Twee inefficiëntievraagstukken: justitie en verplicht onderwijs

IMG_1491 - Version 3Etienne de Callataÿ, Econoom Bank Degroof en gastdocent universiteit van Namen, Alexandre de Streel, Prof. universiteit van Namen, Olivier Lefebvre, Dokter in de economie, Luc Leruth, Prof. ULg, Pierre Pestieau, Prof. ULg en Prof. CORE

Samenvatting door Isabelle de Laminne

Tijdens het overleg door de vijf economen werden twee sectoren van het overheidsbeleid geanalyseerd om te kijken hoe ze efficiënter kunnen worden. We wensten nu eens de visie van economen te geven op de onderwerpen justitie en verplicht onderwijs. Er wordt dan ook geen oordeel gevormd, noch richtlijnen gegeven buiten de economische sfeer.

Gebrek aan informatie

Wat meteen opvalt in internationale vergelijkingen (en meer specifiek Europese) zijn de lacunes die België vertoont in de verstrekte informatie over de cijfergegevens van het departement Justitie. In haar verslag van 2014 (cijfers van 2012) wijst de Europese Commissie voor de Efficiëntie van Justitie op het gebrek aan gegevens over dit departement: België behoort tot het een derde landen die niet alle gegevens verstrekken. In vergelijking met andere Europese landen liggen de kosten van justitie in België hoog en wordt er geen informatie gegeven over de efficiëntie van haar administratie. In België blijkt dus veel te worden uitgegeven binnen die sector, terwijl de kwaliteit van ons rechtssysteem middelmatig is. We weten dat de gemiddelde duur om een zaak te vonnissen zeer lang is in België in vergelijking met andere Europese landen. In deze overheidssector zijn het dus wel degelijk het probleem van de aanwending van de middelen en de inefficiëntie die moeten worden aangepakt. De CEPEJ vermeldt ook dat “alle lidstaten en Israël, met uitzondering van Andorra, Armenië, België, Bulgarije, Cyprus, Ierland, Luxemburg, Malta, Roemenië en Oekraïne, hebben aangegeven over systemen te beschikken om de prestaties van de rechtbanken te evalueren“. België heeft geen specifiek systeem om de hangende zaken (of gerechtelijke achterstand) te meten. We beschikken op dit ogenblik over geen enkele waardevolle cijfers van het gebruik van de toegekende sommen. Het gaat om een van de talrijke lacunes die moeten worden weggewerkt om de efficiëntie van de Belgische justitie te verbeteren.

Onderwijs niet erg performant

Wat het verplicht onderwijs betreft, is de vaststelling van de economen duidelijk: de resultaten van ons verplicht onderwijs zijn niet schitterend in internationale vergelijkingen. Dit onderwijs behoort nochtans tot een van de beste gefinancierde departementen en de verhouding aantal leerlingen per leerkracht is bijzonder hoog. De loonuitgaven vertegenwoordigen 90% van het totaal van alle uitgaven voor onderwijs, wat internationaal bekeken bijzonder hoog is. De werkingsuitgaven zijn zeer laag, wat kan verklaren waarom men de indruk heeft dat ons onderwijssysteem ondergefinancierd wordt. Opgelet, een deel van het onderwijzend personeel is niet in functie, maar is wel ter beschikking gesteld. Ondanks de belangrijke middelen, laat ons onderwijssysteem het afweten. Maar, vandaag lijkt er een consensus te ontstaan om veranderingen door te voeren. Een vermeldenswaardig initiatief is het “Pacte d’Excellence” van minister van Onderwijs in de Franse gemeenschap, Joëlle Milquet. Het overleg van de vijf economen was gericht op het onderwijzend personeel, de scholen en hun directies en op de leerlingen.

Beoogde maatregelen

Om de kwaliteit van ons verplicht onderwijs te verbeteren, zouden leerkrachten in het begin van hun loopbaan begeleid moeten worden door een oudere coach. Het zou tevens beter zijn om de evaluatie van leerkrachten te herzien en de inspectie te vervangen door een pedagogische audit met de mogelijkheid de loopbaan van sommige leerkrachten in een nieuwe richting te sturen. Trouwens, om het groot aantal jonge leerkrachten dat er de brui aan geeft, te verminderen en omdat vandaag de werkomstandigheden voor jonge leerkrachten moeilijker zijn dan voor hun ervaren oudere collega’s, zou moeten worden nagegaan of jonge leerkrachten geen maatregelen kunnen genieten, zoals snellere benoemingen, aangenamere lesuren, ze niet systematisch voor de moeilijkste klassen plaatsen, collectievere praktijk uitwerken in voorbereiding op de lessen. Net zoals in andere landen, zou de notie arbeidstijd van de leerkrachten en het aantal te presteren uren buiten de lesuren moeten worden geherdefinieerd.

Schooldirecties zouden over meer autonomie moeten beschikken voor het beheer van de school, vooral wat de tijdsbesteding van de leerkrachten, de uitvoering van pedagogische projecten of nog, de aanwending van de financiële middelen betreft. De rol van de directies zou professioneler moeten worden, want in werkelijkheid hebben zij een managersfunctie, en de aanwending van de door het ministerie toegekende financiële middelen zou moeten worden geverifieerd.

Vervolgens moeten zowel interne als externe evaluaties worden uitgevoerd. Scholen zouden worden beoordeeld op basis van de vooruitgang die ze hun leerlingen zullen hebben laten maken en niet op basis van het door de leerlingen bereikte niveau. De evaluatie moet rekening houden met hun startniveau. Wat de leerlingen en hun verschillende problemen betreft, zoals het vroegtijdig afhaken, het absenteïsme, het afzakken naar een lager niveau of het dubbelen van een jaar, is de expertise van de economen hier beperkt. Een idee zou, bijvoorbeeld kunnen zijn, de leeftijd voor de schoolplicht te verlagen van 18 naar 16 jaar, maar wel de lagere school te verplichten. Het lijkt ook belangrijk de leerlingen correct in te lichten over de toekomstmogelijkheden van de richting die ze kiezen. Dit is niet vanuit een utilitaristisch oogpunt om onderwijs ten dienste te stellen van de bedrijven. Maar toch moeten ook de individuele keuzes gerespecteerd worden, moeten we de leerlingen responsabiliseren en hen bewust maken van de noodzakelijke mobiliteit in de tewerkstelling.

Tot besluit, zowel wat justitie als wat verplicht onderwijs betreft, ligt het niet aan het gebrek aan middelen dat deze overheidssectoren ontvangen, maar wel aan de inefficiëntie waarmee ze worden gebruikt. Vanuit economisch oogpunt kunnen er concrete en rationele maatregelen worden genomen om de efficiëntie van die twee overheidssectoren te verbeteren.

Hier vindt u de link naar het volledige document “Economische denkpistes en inzichten – Voor een efficiënter overheidsbeleid” 

Dit bericht is geplaatst in Club der wijzen met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *