Economen nog in crisis, maar de economie gaat verder

Door ING IM

Het crisisgevoel is nog sterk aanwezig onder economen. Deels omdat sombere tijden net als bij ons allemaal een stempel op hun denken hebben gedrukt. Mogelijk nog belangrijker is dat de economische “wetenschap” nog altijd niet in staat is gebleken een duidelijke verklaring te geven voor wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Hierdoor blijven economen ook worstelen om een geloofwaardige visie op de toekomst te hebben.

Ook met beperkt inzicht in de ware complexiteit van economische stelsels, zal het onderliggende organisme zich op een gegeven moment aanpassen en verder ontwikkelen. Dat moment lijkt nu gekomen. De wereldeconomie bevindt zich in de duurzaamste fase van herstel sinds de uitbraak van de crisis. Hoewel veel economische “modellen” dus nog bijstelling vereisen, is het goede nieuws dat de economie in de praktijk weer opkrabbelt.

Een treffend voorbeeld van de verwarring binnen de economische leer is de toekenning van de Nobelprijs in 2013 aan het zeer van mening verschillende trio Fama, Hansen (enerzijds) en Shiller (anderzijds). Zoals Shiller bij de ontvangst van de prijs benadrukte, denken deze economen totaal verschillend over hoe markten werken (altijd efficiënt ten opzichte van dikwijls irrationeel) en met welk type modellen je de werkelijkheid kunt beschrijven.

Als pragmatische leidraad voor het inzichtelijk maken en sturen van, of investeren in de economie, is het gebrek aan overeenstemming in de economische wetenschap (en het deelterrein “finance”) verontrustend. Daarom moet dit worden aangevuld met een kritische, en minder op overtuiging gebaseerde, analyse van de economische praktijk.

Dat de economische en financiële theorie geen vat heeft gekregen op de recente conjunctuurcyclus en het marktgedrag, heeft ons allen verbaasd. In zekere zin is dit verrassend. Niet alleen de axioma’s waarop de gangbare economische theorie berust, maar ook de voorwaarden om deze hypothesen te kunnen afstemmen op de werkelijkheid zijn al geruime tijd twijfelachtig.

Aannames over de rationaliteit van “agenten” (in plaats van intuïtief en emotioneel gedrag van “mensen”), een volmaakte en onbeperkte vooruitziende blik en het neutrale karakter van geld en schuld lijken allemaal onrealistisch. Ook de beperkte rol voor onzekerheid in deze modellen en het idee dat onzekerheid correct is te meten aan de hand van historische gegevens zijn aanvechtbaar.

Gesteld dat deze aannames de werkelijkheid getrouw weergeven. Dan nog zouden een efficiënte prijsstelling in de markt en een stabiel evenwicht alleen optreden als marktpartijen homogeen, de markten transparant en de drempels voor toetreding laag zijn. Ook zou alle bruikbare informatie tijdig en in gelijke mate beschikbaar moeten zijn voor alle marktpartijen. Daar komt nog bij dat deze condities op zijn zachtst gezegd niet altijd aanwezig zijn.

Wetenschappelijke modellen geven altijd een onvolmaakte, vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid. Dit is acceptabel zolang de modellen, die op deze aannames berusten, de waargenomen dynamiek van de reële economie en de financiële markten correct weten vast te leggen. Al in de jaren vijftig van de vorige eeuw stelde de beroemde econoom Milton Friedman dat onvolmaakte aannames in het economisch denken alleszins te rechtvaardigen zijn zolang ze nauwkeurige voorspellingen opleveren[1]. Een voetballer of biljarter bijvoorbeeld hoeft ook niet de baan van de bal te kunnen berekenen aan de hand van bewegingsvergelijkingen. Uiteindelijk telt alleen de nauwkeurigheid van hun spel. Als spelers daarin excelleren, winnen ze de wedstrijd zonder precies te weten hoe het onderliggende model van de werkelijkheid in elkaar steekt.

Dit zou voor economische modellen ook kunnen gelden en meestal zijn ze vrij nauwkeurig. Zijn ze dat echter niet, dan zitten ze er ook gelijk ver naast. Dat gebeurde in 2008, toen zowel het gedrag van de markt als de wereldeconomie radicaal afweken van wat de modellen hadden voorspeld. Deze economische theorieën voorspellen dat economische groei of financiële markten zich rond een stabiele “evenwichtswaarde” bewegen met gelijkmatig verdeelde schommelingen. In de praktijk blijkt echter dat zowel de evenwichtswaarde en vooral de schommelingen eromheen veel wispelturiger zijn dan de theorieën voorspellen. Ook vóór de crisis van 2008 was hier al een toenemende mate van empirisch bewijs voor, hetgeen in belangrijke rol speelde in het opbouwen van de reputatie van de eerder genoemde Nobelprijswinnaar Shiller.

De wijze waarop de crisis uiteindelijk door de economische wetenschap zal worden verteerd, blijft dus nog onduidelijk. Zolang dat niet helder is moeten economische visies, beleids- en beleggingsadvies op grond van de huidige theorieën altijd kritisch tegen het licht gehouden worden. Alleen al dit besef en de acceptatie dat de toekomst onzekerder is dan velen durven erkennen, is een cruciale eerste stap om toch tot betere en meer consistente besluitvorming te komen. Voor vrijwel elke “economische” beslissing die mensen nemen – zeker bij beleggingen – is een zuivere en samenhangende besluitvorming essentieel om financieel te overleven in deze onzeker wereld. Ook zonder een volledig en onomstreden model van ons economisch stelsel, wijzen zowel onze kwalitatieve analyses als de meer op empirische gedragsregels gebaseerde indicatoren op verdere verbreding en opleving van de wereldeconomie. De groei gaat dus verder zonder dat we precies weten waarom en zal niet schromen om het doorgaande zwartkijken van vele economen in positieve zin te verrassen.

Lees ook : corner beheer

Beeld: Milton Friedman, bron: Wikimedia

 


[1]  Friedman, M. “Essays in Positive Economics”, University of Chicago Press (1953), 1970, pp. 3-43

Dit bericht is geplaatst in Beheer met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *