 

De meeste nutsbedrijven overleven immers op overheidssubsidies die wegen op de overheidsschuld. Dat zorgt voor een gevaarlijke vicieuze cirkel en gaat ten koste van de financiering van duurzaamheidspijlers zoals gezondheidszorg en onderwijs. Het is niet mogelijk de elektriciteitstarieven, die erg hoog liggen en momenteel sterk afhankelijk zijn van de grillen van de brandstofprijzen, te verhogen, terwijl de bedrijven amper in staat zijn hun kosten voor onderhoud en ontwikkeling van het netwerk te dekken.

 

Welke oplossing kunnen overheden bieden?

 

Enerzijds moet de sector van de elektriciteitsproductie worden hervormd en moeten de energiesubsidies worden voortgezet gezien het lage inkomen van de bevolking. Deze betrokkenheid van de overheden heeft echter ook geleid tot ernstige politieke inmenging die niet bevorderlijk is voor de succesvolle ontwikkeling van de sector.

 

Een gedeeltelijke privatisering zou een optie kunnen zijn, met dien verstande dat volledige liberalisering van het systeem gevolgen voor de prijzen zou kunnen hebben. De elektriciteitsprijs behoort onder de huidige omstandigheden echter tot de hoogste ter wereld. Het zijn de subsidies die op tafel moeten worden gelegd. Zoals hierboven vermeld, gaat bijna 5,6% van het bbp van de regio naar de ondersteuning van fossiele brandstoffen.

Zo stemde Zuid-Afrika ermee in investeringen in de energiesector toe te staan buiten ESKOM om, dat een monopolie had op de opwekking van elektriciteit. Zuid-Afrika levert de grootste bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen in Afrika. Private investeringen toelaten zou een doorbraak kunnen betekenen in een land dat de afgelopen jaren te kampen heeft gehad met tekorten (load shedding).

 

Hoop voor de COPs?

 

Zoals we al zeiden, moet de COP 26 zich opnieuw buigen over de hulp aan ontwikkelingslanden. De recente topontmoetingen van de G7 en de G20 leken op dit punt echter niet in de goede richting te gaan. We zullen dus de besprekingen in Glasgow moeten afwachten. Het onvermogen van de Afrikaanse landen om tot dusver met één stem te spreken over klimaatverandering en -beleid speelt waarschijnlijk niet in hun voordeel. Ondanks verscheidene pogingen om tot een gemeenschappelijke tekst te komen, is deze nog niet door de verschillende instanties opgesteld. Dat kan een belangrijk pijnpunt zijn bij het verdedigen van de belangen van een continent dat duidelijk een belangrijke rol te spelen heeft bij hervormingen in de richting van groenere en meer inclusieve groei. Het valt nog af te wachten of de COP 27, die naar verwachting in 2022 in Afrika zal plaatsvinden, dit probleem al zal oplossen. Maar zal de klimaatnoodsituatie tot dan wachten?

 

Bezoek ook de corner voor Duurzame Beleggingen

[1] Het artikel is gebaseerd op een reeks artikelen die zijn gepubliceerd in het dossier “HOPES AND REALITIES: A GREEN RECOVERY FOR AFRICA?” door ISPI

[2] Bron: When the Sun Shines, G. Schwerhoff and M. Sy, Finance and development, maart 2020

Dit bericht is geplaatst in Duurzame beleggingen met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *