Naar een sterker concurrentievermogen in België

Micael Castanheira, Onderzoeker bij het FNRS (Fonds de la Recherche Scientifique), prof. economie ULB, Bruno Colmant, Prof. dr. Vlerick Business School, UCL, Lid van de Koninklijke Academie van België, Etienne de Callataÿ, Econoom, Bank Degroof en gastdocent universiteit van Namen, Alexandre de StreelProf. universiteit van Namen, Pierre Pestieau, Prof. ULg, CORE

Opgetekend door Isabelle de Laminne

Het concurrentievermogen van België staat centraal in de debatten en doet heel wat inkt vloeien. Zich buigen over het concurrentievermogen van ons land mag zich niet beperken tot de loutere betrachting de rentabiliteit van onze ondernemingen te verhogen. Nadenken over de bepalende factoren van het concurrentievermogen is zowel noodzakelijk als nuttig.

Maar, dit uiteraard zonder de maatschappelijke, binnenlandse en internationale gevolgen van de maatregelen uit het oog te verliezen. Over deze kwestie hebben vijf economen met elk een verschillende achtergrond zich tijdens een bezinningsweekend gebogen. Hun concrete voorstellen zijn gebundeld in een document dat ze samen hebben opgesteld op basis van een consensus.

Waarom ons in het kader van concurrentievermogen bekommeren om de lonen?

Het debat over het concurrentievermogen mag niet louter worden gereduceerd tot een discussie over de arbeidskosten. Toch verdienen deze arbeidskosten onze bijzondere aandacht en wel om volgende redenen, zoals bijvoorbeeld: het gewicht dat de vergoeding van de factor arbeid heeft in het nationaal product (52,5% van het BNP in België; 19,2% in de eurozone – Eurostatgegevens voor 2013). Bovendien kan door de Europese monetaire eenmaking een loondrift niet meer worden gecompenseerd door een aanpassing van de wisselkoers. De lage inflatie bemoeilijkt dan weer een correctie van de loondrift, gezien de rigiditeit van de lonen (dit wil zeggen dat als er een loonontsporing zou plaatsvinden in België, men niet meer kan rekenen op een snelle stijging van de lonen in het buitenland om de ontsporing te corrigeren). We moeten ook rekening houden met het belang van de loonkosten als beslissingscriterium bij het kiezen van een investeringslocatie, zoals blijkt uit verscheidene internationale competitiviteitsrankings.

En wat te denken van de loonindexering. De automatische loonindexering kan, wegens haar rechtstreekse effecten, rekenen op buitensporig veel aandacht in het publieke debat. De tegenstanders zouden moeten inzien dat de automatische loonindexering, zelfs als we hun redenering volgen, geen doorslaggevende rol kan spelen in de moeilijkheden die België op het vlak van concurrentievermogen en werkgelegenheid kent. Voorstanders zouden moeten beseffen dat de automatische loonindexering niet noodzakelijk de beste bescherming biedt om de koopkracht van de loontrekkenden te vrijwaren. Gezien haar grote symbolische waarde in het Belgische sociale model, denken we dat de afschaffing van de automatische loonindexering contraproductief zou zijn. Een afschaffing zou dreigen te ontaarden in een groot sociaal conflict waarbij geen winnaars zullen zijn. We pleiten echter voor een betere werking van het investeringsmechanisme. De hervorming ervan moet globaal worden bekeken en moet samengaan met de fiscale hervorming die de werkgelegenheid zou willen aanmoedigen door de lasten op arbeid te verlagen. De indexering zou tevens behouden kunnen blijven voor inkomens lager dan een bepaald bedrag, waardoor de weg wordt vrijgehouden voor loononderhandelingen over de hogere lonen. Ook alle energieproducten zouden uit de gezondheidsindex moeten verdwijnen, gezien de prijs van die producten een grotere schommeling kent in België dan bij onze buurlanden, alsook alle schommelingen van de indirecte belastingen. Tot slot denken we dat het nodig is voorrang te geven aan de loonnorm in plaats van aan de indexering en als norm de loonsverhoging van de buurlanden in het verleden te nemen. In situaties waar blijkt dat een automatische loonindexering de ondernemingen van een sector in gevaar zou brengen, zouden de clausules van een tijdelijke « opting out » kunnen worden bestudeerd.

Hoe het niet-loongebonden concurrentievermogen verbeteren?

Het niveau van de lonen is maar één van de elementen die het concurrentievermogen aantasten. Om het concurrentievermogen te verbeteren zou ook een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs hoog op onze agenda moeten staan. We zijn er ons wel van bewust dat het eerste doel van het onderwijs niet het concurrentievermogen is. Rekening houdend met de staat van het onderwijs in de Franse gemeenschap, kunnen we volgende voorstellen doen. Zo zou men een onderscheid kunnen maken in de werkloosheidsuitkering voor bepaalde knelpuntstudies (men kan reeds opnieuw gaan studeren en verder de werkloosheidsuitkering genieten als die studies betrekking hebben op knelpuntberoepen). We denken dat het ook absoluut noodzakelijk is meer informatie te geven over die knelpunten alsook over de verschillen in de werkloosheidsgraad en de loonverschillen naargelang de gevolgde opleidingen. Men zou bovendien de studiekeuze voor knelpuntberoepen kunnen aanmoedigen (bijvoorbeeld, wetenschappelijke beroepen aantrekkelijker maken, technische studierichtingen opwaarderen) en de studies voor knelpuntberoepen aantrekkelijker kunnen maken. Een andere denkpiste zou kunnen zijn de kosten voor studies voor knelpuntberoepen te verlagen door het inschrijvingsgeld te verlagen of stages te vergoeden. En als dat niet voldoende zou zijn, zou men er zelfs kunnen aan denken het inschrijvingsgeld te verhogen of quota op te leggen voor studierichtingen die leiden tot een moeilijkere integratie op de arbeidsmarkt. En zelfs, de studenten te « responsabiliseren » door de definitie van passende betrekking te beperken voor werkzoekenden met een diploma waarvoor een werkloosheidsgraad bestaat die ver boven het gemiddelde ligt.

Naast onderwijs, lijkt het ons ook onontbeerlijk het aantal administratieve stappen en de complexiteit ervan te verminderen en te streven naar meer administratieve vereenvoudiging. Om die complexiteit aan te pakken, zouden er minder ingewikkelde reglementen moeten worden opgesteld en toegepast en de administratieve logheid verminderd. We trekken niet alleen ondernemingen aan op ons grondgebied met subsidies, maar ook met de kwaliteit van onze arbeidskrachten, onze onderzoekscentra en onze infrastructuur. Onze openbare infrastructuur, en vooral dan het transport, moet dus verbeterd worden. Een ander element dat een rol speelt in het concurrentievermogen is de juridische, reglementaire of fiscale onzekerheid. Ons land is op dat vlak momenteel instabiel. Maar, men mag slechts « met bevende hand » aan de wet raken, zei Montesquieu.

Klik hier voor toegang tot het volledige document « Economische denkpistes en inzichten  – Nieuwe structurele richtingen voor België »: hier

 

De vertaling in het Nederlands werd uitgevoerd met steun van Bank Degroof

Dit bericht is geplaatst in Club der wijzen met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *