De kunstmarkt, oorsprong en evolutie

Thomas Gainsborough Portrait van James Christie, 1778 J. Paul Getty Museum

Thomas Gainsborough
Portrait van James Christie, 1778
J. Paul Getty Museum

Door Puilaetco Dewaay Private Bankers

Kunst had oorspronkelijk een ritueel, politiek, maar geen handelskarakter.

De homo sapiens versierde de muren van zijn grotten met schilderingen die magisch getint waren. Later werden de kunstenaars-ambachtslieden, woordvoerders van de goddelijke macht, opgedragen om de tempels, altaren en tomben uit de oudheid te bekleden met afbeeldingen van de goden. Daarnaast circuleerden er bij de kooplieden beeldjes van godheden die bijval kenden bij de gelovigen.

De machtige koningen, keizers en farao’s vulden schatkamers als teken van hun politieke macht. Maar het was pas met de stichting van Rome dat de eerste private kunstverzamelingen hun intrede deden. Deze laatstgenoemden bestonden in het begin uit oorlogsbuit die de heersende klasse van het groeiende keizerrijk toeliet om te pronken met haar veroveringen. Door het contact met deze kunstwerken en –voorwerpen ging er zich een smaak ontwikkelen. Een vraag kwam tot stand en een handel zag het levenslicht. De eeuwen na de val van het Romeinse keizerrijk werden gekenmerkt door de opkomst van de christelijke kerk, die rechtstreeks bij de kunstenaars en ateliers ging aankloppen om haar “promotionele” afbeeldingen te realiseren.

Vanaf de renaissance maakten de kunstenaars zich los van de leiders van de kerk en van de gilden om zich, rechtstreeks of via tussenpersonen en kooplieden, te verkopen bij rijke geldschieters die zich specialiseerden in het domein van de kunst en curiosa. In heel Europa begonnen de koninklijke hoven, aristocratie, bankiers, rijke kooplieden en de bourgeoisie met het aanleggen van buitengewone verzamelingen die, volledig of gedeeltelijk, op de markt circuleerden.

De organisatie van de kunstmarkt vertoonde verschillen van land tot land.

Naast de kunsthandelaars werden de openbare verkopen in Frankrijk geregeld door de staat. In 1556 voerde Henri II het ambt van huissier-priseur in, i.e. staatsambtenaar die als enige bevoegd was om openbare verkopen te doen (het monopolie van dit ambt werd pas in 2001 afeschaft met de harmonisering van de Europese wetten ingevolge een klacht ingediend door Sotheby’s).

Vanaf de 18de eeuw gingen deze veilingmeesters zich omringen met experts. Aangezien er in de loop der tijd steeds meer kunstwerken op de markt kwamen (nalatenschappen, faillissementen, …), was het belangrijk geworden om selectief te zijn bij de toewijzingen teneinde het vertrouwen van de kopers te winnen en een winst te garanderen. Frankrijk ging zijn kunsthandel organiseren en maakte van Parijs, op dezelfde wijze als Londen maar vanuit een andere gedachtengang, het andere belangrijke centrum van de Europese kunstmarkt. Na de Tweede Wereldoorlog stond het zijn eerste plaats af aan de Verenigde Staten.

Vanaf de 16de eeuw werd in Nederland met succes voor de vrije markt geopteerd. Tijdens de « gouden eeuw » was het land rijk door zijn handel en de welstellende klasse ging in kunst investeren. Ook verplichtte de positie van de calvinistische kerk met betrekking tot afbeeldingen de schilders ertoe om een nieuw cliënteel te vinden aan wie een gamma van kunstwerken werd aangeboden dat werd uitgebreid tot landschappen, genretaferelen, portretten, mythologische taferelen, …. Hoewel deze werken rechtstreeks in de ateliers of bij gespecialiseerde handelaars konden worden aangekocht, gebeurden de transacties eveneens in « boetieks », op veilingen of tijdens loterijen. De markt beantwoordde hiermee exact aan de stijgende vraag van liefhebbers. De reputatie van de Hollandse kunstenaars ging heel Europa rond en hun werken werden in groten getale uitgevoerd.

De opvoeding van de Engelse adel stond in het teken van reizen, zich ontwikkelen en zijn eigen verzamelingen aanleggen in verschillende domeinen. Aan het einde van de 17de eeuw, na de jaren van Cromwell toen de import van kunstwerken verboden was, ging Engeland zich onder impuls van een groeiende economie positioneren als leider van de kunstmarkt. Het eerste veilinghuis dat in Londen zijn deuren opende, was Sotheby’s, dat in 1744 startte met de verkoop van boeken. Ruim 20 jaar later begon James Christie met de veiling van schilderijen en meubilair. Hij begreep al snel het sociale potentieel van kunst en maakte van zijn veilingzaal een belangrijke ontmoetingsplaats voor artistieke, culturele en intellectuele uitwisselingen die een extra dimensie gaven aan de waarde van de kunstvoorwerpen die er onder de hamer gingen.

De eerste gekende veiling werd door de Romeinen georganiseerd in 146 vóór Christus. Er werden kunstvoorwerpen verkocht die afkomstig waren uit Griekse steden en van slaven. Vandaag is China de grootste markt in termen van totaalbedrag van de verkopen, gevolgd door New York, Londen en Parijs. Net zoals alle markten is de kunstmarkt cyclisch en afhankelijk van de culturele, sociale, geopolitieke en economische situatie van elk land in het licht van een geglobaliseerde wereld die voortdurend verandert.

Lees ook corner Kunst

 

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *