De cementproducenten: een controversiële sector die onder de radar blijft!

@Pexels

Door Ophélie Mortier, Degroof Petercam

Verstedelijking is een zegen voor de cementindustrie. Beton is immers in 2019 het meest gebruikte materiaal ter wereld. Het is goed voor drie ton cement per jaar en per persoon. Het is echter ook een van de meest vervuilende sectoren. We kunnen ons daarom ernstige vragen stellen over het milieu en met name klimaatverandering in deze sector.

Een van de meest vervuilende sectoren

Aan het begin van de schakel vertegenwoordigen de kalksteengroeven, die het belangrijkste bestanddeel van cement produceren, een gevaar voor de biodiversiteit wanneer ze worden geëxploiteerd. Vervolgens verbruikt het productieproces van cement bijzonder veel energie. De grondstoffen moeten immers verhit worden tot temperaturen van 750°C (voorverbranding) en dan 1450°C (voor de ruwe brokken, de mengeling van de grondstoffen). Anderzijds stoot dit proces fijne stofdeeltjes en vervuilende deeltjes uit die nefast zijn voor de luchtkwaliteit. Er komt tijdens de verbranding van de grondstoffen immers heel wat koolstofdioxide vrij om klinker te produceren, het belangrijkste bestanddeel van cement. Tot slot vereist de productie van gebruiksklare cement tevens heel wat water.

Op die manier bedraagt de koolstofintensiteit van gewoon cement dat doorgaans Portland wordt genoemd (OCP) gemiddeld 80%, hetzij 800kg CO2 per ton geproduceerde cement!

De Europese cementproducenten: slechte leerlingen?

De cementindustrie is een sector die gekenmerkt wordt door grote producenten en lokale spelers. Vandaag behoren de Europese cementproducenten zoals CRH, Lafargeholcim en Heidelbergcement tot de slechtste leerlingen inzake uitstoot, na de Chinese en Indische spelers. Dat verschil is vooral te verklaren door het gedeelte klinker in de geproduceerde cement. Omwille van de regelgeving hebben de Europese spelers de hoogste ratio’s klinker per geproduceerde cement van de sector. En dat omdat het gebruik van alternatieven voor klinker nu eenmaal beperkt blijft. China of India doen vaker een beroep op alternatieve grondstoffen van chemische of natuurlijke aard, zoals bijvoorbeeld de wegvliegende deeltjes van verbrandingsresten van steenkool. Vervolgens moeten we ook wijzen op de modernere en nieuwere industrieparken in de opkomende landen. Zij zijn efficiënter bij verwarmingsprocessen tot 1450°C.

We moeten er echter ook bij zeggen dat de Europese spelers tot de toppers behoren op het vlak van verschillende uitdagingen inzake de omschakeling naar een lagekoolstofeconomie. Dat is een kenmerk van de cementproducenten. Zij hebben het hoogste gebruikspercentage alternatieve brandstoffen voor fossiele energie bij het brandstofverbruik. Ze zijn voortrekkers op het vlak van R&D. Dat geldt met name voor de ontwikkeling van cement dat weinig koolstof bevat. Dat blijft echter een zeer klein deel van hun portefeuilles. Tot slot zijn ze eveneens pioniers op het vlak van koolstofafvanging.

Een sector die nog steeds een beleggingskans is

Verstedelijking, de vraag naar sterke constructies en infrastructuur in combinatie met globalisering zetten de vraag naar beton onder druk. Het gebruik van dit materiaal, dat wordt beschouwd als een van de meest solide en veerkrachtige, zal nog niet meteen verdwijnen. Er zijn echter bepaalde alternatieven die in overweging kunnen worden genomen. Die vinden we hoofdzakelijk terug bij houtsoorten en laminaten. Of er nu sprake is van lobbying of niet, cement is een van de meest geschikte materialen omdat het steviger is en meer bestand tegen klimaatevoluties. Tot slot is hout geen oneindige grondstof, en kunnen we ons ook vragen stellen over de beschikbaarheid en duurzaamheid ervan. Voor de vervanging van slechts 25% van de vraag naar cement moeten we vandaag voldoende bebossing voorzien, die slechts in 2050 haar vruchten zal afwerpen.

Een straatje zonder eind?

Enerzijds wordt aangenomen dat de industrie een van de meest vervuilende is. Anderzijds zal de vraag nog niet meteen afkoelen. De cijfers laten een vertraging of zelfs vermindering van de vraag naar cement vermoeden. Dat laatste zal echter nog niet voor morgen zijn. We moeten ons dus richten op het aanbod, zodat de nefaste gevolgen zoveel mogelijk gereduceerd worden. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) dient de koolstofintensiteit per geproduceerde cement met één procent per jaar te dalen om de temperatuurstijging tegen 2100 te beperken tot 2°C en ondertussen de productiegroei met 12% tegen 2050 op te vangen.

De prioriteit moet uitgaan naar het gebruik van alternatieve grondstoffen voor cement. Het gebruik is immers goed voor 98% van de uitstoot die vrijkomt bij de productie van één ton beton.

Vervolgens is het noodzakelijk om een koolstofprijs te bepalen die de werkelijkheid weerspiegelt. Die prijs moet gelden voor de hele industrie, om geen concurrentieverstoring te veroorzaken. Volgens de organisatie CDP (carbon disclosure project) zou de koolstoftaks 3 tot 6 keer hoger moeten liggen dan het huidige niveau.

Nadenken over minder vervuilende processen voor het verhittingsproces dat gebruikt wordt tijdens de productie is eveneens een manier om minder uit te stoten. De ontwikkeling van een cementsoort die minder hoge temperaturen nodig heeft bij de productie is eveneens een mogelijke piste. De maatregelen inzake koolstofafvanging blijven ook een optie. Ze moeten echter op industriële schaal worden ontwikkeld om de kosten te verlagen. Vandaag is de kostprijs van de uitrol ervan een hinderpaal voor hun ontwikkeling.

Tot slot moeten we in het kader van de circulaire economie ook nadenken over controlemethodes voor de productie van nieuw cement. We moeten het proces herzien om een circulaire visie te ontwikkelen op recyclage en hergebruik.

Bezoek ook de corner Duurzame Beleggingen op Moneystore

Dit bericht is geplaatst in Duurzame beleggingen met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *