Hoeveel kost het om op een verantwoorde en duurzame manier te beleggen?

IMG_0738Door Petercam

Waarom blijft deze vraag steeds terugkomen, terwijl academisch onderzoek blijft aantonen dat duurzame beleggingen het niet noodzakelijk minder goed doen? Tijdens een recente rondetafel in het kader van de Week van SRI in Parijs antwoordde een professor van de Sorbonne, Nicolas Mottis, dat het debat vruchteloos is. Nochtans blijft het aanslepen.

De eerste reden schuilt in de ontstaansgeschiedenis van de duurzame fondsen. De fondsen van de eerste generatie waren zogenaamde ethische fondsen, die werden gecreëerd op vraag van religieuze congregaties die niet wilden beleggen in sectoren of praktijken die indruisten tegen hun waarden en overtuigingen.

Vandaag is het concept geëvolueerd van een ethische nichebelegging naar een benadering die meer geïntegreerd is in traditioneel activabeheer. We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen een ethisch fonds, dat bepaalde ethische waarden wil uitdragen, en een duurzaam fonds, dat rekening houdt met criteria inzake milieu, maatschappelijke normen en deugdelijk bestuur. Op die manier kunnen alle risico’s en opportuniteiten in kaart worden gebracht en wordt er rekening gehouden met de verschillende stakeholders.

Deze benadering berust op de overtuiging dat enkel de bedrijven of economische actoren die rekening houden met uitdagingen inzake milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur (ESG) in staat zullen zijn om op middellange en lange termijn winstgevend te blijven.

De tweede reden van dit eeuwige debat is het heterogene karakter van duurzame fondsen of degene die als dusdanig worden bestempeld.  De ‘best-in-class’ benadering, die de beste leerlingen selecteert, eventueel in combinatie met een ‘best effort’ aanpak (waarbij de vooruitgang over een bepaalde periode wordt beloond) is niet uniek. Bepaalde fondsen beantwoorden aan specifieke of thematische problematieken; andere zijn dan weer gebaseerd op exclusiecriteria en een normatieve screening; nog andere zijn gericht op aandeelhoudersdialoog, waarmee bepaalde zaken in gang kunnen worden gezet.

De meeste academische studies lijken aan te tonen dat het erg moeilijk is om de toegevoegde waarde te bewijzen van een extra-financiële filter bij de selectie van duurzame portefeuilles. Op het niveau van de individuele bedrijven daarentegen heeft het onderzoek wel de toegevoegde waarde aangetoond. Dat geldt met name voor de toegang tot financiering en de kostprijs ervan voor bedrijven die beter scoren inzake ESG-criteria.

Hoewel de vraag van de kostprijs van een dergelijke benadering overbodig is, lijkt de vraag van de timing relevanter. Vandaar het onderwerp van onze rondetafel in Parijs: is er een grote crisis nodig opdat SRI zijn troeven zou kunnen uitspelen?  We stellen vast dat de extra-financiële alfa van onze duurzame strategieën tijdens crisismomenten de grootste toegevoegde waarde oplevert. Die lijkt het crisiseffect wat te verzachten. We hebben dat vastgesteld in een portefeuille euro-overheidsObligaties tijdens de euro-schuldencrisis. Dit keer stellen we het vast bij een portefeuille van Obligaties uit de Groeilanden tijdens een crisis van de lokale valuta’s die de markt overhoop heeft gehaald. Is het toeval dat hetzelfde succes wordt herhaald?

De derde reden ten slotte heeft te maken met een verschillende visie tussen de financiële markten en het management van de bedrijven. Hoewel beide visies naar elkaar toe lijken te groeien, moeten de violen nog gelijkgestemd worden.

Voor de bedrijven kan het beleid inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid (CSR) een oplossing zijn, op voorwaarde dat het op operationeel en beslissingsniveau geïntegreerd is binnen het bedrijf. Het risico bestaat erin dat het wordt vastgeklonken aan het marketing- of communicatiedepartement, wat ertoe kan leiden dat het beleid een zekere greenwashing ondergaat.

Beleggers moeten anderzijds nog verder worden gesensibiliseerd. Enkel meer transparantie en opleiding kan een einde maken aan de vooroordelen.

Eerst en vooral moeten beleggers een goed beeld krijgen van het aanbod van duurzame portefeuilles en strategieën. Het is bijzonder belangrijk dat een belegger de strategie, de doelstellingen, de definities en concepten begrijpt.

Bovendien zou een belegger een echte langetermijnvisie moeten ontwikkelen. Dat veronderstelt dat we uit het keurslijf moeten geraken van de referentie-Indexen en dat we de verplichting van een kwartaal- of zelfs maandrapportering in vraag moeten durven stellen. Duurzaam beleggen is een langetermijnverhaal. De financiële markten bekijken de zaken op korte termijn, terwijl duurzaamheidsuitdagingen per definitie op middellange tot lange termijn moeten worden bekeken. De belegger zou moeten investeren op middellange termijn en moeten aanvaarden dat er periodes zijn van minder goede of betere performance, afhankelijk van de marktevolutie.

Het debat zou dus niet moeten zijn “brengt het op om verantwoord te beleggen?” maar eerder “wanneer brengt het op?”. Laten we hopen dat iedereen deze vraag met een langetermijnhorizon beantwoordt die rekening houdt met duurzaamheid.

Lees ook: corner duurzame beleggingen

 

Dit bericht is geplaatst in Duurzame beleggingen met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *