Overdracht

Puilaetco Dewaay

Welke wijzigingen zijn er op het vlak van erfrecht ?

Door Martin Desimpel, Puilaetco Dewaay Private Bankers

19/9/2017

Op 1 september laatstleden werd de wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Hieronder vindt u een korte samenvatting van de hervorming.

DE NIEUWE BEPALINGEN AANGAANDE ERFRECHT EN GIFTEN

1.            Wijziging van de regels betreffende het voorbehouden erfdeel (reserve)

De reserve of het voorbehouden erfdeel, i.e. het deel van een nalatenschap dat de wet aan bepaalde erfgenamen toekent en in hun voordeel beschermt, wordt geglobaliseerd voor de afstammelingen n en teruggebracht tot de helft van de (fictieve) massa van de nalatenschap (vroeger 1/2, 1/3 of 1/4 naargelang het feit dat de overledene 1, 2 3 of meer kinderen had).

De hieronder staande grafieken verduidelijken deze uitleg een overleden met 3 kinderen in acht nemende (in het blauw de reserve, in het groen het beschikbaar erfdeel).

Het gedeelte van zijn vermogen waarop de schenker/testator mag vrij beschikken wordt dus groter.

De ouders van de overledene zijn geen reservataire erfgenamen meer, maar zullen, indien nodig, aanspraak kunnen maken op een alimentatievordering (in kapitaal of in rente).

Op heden indien de erflater overlijdt zonder nakomelingen, dan hebben de ascendenten recht op een reserve van 1/4 langs vaderzijde en van een vierde langs moederzijde.

Momenteel gebeurt de inkorting van giften die de reserve aantasten, in beginsel, in natura met als gevolg de mogelijke ongedaanmaking van de gift en van alle rechten die eruit voortvloeien. Om te verhelpen aan deze grote rechtsonzekerheid die resulteert uit de bescherming van de reserve, zou de inkorting in de toekomst alleen nog maar in waarde gebeuren.

2.            Wijziging van de regels over de inbreng

De inbreng van giften die als doel heeft om de gelijkheid te verzekeren tussen de erfgenamen die van giften genoten hebben en de anderen, schrijft vandaag voor dat, naargelang van het voorwerp van de bevoordeling, het goed zelf of de waarde ervan opnieuw wordt opgenomen in de te verdelen massa teneinde alle rechten te vervullen.

De nieuwe stelt het beginsel van de inbreng in waarde voorop, ongeacht het voorwerp van de gift.

3.            Wijziging van de regels over de verdeling van nalatenschappen

Ter informatie.

4.            Versoepeling van het verbod van overeenkomsten over niet opengevallen nalatenschap (“erfovereenkomsten”)

Behoudens bij de wet voorziene uitzondering, zijn bepalingen waardoor louter eventuele rechten op een toekomstige nalatenschap, op een deel of een element ervan worden toegekend, gewijzigd of overgedragen, verboden.

De nieuwe wet voorziet, in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden, in de mogelijkheid om “punctuele” erfovereenkomsten te sluiten (bij voorbeeld een verzaking aan de vordering tot inkorting van een gift), evenals een globale erfovereenkomst die tot doel heeft het bestaan van een subjectief evenwicht tussen de erfgenamen vast te stellen (teneinde vóór het overlijden van een ouder de toewijzing en de verdeling van zijn nalatenschap te regelen).

5.            Nieuwe regels tussen langstlevende echtgenoot – langstlevende wettelijk samenwonende en de kinderen

De langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zal de inbreng van de giften die aan andere erfgenamen zijn gemaakt niet kunnen eisen. Met andere woorden, zal de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zal zijn erfrechtelijk vruchtgebruik niet meer kunnen uitoefenen op de goederen die het voorwerp van deze schenkingen uitmaken.

Bovendien, behoudens bijzondere gevallen onder meer als het slaat op de geheelheid van de nalatenschap, zal het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot de reserve van de kinderen niet meer kunnen bezwaren.

6.            Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

De hervorming zal in werking treden op 1 september 2018.

De nieuwe wet zal toepasselijk zijn op de nalatenschappen opengevallen vanaf haar inwerkingtreding.

Ze zal in beginsel toepasselijk zijn op de vóór haar inwerkingtreding gedane giften.

Er bestaan belangrijke uitzonderingen op deze beginselen van onmiddellijke toepasbaarheid.

_____________________________________________

De buitengerechtelijke lastgeving – Iets voor u?

Door Martin Desimpel & Anouck Lejeune ? Puilaetco Dewaay Private Bankers

16/8/2017

De Context

Vandaag verkeert u in goede gezondheid en bent u nog geheel in staat om uw zaken zelf te behartigen. Maar wat gebeurt er als dit niet langer het geval is en u, omwille van uw fysieke of mentale toestand, onbekwaam bent om uw vermogen nog zelf te beheren?

Deze toestand kan verregaande gevolgen hebben. Wist u bijvoorbeeld dat een bankvolmacht in geval van onbekwaamheid komt te vervallen? Hetgeen betekent dat de persoon, die u op deze wijze volmacht heeft gegeven op uw bankrekening, geen verrichtingen meer kan doen op de rekening.

Als u gehuwd bent onder een gemeenschapsstelsel, vormt dit voor de dagdagelijkse verrichtingen nog geen groot probleem vermits uw wederhelft op dat ogenblik nog steeds handelingen kan stellen met betrekking tot de gemeenschappelijke bankrekeningen. Maar wanneer het eigen vermogen betreft of als men bepaalde daden van beschikking (bijv. verkoop van een woning) wil stellen, liggen de zaken heel anders.

Mocht u, omwille van gezondheidsredenen, uw vermogen zelf niet meer kunnen beheren, dan zal u onder bescherming geplaatst worden door de vrederechter, die dan bepaalt welke handelingen u alleen al dan niet zal mogen stellen. U wordt m.a.w. rechtsonbekwaam en verliest zeggenschap over uw persoon en uw goederen.

U stelt zich wellicht de vraag wie zich in zo’n situatie dan om uw vermogen zal bekommeren. Wel, hiervoor zal de vrederechter overgaan tot het aanduiden van een bewindvoerder die u, voor specifieke handelingen, zal vertegenwoordigen of bijstaan.

Gelukkig krijgt deze bewindvoerder geen “carte blanche” terzake van het beheer van uw vermogen en zal hij bijv. voor vervreemdingen, aankoop van een onroerend goed en schenkingen de voorafgaandelijke bijzondere machtiging van de vrederechter moeten bekomen.

De vrederechter zal bij voorkeur een naast familielid aanstellen maar als hij deze personen niet geschikt vindt, zal deze taak toevertrouwd worden aan een advocaat, die hiervoor uiteraard een ereloon aanrekent.

Via een voor de vrederechter of een notaris afgelegde verklaring kunt u uw voorkeur laten kennen aangaande de persoon die met de functie bewindvoerder zou moeten belast worden. Indien hij deze keuze gepast vindt, zal de vrederechter deze persoon benoemen.

Dit lijkt u geen te verkiezen scenario? Welnu, gelukkig had de wetgever oog voor uw bekommernissen en werd in 2014 een soepeler beschermingsregime ingevoerd : de buitengerechtelijke lastgeving. Deze regeling laat u de ruimte om het beheer van uw vermogen betrekkelijk vrij te organiseren voor het geval u wilsonbekwaam zou worden.

Buitengerechtelijke lastgeving : wat is dat nu juist ?

De wet biedt u dus de mogelijkheid om een buitengerechtelijke lastgeving of zogenaamde zorgvolmacht op te stellen via dewelke u het beheer van uw vermogen aan een persoon, de “lasthebber”, toevertrouwt ingeval van onbekwaamheid. Deze volmacht kan algemeen (meest uitgebreide machten) of bijzonder (beperkt tot bepaalde goederen/verrichtingen) worden opgesteld.

Het spreekt voor zich dat u –op het ogenblik van het opstellen van de zorgvolmacht- meerderjarig én wilsbekwaam moet zijn en niet het voorwerp mag uitmaken van een gerechtelijke beschermingsmaatregel.

Indien u in aanmerking komt voor het opmaken van een zorgvolmacht, heeft u de keuze : u kan opteren voor een onderhandse volmacht dan wel beroep doen op een notaris die een authentieke akte zal opstellen. Vermits men in een authentieke akte een meer verregaande bevoegdheid kan toekennen aan de lasthebber (bijv. schenkingen, onroerende verrichtingen, wijziging van huwelijkscontract) geniet de authentieke vorm van volmacht de voorkeur.

In ieder geval zal de zorgvolmacht moeten geregistreerd worden in het daartoe door Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat gehouden centraal register.

In de zorgvolmacht bepaalt u zelf het ogenblik van inwerkingtreding. In de meeste gevallen wordt er gekozen voor een aanvang op het ogenblik waarop de lastgever wilsonbekwaam wordt. In dit laatste geval zal er moeten bepaald worden hoe de wilsonbekwaamheid dient vastgesteld te worden (bijv. het advies van twee onafhankelijke geneesheren, beslissing van de vrederechter,…).

Indien een naast familielid, de echtgenoot of de partner van de lastgever als lasthebber wordt aangeduid, is het raadzaam te voorzien in de aanstellingsprocedure van een lasthebber ad hoc teneinde een vertegenwoordiging mogelijk te maken in geval van tegenstrijdigheid van belangen tussen de lasthebber en de lastgever. Bij gebreke hieraan zal de vrederechter een lasthebber ad hoc aanwijzen.

Het kan eveneens nuttig zijn om een opvolgende lasthebber aan te duiden voor het geval de eerste lasthebber overlijdt of zelf wilsonbekwaam wordt.

Alleen maar voordelen?

Deze beschermingsmaatregel heeft een aantal grote voordelen. Eerst en vooral kan u zelf in alle vrijheid één of meerdere lasthebbers aanduiden. U kan tevens zelf de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de lasthebber(s) bepalen. Tot slot is het ook mogelijk om een aantal duidelijke richtlijnen voor het beheer van uw vermogen mee te geven (bijv. het inwinnen van advies bij bepaalde verrichtingen, aard van investeringen, bepaalde verboden, keuze van financiële instelling,…).

Zijn er dan alleen maar voordelen verbonden aan de zorgvolmacht? Uiteraard bestaat steeds de mogelijkheid dat uw lasthebber(s) uw vertrouwen beschamen. Welnu, om dergelijke misbruiken te vermijden, blijft ook in dit geval een tussenkomst van de vrederechter– op verzoek van iedere belanghebbende persoon of ambtshalve – te allen tijde mogelijk.

De vrederechter kan zich uitspreken over de uitvoering van de lastgeving en eventueel een beschermingsmaatregel bevelen die de volmacht geheel of gedeeltelijk beëindigt of daarbovenop komt (en dus een bewindvoerder aanstellen).

Het opstellen van een zorgvolmacht dient met de grootste omzichtigheid te gebeuren. U zal vandaag immers bepalen aan wie u het beheer van uw vermogen toevertrouwd indien u zelf uw zaken niet meer kan beredderen. Het is bijgevolg dan ok van groot belang dat u voor het opstellen van een zorgvolmacht beroep doet op een specialist die samen met u de verschillende mogelijkheden doorneemt alvorens een definitieve zorgvolmacht op te maken.

______________________________________________________________

Wat is het duo-legaat ?

Door Bruno Ferrier & Anouck Lejeune, Puilaetco Dewaay Private Bankers

28/6/2017

Iedereen weet dat de successierechten in België over het algemeen hoog zijn. Vooral het nalaten van vermogen aan andere erfgenamen dan in rechte lijn of tussen echtgenoten/samenwonende partners, komt deze “verre” erfgenamen vaak duur te staan.  

Het maximumtarief bedraagt voor deze erfgenamen immers 65% in het Vlaamse Gewest terwijl dat zelfs oploopt tot 80% in het Brussels en Waals Gewest.  Volledigheidshalve merken wij op dat enkel het Vlaamse Gewest feitelijk samenwonenden gelijkstelt met echtgenoten. Concreet betekent dit dat in het Waalse en het Brusselse Gewest tussen feitelijk samenwonenden het tarief van 80% van toepassing is.

Wij illustreren dit aan de hand van een concreet voorbeeld :

Mark woont in Wallonië en heeft een zoon, Thomas, uit een vorig huwelijk. Zijn vermogen wordt op 400 000 EUR geschat (100 000 EUR voor de gezinswoning en 300 000 EUR aan banktegoeden). 

Mark heeft een testament waarin hij het grootst beschikbaar deel aan Nathalie nalaat, zijn levensgezellin, met wie hij samenwoont zonder een verklaring van wettelijke samenwoning te hebben afgelegd.  Iedere erfgenaam ontvangt dus 200 000 EUR.  Bij het overlijden van Mark zullen volgende successierechten verschuldigd zijn :

 

Situatie zonder duo-legaat (Waals Gewest)

 

Bruto-erfdeel

Successierechten

Belastingdruk

Netto-erfdeel

Thomas

€ 200 000

€ 16 125

8%

€ 183 875

Nathalie

€ 200 000

€ 138 125

69%

€ 61 875

Totaal

€ 400 000

€ 154 250

38,5%

€ 245 750

 

Hoe de successiefactuur verlagen?

Welnu, door het opstellen van een testament en gebruik te maken van de techniek van het ‘duolegaat’ kunt u de successiefactuur gevoelig verlagen.

In dit kader volstaat het een legaat vrij van successiebelasting toe te kennen aan de erfgenaam die tegen het hoogste tarief belast wordt terwijl de successiebelasting, verschuldigd over dit legaat, ten laste wordt gelegd van een erfgenaam die minder zwaar belast wordt.

De algemene legataris draagt bijgevolg zijn eigen successiebelasting maar tevens die van de bijzondere legataris.  Om de last betreffende de betaling van de successiebelasting te compenseren, ontvangt de algemene legataris een bijkomend kapitaal.

Deze mogelijkheid vloeit voort uit art. 64, 2de lid W.Succ. [1], volgens hetwelk “kan niet beschouwd worden als legaat (lees “is niet belastbaar”), … de last opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden om de rechten en kosten verbonden aan een aan een andere persoon gedaan legaat te dragen.

Terug naar ons voorbeeld :  Mark vermaakt in zijn testament zijn woning en inboedel aan Nathalie (100 000 EUR) en stelt haar vrij van successierechten. Thomas erft de banktegoeden (300 000 EUR), maar met de last om de totaliteit van de successierechten te betalen. Bij het overlijden van Mark zullen de volgende successierechten moeten worden betaald :

 

 

 

 

 

Situatie met duo-legaat (Waals Gewest)

 

Bruto-erfdeel

Successierechten

Belastingdruk

Netto-erfdeel

 

Thomas

€ 300 000

€ 38 250

12,75%

 

€ 203 625

(€ 100 000)

 € 58 125

58,1%

Nathalie

€ 100 000

€ 0

0%

€ 100 000

Totaal

€ 400 000

€ 96 375

24,1%

€ 303 625

 

Het duo-legaat geeft aanleiding tot een besparing van successierechten t.b.v. 57 875 EUR, terwijl Nathalie en Thomas elk een financieel voordeel hebben ten bedrage van respectievelijk 38 125 EUR en 19 750 EUR.

Het duo-legaat en liefdadigheidsinstellingen

Het duo-legaat kan eveneens soelaas bieden indien men geen bloedverwanten in opgaande/neergaande lijn of echtgeno(o)t(e) (of daarmee gelijkgestelde) heeft.

In casu worden de verre verwanten of derden aangesteld als bijzonder legataris terwijl een liefdadigheidsinstelling aangesteld wordt als algemeen legataris.

Het tarief voor de liefdadigheidsinstellingen bedraagt in Vlaanderen steeds 8,5%, ongeacht of het gaat over een VZW, Stichting van Openbaar nut of een privéstichting.  In Wallonië is dat slechts 7% terwijl het Brussels Gewest een tarief van 12,5% kent indien het een VZW betreft die een federale erkenning heeft gekregen, zonder die erkenning bedraagt het tarief 25%.

Luc, vrijgezel zonder kinderen en woonachtig in Vlaanderen, wil bij testament een bedrag van 500 000 Euro aan zijn neef Johan nalaten.  Bij het overlijden van Luc zal Johan 305 000 Euro aan erfbelasting betalen, oftewel 61%. Concreet betekent dit dat Johan een netto-legaat ten bedrage van 195 000 Euro ontvangt.

Luc beslist een testament op te maken en gebruik te maken van het principe van het duo-legaat :

Ø  toebedeling van een netto-legaat aan Johan (bijzondere legataris) terwijl

Ø  de VZW (algemene legataris) een bijkomend kapitaal zal ontvangen met de last om de erfbelasting te betalen op zijn legaat en op het legaat aan de bijzondere legataris.

Het goede doel dat werd aangesteld als algemeen legataris van de nalatenschap van Luc, heeft een dubbele verplichting : enerzijds dient zij een deel vrij van erfbelasting door te storten aan Johan (zijnde 241 200 Euro) en anderzijds moeten zij de erfbelasting betalen op het bovenstaand legaat (136 780 Euro), alsook op hun eigen legaat (21 998 Euro).

 

Uit hetgeen voorafgaat, kan men afleiden dat de techniek van het duolegaat een drievoudig voordeel oplevert : 1° de totale som van de erfbelasting vermindert (158 778 Euro in plaats van 305.000 Euro); 2° de erflater steunt een goed doel (100 022 Euro); en 3° Johan erft een hoger nettobedrag (241 200 Euro in plaats van 195.000 Euro).

Het moge duidelijk zijn dat de toepassing van het duo-legaat ervoor zorgt dat iedereen wint, behalve de fiscus.   Om die reden meent de belastingadministratie dat er fiscaal misbruik is als er, na de berekening van de last, geen substantieel voordeel voor de VZW is.  Voorzichtigheid is dan ook geboden.

Tot slot nog dit : de effectieve uitvoering van het testament én het duo-legaat is maar zeker op datum van overlijden én mits aanvaarding van het algemeen legaat door de liefdadigheidsinstelling.

Zou het bijzonder legaat bijvoorbeeld te groot zijn zodat er voor de algemene legataris (bijna) niets overblijft, of zou de nalatenschap (grotendeels) bestaan uit illiquide activa (zoals vastgoed of aandelen van een vennootschap) dan kan het goede doel afstand doen van de nalatenschap.  In dat geval zal men niet meer van een duolegaat kunnen spreken en zal de bijzondere legataris de successierechten tegen het minst voordelige tarief zelf moeten dragen.

U merkt het, bij het opmaken van een duo-legaat dient men nauwkeurig tewerk te gaan.  De tussenkomt van specialisten is dan ook geen overbodige luxe.


[1] Voor het Vlaamse Gewest : art. 2.7.1.0.10 en 2.7.3.2.13 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

__________________________________

Samenwonen of huwen ? Deel II

Door Anouck Lejeune & Martin Desimpel, Puilatco Dewaay Private Bankers

31/5/2017

In de vorige bijdrage werd een overzicht gegeven van de gevolgen en aandachtspunten van een feitelijke dan wel wettelijke samenwoning. Vandaag gaan wij dieper in op de verschillende mogelijkheden die u heeft als u in het huwelijk wenst te treden.

Welnu, het grote voordeel van een huwelijk is dat er reeds veel door de wet zelf is geregeld (itt feitelijke of wettelijke samenwoning).

Eerst en vooral is er het primair stelsel dat van toepassing is op alle huwelijken, ongeacht het gekozen huwelijksstelsel. Het primaire stelsel omvat niet alleen beschikkingen van persoonlijke aard (verplichting tot samenwonen, getrouwheid, bijstand en hulp) maar ook van vermogensrechtelijke aard (bescherming van de gezinswoning, verplichting om in de schulden bij te dragen in functie van de mogelijkheden, …).

Daarnaast is er het secundair stelsel dat gekozen kan worden door de echtgenoten.

Er zijn twee grote stelsels : het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen)en het stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Deze stelsels kunnen verder genuanceerd worden aan de hand van bijzondere bepalingen. Hierna staan we kort stil bij de verschillende stelsels.

Bij gebrek aan huwelijkscontract (of als er uitdrukkelijk voor wordt gekozen in een huwelijkscontract) is het wettelijk stelsel van toepassing. Dit stelsel voegt aan de twee eigen vermogens van de echtgenoten een derde toe: het gemeenschappelijk vermogen.

Het eigen vermogen van de echtgenoten is samengesteld uit de goederen waarvan elk van hen eigenaar was op het ogenblik van het huwelijk en de goederen verkregen bij wijze van schenking of erfenis tijdens het huwelijk.

Het gemeenschappelijk vermogen bestaat uit de inkomsten (en schulden) van beide echtgenoten, zoals wedden, tantièmes, dividenden, werkloosheidsuitkeringen, etc. Ook de inkomsten uit eigen goederen zijn gemeenschappelijk.

Als gevolg hiervan zal niet enkel het eigen vermogen maar tevens het gemeenschappelijk vermogen dienst doen als onderpand van eventuele schuldeisers.

Bovendien voorziet de wet in een vermoeden van gemeenschap: alle goederen (en schulden) waarvan het eigen karakter niet bewezen kan worden, zijn gemeenschappelijk.

Het wettelijk stelsel viseert de solidariteit tussen de echtgenoten en de samenwerking voor bepaalde beschikkingsdaden aangaande het gemeenschappelijk vermogen.

Beoogt u evenwel een strikte scheiding van de vermogens dan kan geopteerd (noodzakelijkerwijze met een huwelijkscontract) worden voor het stelsel van de scheiding van goederen, dat in principe slechts 2 vermogens kent namelijk het eigen vermogen van elk der echtgenoten.

Kopen de echtgenoten iets samen aan dan is er sprake van een onverdeeldheid : beide echtgenoten hebben dezelfde rechten op een goed in verhouding tot hun respectievelijke bijdrage in de prijs.

Er bestaat ook een wettelijk vermoeden van onverdeeldheid ingeval het exclusief eigendomsrecht niet kan bewezen worden in hoofde van één der echtgenoten. In dit geval worden beiden echtgenoten geacht eigenaar te zijn en dit elk ten belope van de helft.

Met dit stelsel wordt meestal de nadruk gezet op de zelfstandigheid van de echtgenoten en de bescherming van het vermogen van een der echtgenoten tegenover de mogelijke schuldeisers van de andere[1].

Nu kan een zekere solidariteit ingebouwd worden in een dergelijk stelsel.

Bij voorbeeld zou aan het stelsel van zuivere scheiding van goederen een intern gemeenschappelijk vermogen toegevoegd kunnen worden. Dit betekent dat bepaalde bestanddelen van het eigen vermogen in deze “gemeenschap” gebracht worden maar dat voor het overige de regels van de scheiding van goederen blijven geldig (om een ontaarding van het stelsel te vermijden).

Ook het wettelijk stelsel kan gemoduleerd worden.

Wenst u alles te delen met uw echtgeno(o)t(e) dan kunt u de gemeenschap uitbreiden en kiezen voor de algehele gemeenschap van goederen waar het grootste deel van de huidige en toekomstige goederen evenals de inkomsten zich bevinden in het gemeenschappelijk vermogen.

Er zijn wel twee eigen vermogens doch deze zijn eerder beperkt (bijvoorbeeld goederen gekregen via schenking of testament, gedaan/opgemaakt onder het uitdrukkelijk verbod om deze goederen in een gemeenschappelijk vermogen in te brengen).

Op het vlak van erfrecht zijn gehuwde personen, ongeacht het gekozen regime, steeds erfgenamen ten opzichte van elkaar. Bij een overlijden ontvangen zij in principe het vruchtgebruik op de nalatenschap van de eerststervende.

Bovendien beschikt de langstlevende der echtgenoten eveneens over een beschermd erfdeel, de zogenaamde reserve. Deze reserve bestaat uit het vruchtgebruik op de helft van de nalatenschap of tenminste het vruchtgebruik op de gezinswoning en het daarin aanwezige huisraad.

Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de langstlevende der echtgenoten bij een overlijden in principe steeds recht heeft op het vruchtgebruik van de nalatenschap van de eerststervende, inclusief de in het verleden gedane schenkingen.

Welnu, aangezien een dergelijk gesplitst eigendomsrecht vruchtgebruik – blote eigendom niet altijd praktisch noch gewenst is in wedersamengestelde gezinnen laat de wet de kinderen uit een eerste huwelijk toeeen de omzetting van het vruchtgebruik in kapitaal of rente te vorderen, behalve voor wat de gezinswoning betreft.

Met dezelfde gedachtengang indien een van de echtgenoten een of meer afstammelingen heeft uit een vorige relatie, kunnen de echtgenoten dat erfrechtelijk vruchtgebruik beperken, met dien verstande dat het vruchtgebruik op de gezinswoning en het stofferend huisraad mag niet ontnomen.

Deze beperking van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtegenoot dient niet wederkerig te zijn doch vereist wel steeds de instemming van beide echtgenoten. Het moet trouwens vastgesteld worden bij huwelijkscontract of bij wijzigingsakte in het zogenaamde Valkeniersbeding.

Het Valkeniersbeding belet overigens niet dat een financiële bescherming van de langstlevende echtgeno(o)t(e) zou ingebouwd worden.

Gehuwde partners -en hun stiefkinderen- kunnen bovendien erven aan relatief gunstige tarieven. Afhankelijk van het Gewest bedraagt het maximumtarief 27% dan wel 30% en zijn er bijzondere regimes voorzien m.b.t. de vererving van de gezinswoning.

U ziet het al : zoals met alles in het leven is ook voor het aangaan van een duurzame relatie het advies “bezint eer ge begint” van toepassing.

[1] Let op het feit dat het primair huwelijkstelsel in de mogelijkheid voorziet voor een schuldeiser onder bepaalde voorwaarden om het vermogen van de niet contracterende echtgenoot aan te spreken.

__________________________________

Samenwonen of huwen ? Deel 1

Door Anouck Lejeune & Martin Desimpel

24/4/2017

Voor velen onder u stellen zich op een bepaald ogenblik in hun leven de prangende vraag : samenwonen of huwen met de liefde van mijn leven ?

De beslissing die men dan neemt, heeft vele gevolgen zowel op het vlak van de bescherming van de partner als op fiscaal vlak. Hierna gaan wij dieper in op de gevolgen van uw keuze om feitelijk dan wel wettelijk samen te wonen, om in een volgende bijdrage stil te staan bij de gevolgen van een huwelijk.

Feitelijke samenwoning

De feitelijke samenwoning is aan geen enkele formaliteit onderworpen. Bovendien zijn er geen rechten en plichten voorzien tussen feitelijke samenwoners op het vlak van eigendom en betaling van schulden.

Iedere samenwoner blijft eigenaar van zijn/haar goederen. Kopen de partners samen iets aan dan is er sprake van een onverdeeldheid : de rechten van beide partners staan in verhouding tot hun repsectievelijke bijdrage in de prijs.

Ook de inkomsten blijven eigen, zodoende zal elke partner een afzonderlijke aangifte in de Personenbelasting moeten indienen.

Deze onafhankelijkheid heeft echter ook zijn prijs : u bent immers op geen enkele manier beschermd, noch tijdens het samenleven (o.a. hulp en bijstand) noch bij de beëindiging ervan door scheiding (bijv. alimentatie) of overlijden.

Zo kan de partner die eigenaar is van de gezinswoning alleen over het lot ervan beslissen, meer nog, in geval van een “scheiding” zal de andere partner gedwongen kunnen worden om de gezinswoning te verlaten.

Wil men hier aan verhelpen dan is het raadzaam om een samenlevingscontract op te stellen waarin één en ander wordt vastgelegd.

Belangrijk om te weten is dat feitelijk samenwonende partners geen erfgenamen van elkaar zijn, laat staan dat de feitelijk samenwonende partner op enig ogenblik beschermd wordt tegen de erfgenamen van de eerststervende.

Mocht u een testament hebben opgesteld en heeft u meer dan één jaar een gemeenschappelijke huishouding gevoerd, dan zal u voor de Erfbelasting in het Vlaamse Gewest gelijkgesteld worden met gehuwden (max.tarief = 27% en vrijstelling gezinswoning). Stiefkinderen worden ook gelijkgesteld aan erfgenamen in rechte lijn.

Het Waals en het Brussels Gewest daarentegen beschouwen de feitelijk samenwonende én hun stiefkinderen als vreemden met tarieven tot max. 80% tot gevolg.

Wettelijke samenwoning

Er is sprake van een wettelijke samenwoning als men een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd voor de ambtenaar van burgerlijke stand van de gemeente waar men woont.

Eénieder kan een dergelijk verklaring afleggen, zolang men op het ogenblik van het afleggen van voormelde verklaring maar niet gehuwd is.

Vanaf het ogenblik waarop u de verklaring heeft ondertekend, treedt een beperkte wettelijke bescherming in werking. Zo wordt o.a. voorzien in een bescherming van de gezinswoning (die voortaan kan verkocht of gehypothekeerd worden mits instemming van de wettelijke samenwonende partner) en dient men bij te dragen in de kosten van de samenwoning in functie van de mogelijkheden. Maar er is dan weer geen –wettelijke- verplichting tot samenwoning noch een onderhoudsverplichting.

Wenst men een grotere bescherming in te bouwen dan is het raadzaam om een samenlevingscontract op te stellen. In voorkomend geval moet het een notarieel contract betreffen dat vervolgens zal opgenomen worden in het Centraal Register.

Algemeen gelden de principes van zuivere scheiding van goederen.

U kan, in uw samenlevingscontract, ook een soort beperkt gemeenschappelijk vermogen creëren alwaar u bijvoorbeeld de gezinswoning inbrengt. Een dergelijke inbreng gaat wel gepaard met een fiscale kost van 10% of 12,5% alnaargelang het Gewest. Verder kan uitgewerkt worden wie instaat voor de betaling van welke kosten, op welke wijze het beheer van de goederen wordt geregeld, …

Daarenboven kan u eveneens bepalen wat er zal gebeuren in geval van “scheiding”. Zo kan voorzien worden in een (in de tijd beperkte) onderhoudsuitkering en kan een verdelingsregeling uitgewerkt worden i.g.v. ongelijke financiering van bepaalde (onroerende) goederen.

Mocht één van beide partners komen te overlijden, is er wel een erfrecht voorzien ten voordele van de langstlevende. Deze krijgt immers het vruchtgebruik –of het recht op de huur- van de “gezinswoning” en de daarin aanwezige huisraad. Maar de wettelijk samenwonende partner is geen reservatair erfgenaam en kan dan ook onterfd worden.

Wenst u het erfrecht van uw partner uit te breiden dan kan dit maar hiervoor moet een testament opgemaakt worden en dient men rekening te houden met het beschermd deel van uw reservataire erfgenamen.

In alle drie de Gewesten wordt de wettelijk samenwonende partner voor de Erfbelasting volledig gelijkgesteld met de echtgenoot (tarieven én vrijstelling gezinswoning). Stiefkinderen worden gelijkgesteld met gewone kinderen. De gelijkschakeling geldt ook als de natuurlijke ouder reeds vooroverleden is weliswaar op voorwaarde dat hij/zij nog steeds wettelijk samenwonend (of gehuwd) was op het ogenblik van diens overlijden.

__________________________________

Genieten van uw pensioen in het zonnige zuiden

Door Nils De Vriendt & Bruno Ferrier, Puilaetco Dewaay Private Bankers

16/3/2017

Velen onder ons dromen van een pensioen in het warme Zuiden. Het leven is daar relax en vaak ook goedkoper. Maar de vraag die zich vooral opdringt : Levert een emigratie naar Frankrijk, Spanje of Portugal mij ook een fiscaal voordeel op wanneer ik voor de uitkering van mijn groepsverzekering emigreer?

  1. Belgische fiscale gevolgen van de uitkering van een pensioenkapitaal

Welnu, in België is het kapitaal, uitgekeerd uit uw groepsverzekering(en) opgebouwd tijdens uw beroepsloopbaan als loontrekkende, onderworpen aan verschillende inhoudingen.

Zo is er een Riziv bijdrage van 3,55% en een solidariteitsbijdrage van 2%. Daarnaast zal de verzekeraar of de pensioeninstelling bij uitkering ook nog bedrijfsvoorheffing inhouden.

Het tarief van de bedrijfsvoorheffing op het kapitaal opgebouwd via premiestortingen van de werkgever is afhankelijk van uw leeftijd bij uitkering. Het toepasselijk tarief op het kapitaal opgebouwd door eigen premies hangt af van de datum van premiestorting.

Leeftijd bij uitkering PREMIES WERKGEVER ​ EIGEN PREMIES
Niet wettelijk (vervroegd) gepensioneerd wettelijk (vervroegd) gepensioneerd Voor 1/1/1993 Vanaf 1/1/1993
​60 ​20,19% 16,66% 16,66% ​10,09%
​61 ​18,17%
​62 tot 64 16,66​%
​65 ​ 10,09% (indien effectief actief tot
wettelijke pensioenleeftijd), anders 16,66%

Verhuist u echter naar Frankrijk, Spanje of Portugal voor de uitkering van de kapitalen dan bekijkt u best vooraf welke van deze inhoudingen nog kunnen.

2.              RIZIV en solidariteitsbijdragen in strijd met Europees recht.

Het Hof van Justitie oordeelde op 26 oktober 2016 dat de RIZIV bijdrage en solidariteitsbijdrage strijdig is met de Europese regels indien u op het ogenblik van uitbetaling sociaal verzekerd bent in een andere lidstaat van de EER dan België. Hierdoor kunnen deze niet langer.

Hield de verzekeraar of de pensioeninstelling deze toch nog in dan kan u mits bewijs dat u sociaal verzekerd was in een andere lidstaat van de EER de terugbetaling vragen van deze onterechte inhouding.

3.              Bedrijfsvoorheffing

Als u verhuist naar het buitenland dan wordt een pensioenkapitaal uit een groepsverzekering personeel uitgekeerd na deze verhuis in principe toch nog belast in België. Dat komt door de zogenaamde emigratieclausule die stelt dat het pensioenkapitaal wordt geacht te zijn uitgekeerd voor de verhuis uit België naar het buiteland.

Aangezien deze clausule in strijd is met het Europees recht, werd deze door België aangepast zodat ze nog enkel geldt bij overbrenging van de fiscale woonplaats naar een land buiten de EER. Maar als u verhuist uit België naar een andere EER land zoals Frankrijk, Spanje of Portugal dan geldt deze clausule dus niet meer en moet u in het dubbelbelastingverdrag tussen België en deze landen nagaan of België nog inkomstenbelasting kan heffen.

3.1. Geen bedrijfsvoorheffing na verhuis naar Frankrijk, Portugal of Spanje

Volgens het dubbelbelastingverdrag tussen België en respectievelijk Frankrijk, Portugal en Spanje kan enkel het land waar u effectief woont op het ogenblik van de uitbetaling van uw pensioenkapitaal uit een vorige dienstbetrekking het kapitaal belasten.

M.a.w. indien u zich in respectievelijk Frankrijk, Portugal of Spanje vestigt, zal enkel Frankrijk, Portugal of Spanje het uitbetaalde kapitaal van uw groepsverzekering personeel kunnen belasten. De verzekeringsonderneming of de pensioeninstelling mag dan geen bedrijfsvoorheffing inhouden. U moet wel nog verplicht een woonplaatsattest voorleggen dat uitgaat van de Franse, Portugese of Spaanse fiscale autoriteiten.

Ook zult u zich vooraf moeten uitschrijven uit het bevolkingsregister van de Belgische gemeente waar u voor uw verhuis verbleef. Zoniet wordt u vermoed nog Belgisch inwoner te zijn.

3.2.         Maar vermijdt u ook belasting in de nieuwe woonstaat?

In Frankrijk bent u belasting verschuldigd. Dit gebeurt aan het normale progressieve tarief (0% – 45%) onder de rubriek “traitement et salaires” op de bruto uitkering verminderd met o.a. een abattement van 10%, geplafonneerd tot € 3 711. Onder bepaalde voorwaarden kan u wel aanspraak maken op een gunstiger fiscaal regime.

Bij uitkering na verhuis naar Spanje is uw kapitaal onderworpen aan de progressieve tarieven van doorgaans 19% opklimmend tot 45%. Wel zijn er bepaalde aftrekposten en is het uiteindelijke tarief afhankelijk van de Autonome Regio waar u zich vestigt.

Verhuist u naar Portugal dan is de uitkering –na aftrek van bepaalde bedragen- in principe onderworpen aan de progressieve tarieven (14,5% – 48%), eventueel te verhogen met een surtaxe van 2,5% of 5%, afhankelijk van de omvang van uw netto-inkomsten in desbetreffend jaar.

Onder bepaalde voorwaarden kan u echter aanspraak maken op het gunstige regime van “Non Habitual Resident». Dit geldt voor een periode van 10 jaar en leidt tot een fiscaal gunstige behandeling. Zo zijn buitenlandse pensioenen vrijgesteld van Portugese inkomstenbelasting indien het werd al belast in België op basis van het dubbelbelastingverdrag of het niet afkomstig is uit een Portugese bron.

4.              Besluit

Door te verhuizen naar Frankrijk, Spanje of Portugal kan u de Belgische inhoudingen op het kapitaal uit uw groepsverzekering personeel afschudden. Maar of u ook effectief minder belasting betaalt, gaat u best verder na met een Franse, Spaanse of Portugese fiscaal expert.

_____________________________________________________________

Fiscaal, burgerlijk en vennootschapsrecht: De verwachte hervormingen in 2017?

Door Martin Desimpel, Senior Wealth Planner, Puilaetco Dewaay Private Bankers

13/2/2017

In haar algemene politieke nota van 3 november laatstleden heeft de regering twee hervormingen aangekondigd die onze aandacht getrokken hebben. Aangezien de huidige legislatuur in 2018 eindigt, zouden de wetgevende initiatieven betreffende deze hervormingen in de loop van 2017 moeten worden ingediend.

Het Burgerlijk Wetboek, de Godot van de hervormingen

De hervorming van het Burgerlijk Wetboek, die in de loop der tijd de Godot van de wettelijke hervormingen geworden is, zou wel degelijk kunnen worden doorgevoerd.

Om het hoofd te bieden aan de toenemende discrepantie tussen de huidige maatschappelijke werkelijkheden en de bepalingen van het Wetboek, waarvan sommigen nog ontleend zijn aan beschouwingen die van meer dan twee honderd jaar geleden dateren, werd een belangrijke hervorming voorbereid die leidde tot de indiening van een eerste wetsvoorstel in 2013. Bij gebrek aan consensus binnen de partijen die destijds aan de macht waren, is het ontwerp zonder gevolg gebleven en de volledige hervorming kwam vast te zitten. Een nieuw wetsvoorstel dat in december 2014 ingediend werd, kende even weinig succes.

Sindsdien werden de werkzaamheden opnieuw aangevat en ze zouden op termijn moeten leiden tot een grondige wijziging van het Burgerlijk Wetboek.

Van alle aspecten van deze ambitieuze hervorming benadrukken wij de wijzigingen van het familiaal vermogensrecht, het successierecht, het relatievermogensrecht; de invoering van bepalingen die een aangepaste vermogensregeling voor kwetsbare of zorgkinderen toelaten en het in aanmerking nemen van het sociaal ouderschap[1].

Op erfrechtelijk vlak wordt er nagedacht over een verhoging van het beschikbaar deel[2] en over de mogelijkheid om erfovereenkomsten te sluiten (vandaag in beginsel verboden), en dit teneinde meer vrijheid inzake aanwijzing van erfgenaam te bieden.

Het vennootschapsrecht, vereenvoudiging als optie

In de regeringsnota wordt eveneens vermeld dat de hervorming van het vennootschapsrecht gericht is op de volgende principes-motoren: de afschaffing van het historische onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden, de integratie van het verenigingsrecht[3] in het Wetboek van Vennootschappen en de beperking van het aantal vennootschapsvormen.

Er zou dus geen onderscheid meer moeten zijn tussen burgerlijke en handelsvennootschappen, en verenigingen en stichtingen zouden economische activiteiten in hoofdzaak kunnen voeren (met, uiteraard, behoud van het verbod van heruitkering). Eénzelfde insolventierecht zou op om het even welke onderneming toepasselijk zijn[4].

De weerhouden vennootschapsvormen zouden zijn: de gewone vennootschap (overgenomen van de maatschap) die varianten kan hebben, de naamloze vennootschap die, per definitie, voor grote en beursgenoteerde ondernemingen bestemd is, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die flexibeler is dan in haar huidige vorm[5] en de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Conclusie

Deze hervormingen zouden moeten beantwoorden aan de verwachtingen van een groot deel van de praktijkbeoefenaars en de burgers. Gezien hun omvang moet er voor een vertraging worden gevreesd. « Wie veel begeert, veel ontbeert », zegt het spreekwoord. Laat ons hopen dat dit niet het geval is.

[1] Om meer bepaald te beantwoorden aan de behoeften die eigen zijn aan nieuw samengestelde gezinnen.

[2] Ofwel het deel van het vermogen van de nalatenschap waarover een persoon vrij kan beschikken zonder afbreuk te doen aan de rechten die de wet aan sommige erfgenamen voorbehoudt.

[3] VZW’s, IVZW’s, stichtingen en, nieuwigheid, feitelijke verenigingen.

[4] Vandaag zijn enkel de handelsvennootschappen onderworpen aan de faillissementswet.

[5] Er is met name sprake van een schrapping van het maatschappelijk kapitaal voor BVBA’s.

_________________________

Generation skipping … iets voor u? Deel II

Door Anouck Lejeune & Stéphanie Vannieuwenhuyse, Puilaetco Dewaay Private Bankers

9/1/2017

In onze vorige bijdrage gingen we reeds uitgebreid in op de techniek van generation skipping. Kort samengevat kan worden gesteld dat de techniek van generation skipping, waarbij de kleinkinderen rechtstreeks van de grootouders erven, aan twee actuele verzuchtingen tegemoet komt. De vergrijzing zorgt er immers voor dat kinderen op steeds latere leeftijd van hun ouders erven en de daaropvolgende vererving (van grootvader naar kind, van kind naar kleinkind) impliceert ook twee maal de verschuldigdheid van erfbelasting.

Via generation skipping kunnen de grootouders hun kleinkinderen het financiële duwtje in de rug geven op het moment dat zij dit echt nodig hebben zoals bij het stichten van een gezin of de aankoop van een eerste woning. Er zal slechts één maal erfbelasting verschuldigd zijn en gezien dit een belasting aan progressieve tarieven is levert dit een bijkomend voordeel. . Erfgenamen in rechte lijn (dus zowel kinderen als kleinkinderen) betalen immers per hoofd op hun netto aandeel in de nalatenschap en nog eens opgesplitst over het roerend en onroerend vermogen. Gezien er vaak méér kleinkinderen dan kinderen zijn, wordt de koek zo in meer stukjes verdeeld en valt men in de lagere belastingschijven.

In onze vorige bijdrage bespraken we hoe de kinderen de nalatenschap konden verwerpen t.v.v. de kleinkinderen. Er zal hierdoor slechts één maal erfbelasting verschuldigd zijn maar de verschuldigde belasting moet minimaal evenveel bedragen als deze die moest geheven worden ingeval van aanvaarding van de nalatenschap door de kinderen.

De techniek van het “ik-opa testament” kent deze begrenzing niet. Met een “ik-opa testament” stelt de grootouder bij testament zijn kinderen aan als algemene legatarissen (zij krijgen de volledige nalatenschap) onder de last om een nominaal bedrag aan de kleinkinderen te betalen. De kleinkinderen krijgen op die manier een schuldvordering op hun ouders, die zij evenwel slechts kunnen opeisen bij het overlijden van deze ouder. Zodoende kan een aanzienlijke besparing gerealiseerd worden. De kinderen zullen erfbelasting betalen op hetgeen zij erven onder aftrek van het bedrag dat de kleinkinderen erven. De kleinkinderen betalen erfbelasting op de omvang van de schuldvordering. Bij het tweede overlijden, nl. van de kinderen, zal enkel erfbelasting verschuldigd zijn op het actief minus de schuldvordering.

Grootouders kunnen echter slechts beschikken ten voordele van hun kleinkinderen ten belope van het beschikbaar deel. De reserve –zijnde een onaantastbaar gedeelte van het vermogen van de overledene dat de wet aan bepaalde erfgenamen voorbehoudt -, dient immers te worden gerespecteerd. In geval van 2 kinderen bedraagt de reserve van elk kind (aktueel) 1/3 wat impliceert dat grootvader slechts over 1/3 van zijn vermogen kan beschikken ten voordele van zijn kleinkinderen.

Let wel : het Napoleontisch systeem van de reserve is niet meer geijkt op de huidige samenleving. Daarom zou de toekomstige hervorming van het Burgerlijk Wetboek potentieel meer manoeuvreer-ruimte bieden door onder meer te voorzien in een beperking van de reserve tot de helft van de fictieve massa (zijnde de nalatenschap verhoogd met de gedane schenkingen door de overledene).

Laten we dit alles eens illustreren aan de hand van een voorbeeld (we nemen de zelfde casus als in onze vorige bijdrage). Stel: grootvader heeft 2 kinderen, die elk op hun beurt 2 kinderen hebben. Zijn roerend vermogen bedraagt 1 000 000 Euro.

Indien grootvader geen actie onderneemt en overlijdt, zal de totale Erfbelasting in hoofde van zijn kinderen 174 000 Euro (87.000×2) bedragen.

Daarboven zouden er nog 62.370 Euro extra moeten betaald worden indien de nalatenschap van de grootvader (na betaling van de bij dit eerst overlijden verschuldigde erfbelasting) aan zijn kleinkinderen zou toekomen ingevolge het overlijden van hun ouder. De totale factuur na die opeenvolgende overlijdens komt neer op 236 340 Euro.

Maar grootvader kan een “ik-opa testament” opstellen waarbij hij zijn twee kinderen als algemene legatarissen aanstelt waardoor hij hen het geheel van zijn vermogen legateert. Grootvader legt hen echter de last op om aan elk van hun respectievelijke kinderen, zijn kleinkinderen, een welbepaald bedrag uit te keren.

Rekening met de (aktueel) door de wet aan de kinderen voorbehouden erfrechten (hun reserve), kan grootvader een bedrag van maximaal 83 333 Euro (de last) toebedelen aan elk van zijn kleinkinderen.

Als grootvader overlijdt, betalen beide kinderen Erfbelasting op het netto-erfdeel dat zij verkrijgen het weze 333.334 Euro per kind (elk de helft van 1 000 000 Euro verminderd met de last van 333 332 Euro (4 * 83 333 euro)). De kinderen betalen 84 000 Euro (42.000×2) Erfbelasting. De 4 kleinkinderen erven elk een shuldvordering ten belope van 83 333 Euro en betalen hierover elk 4 500 Euro Erfbelasting. Bij een ik-opa testament bedraagt de totale Erfbelasting bij het overlijden van opa 102 000 Euro. Bij het daaropvolgende overlijden van de kinderen, wordt de schuldvordering aan de kleinkinderen uitbetaald. Elk kleinkind ontvangt 83 333 Euro waarover zij geen Erfbelasting meer moeten betalen en 145.667 Euro (de helft van 333.334 euro na betaling van de erfbelasting verschuldigd bij het overlijden van de grootvader) waarop elk kleinkind 10.110 Euro erfbelasting zal moeten betalen. In totaal bedraagt de Erfbelasting bij een ik-opa testament 142 440 Euro, hetgeen een besparing oplevert van 91 900 Euro (236 340 – 144 440 Euro).

Door het gebruik van een last kan er eveneens in een clausule worden voorzien voor eventuele ongeboren kleinkinderen. Zo kan aan de kinderen een last worden opgelegd om een bedrag te betalen aan eventueel nog niet geboren kleinkinderen.

Het moge duidelijk zijn dat er geen globale en unieke oplossing bestaat aangezien iedere situatie verschillend is. Men moet bijzonder aandachtig zijn onder meer als één of meerdere van de kleinkinderen minderjarig zijn. U laat zich bij voorkeur dan ook bijstaan door een specialist bij het uitwerken van uw planning.

__________________________________

Generation skipping … iets voor u? Deel I

Door Anouck Lejeune & Stéphanie Vannieuwenhuyse, Puilaetco Dewaay Private Bankers

17/11/2016

Waarom generation skipping ?

Door de toenemende vergrijzing van de bevolking erven kinderen op steeds latere leeftijd van hun ouders. Vaak hebben zij op dat moment echter al een eigen vermogen opgebouwd en is er minder behoefte aan een erfenis. De kleinkinderen daarentegen staan op dat moment voor de grote uitdagingen in hun leven: aankoop van een woning, stichten van een gezin. Voor hen is een financieel duwtje in de rug welgekomen.

Daarbovenop wordt veelal twee maal erfbelasting betaald over dat vermogen van de grootouders: één maal door de kinderen en bij hun respectieve overlijden een tweede maal door de kleinkinderen.

Stel : grootvader heeft 2 kinderen, met elk op hun beurt 2 kinderen. Zijn roerend vermogen bedraagt 1.000.000 Euro.Bij overlijden van grootvader betalen zijn 2 kinderen samen 174.000 Euro Erfbelasting. Bij het daaropvolgend overlijden van de kinderen betalen de vier kleinkinderen samen 62.340 Euro Erfbelasting. Dit betekent een totale belastingfactuur van 236.340 Euro.

In rechte lijn (tussen ouders – kinderen – kleinkinderen) wordt de progressieve Erfbelasting berekend per aandeel van elk van de erfgenamen. Door de nalatenschap over zo veel mogelijk erfgenamen te verdelen kan men de progressiviteit van de Erfbelasting doorbreken en zo een aanzienlijke besparing realiseren. De techniek van generation skipping, waarbij men de kleinkinderen reeds in de planning betrekt, is net op dit idee gestoeld.

Welke zijn de verschillende mogelijkheden?

Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat de kinderen de nalatenschap verwerpen. Sedert 2013 is het immers mogelijk op deze wijze het erfdeel van uw kind toe te laten komen aan uw kleinkinderen.

Drie nadelen werpen zich wel op. Vooreerst bent u afhankelijk van de goodwill van uw kinderen want zij dienen de beslissing tot verwerping te nemen. Daarnaast is het een “alles of niets” oplossing, de verwerping is niet te beperken tot een deel van de erfenis. De Erfbelasting zal alsnog verschuldigd zijn maar dan tussen grootvader en kleinkinderen.

Het voordeel is echter dat de kleinkinderen de financiële middelen ontvangen op een ogenblik waarop zij deze daadwerkelijk nodig hebben. Verder wordt slechts 1 maal Erfbelasting betaald met de beperking dat de verschuldigde Erfbelasting niet minder mag bedragen dan wanneer de kinderen hadden geërfd.

In bovenstaand voorbeeld betekent dit dat door de 4 kleinkinderen verschuldigde Erfbelasting bij overlijden van de grootouders 174.000 Euro zal bedragen, een besparing van 78.000 Euro.

Indien u niet afhankelijk wenst te zijn van de wil van uw kinderen kan u opteren voor een testament. . U kan voorzien bij testament in een (beperkt) legaat aan uw kleinkinderen of opteren voor het zogenaamde “ik-opa” testament (hier gaan we in een volgende bijdrage op in). Een testament ten voordele van de kleinkinderen wordt echter beperkt door het reservatair gedeelte van uw kinderen, hun bij wet voorbehouden deel. Hier kan men niet van afwijken, slechts over het beschikbaar deel kan men vrij beschikken.

De respectieve reserve en beschikbaar deel zijn afhankelijk van het aantal kinderen. In ons voorbeeld is de reserve van de kinderen 2/3de van de fictieve massa (nalatenschap + de in het verleden gedane schenkingen – de kosten). Over1/3de van uw vermogen kunt u dus bij wijze van testament vrij beschikken ten voordele van de kleinkinderen.

Bovenstaande beperking, nl. dat de fiscus niet mag worden benadeeld, is bij beschikking per testament niet van toepassing. Een testament is te allen tijde herroepbaar zodat u steeds uw successieplanning kunt wijzigen in functie van de noden van uw familiale situatie.

We wensen u wel attent te maken op het feit dat voor de aanvaarding van uw nalatenschap door minderjarige kleinkinderen steeds de toestemming van de Vrederechter nodig zal zijn. Zoals aangestipt zal uw nalatenschap overigens ook voldoende groot moeten zijn m.o.o. de reserve van uw kinderen.

In onze volgende bijdrage, generation skipping deel 2, gaan we verder in op de mogelijkheden om uw kleinkinderen bij uw successieplanning te betrekken.

__________________________________

Verkoop op lijfrente en vermogensplanning

Door Nils De Vriendt, Wealth Planning & Structuring, Puilaetco Dewaay Private Bankers

10/10/2016

De verkoop op lijfrente is de verkoop van een goed aan een koper die zich ertoe verbindt levenslang een rente te betalen aan de verkopers of aan de langstlevende van hen.

Meestal betaalt de koper een deel van de koopsom bij het verlijden van de akte. De rest van de werkelijke verkoopprijs wordt omgezet in een maandelijkse of driemaandelijkse rente. De rente wordt berekend o.b.v. de waarde van het goed en de vermoedelijke levensduur van de lijfrentegenieter zodat deze zeker de werkelijke verkoopprijs reflecteert. Bovendien wordt deze rente best geïndexeerd om rekening te houden met de inflatie. Wenst de verkoper in de woning te blijven wonen dan behoudt hij zich best het vruchtgebruik voor.

De verkoop op lijfrente van onroerend goed is onderworpen aan registratierechten van 10% indien het goed ligt in het Vlaams Gewest en 12,5% in de rest van België.

Waarom?

Er bestaan verschillende redenen. Zo kunnen gepensioneerden hun pensioen via verkoop op lijfrente verhogen met een aanvullend inkomen om te voorzien in hun levensbehoeften. De rente die de verkoper krijgt, wordt immers niet belast, behoudens indien ze is aangegaan ten laste van een in België of in het buitenland gevestigde onderneming of rechtspersoon. In voorkomend geval is de rente belastbaar aan een afzonderlijk tarief van 27% tenzij globalisatie met de overige inkomsten van de rentegenieter voordeliger is.

Maar soms wenst men, in het kader van vermogensplanning één van de erfgenamen te bevoordelen. In dit geval dient u steeds rekening te houden met de twee componenten van uw fictieve massa (= nalatenschap + in het verleden gedane schenkingen – kosten) : het reservataire gedeelte enerzijds en het beschikbaar deel anderzijds.

Reservataire erfgenamen zijn uw kinderen, echtgenote, wettelijk samenwonende partner en, in sommige gevallen, uw ouders. Zij genieten een wettelijk voorbehouden erfdeel, de reserve, waarover u niet vrij beschikken. Het beschikbaar deel daarentegen kan u geheel vrij aanwenden ten voordele van de éne of andere persoon (al dan niet erfgenaam).

De meest voorkomende wijze om één van uw erfgenamen te bevoordelen, bestaat erin om een schenking te doen buiten erfdeel. Hierdoor wordt de schenking eerst aangerekend op het beschikbaar deel van uw nalatenschap. Slechts wat bij schenkingen « buiten deel » dit beschikbaar deel overschrijdt, kan na uw overlijden door uw reservataire erfgenamen via vordering worden ingekort.

Wenst u hieraan te ontsnappen omdat u wenst dat een bepaald onroerend goed effectief slechts naar een bepaalde erfgenaam of een derde persoon gaat zonder inbrengverplichting of zonder risico op inkorting dan de verkoop op lijfrente soelaas bieden en een alternatief zijn voor een schenking van het onroerend goed.

Loopholes?

Om te voorkomen dat de lijfrente zou blijven voortduren doordat de lijfrentegenieter heel erg oud wordt – denk maar aan het legendarische geval van Jeanne Calment – kan u de lijfrente best ook koppelen aan een termijn van maximaal 20 of 25 jaar. Als de verkoper zich het vruchtgebruik voorbehoudt, zal deze dan wel na afloop van deze periode van 20 of 25 jaar in het goed kunnen blijven verder wonen maar u hoeft alvast geen rente meer te betalen.

Verder dient u er bij verkoop op lijfrente aan uw kinderen- en kleinkinderen, voor te zorgen dat de overige erfgerechtigden in de rechte lijn hun instemming via een tussenkomst in de verkoopakte. Enkel zo vermijdt u na uw overlijden onderlinge discussies tussen hen.

Tenslotte moet u op het vlak van successierechten (in Vlaanderen erfbelasting) uitkijken als u verkoopt tegen lijfrente aan (een tussenpersoon van) een erfgenaam of een persoon die u via testament begiftigt. Deze laatsten moeten dan in staat zijn om na uw overlijden te bewijzen dat er bij deze verkoop sprake was van een gelijkwaardige tegenprestatie die ook effectief werd uitgevoerd door hen.

Dit kan door aan te tonen dat de berekende en te betalen lijfrente bij het sluiten van verkoop gelijkwaardig was aan de waarde van het verkochte goed en rekening hield met de vermoedelijke levensduur van de lijfrentegenieter o.b.v. sterftetabellen en diens reële gezondheidstoestand.

Bovendien moeten ze bewijzen dat de rentes naderhand ook effectief werden betaald. Hierbij is het aanbevolen dit te bewijzen via rekeninguittreksels, die men bij voorkeur dan ook zorgvuldig bewaart. Kunnen ze dit immers niet bewijzen dat wordt de verkoop na uw overlijden beschouwd als een zogenaamd “fictief legaat”, waarop de koper successierechten verschuldigd is. Dit zou betreurenswaardig zijn.

_________________________

De juiste toepassing van de maatschap

12/9/2016

De oprichting van een maatschap wordt vaak voorgesteld in het kader van een successieplanning. Nochtans gaat het hier niet om een wonderoplossing. Meer nog, bij een verkeerd gebruik zullen de vooropgestelde doelstellingen zelfs niet bereikt worden.

Alvorens de voordelen aan bod te laten komen, is het van belang om de krijtlijnen van dit planningsinstument te bepalen.

De maatschap is een overeenkomst op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met eenzelfde doel. Het gaat om een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid waardoor de ingebrachte goederen in onverdeeldheid toebehoren aan de deelgenoten.

Waarom een maatschap oprichten?

Een maatschap kan nuttig zijn indien het de bedoeling is om een vermogen over te dragen naar de volgende generatie zonder het onmiddellijk ter beschikking te willen stellen.

Het klassieke geval is dat waarbij de ouders het vermogen dat ze wensen over te dragen aan hun kinderen inbrengen in een maatschap, waarbij behoud van controle in hoofde van de ouders voorzien wordt via het statutair zaakvoerderschap . Naderhand gaan ze over tot de schenking van hun deelgerechtigdheden, of van de blote eigendom ervan, aan hun kinderen. Zo worden de kinderen deelgenoot van de maatschap waarvan hun ouders statutair zaakvoerder zijn.

Tot afloop van het mandaat – meestal levenslang – van de zaakvoerders kunnen de kinderen niet tussenkomen in het beheer van de maatschap.

Hoe een maatschap oprichten?

Een maatschap komt tot stand wanneer verschillende partijen een overeenkomst afsluiten. Deze overeenkomst kan onderhands of via notariële akte worden opgesteld. Indien een onroerend goed wordt ingebracht in de maatschap is de tussenkomst van een notaris echter steeds vereist.

Het opstellen van de statuten is een cruciale stap teneinde een goed beheer te garanderen én tot een optimale overdracht van het vermogen te komen. In de statuten wordt o.a. melding gemaakt van het doel van de maatschap, de wijze van winstuitkeringen en de regels voor de overdracht van de delen van de maatschap maar worden tevens de zaakvoerders aangeduid en hun bevoegdhedenomschreven .

Belangrijk is ook om duidelijk te bepalen dat het doel van de maatschap van burgerlijke aard is en niet commercieel. Zo is de oprichting van een maatschap met als doel de promotie van vastgoed niet in overeenstemming met het burgerlijk karakter dat een maatschap moet hebben.

Welke goederen inbrengen in de maatschap?

Uiteraard kunnen roerende goederen zoals kunstcollecties, wagens of banktegoeden ingebracht worden in een maatschap. Dergelijke inbrengen brengen geen bijzondere fiscale verplichtingen met zich.

In geval van inbreng van een onroerend goed daarentegen is de registratie van de akte verplicht en dit kan onaangename fiscale gevolgen hebben.

Zo maakt de inbreng in een maatschap van een woning in principe een eigendomsoverdracht uit die onderworpen is aan een registratierecht van 10% (onroerend goed gelegen in Vlaanderen) of 12,5% (onroerende goederen gelegen in Brussel of Wallonië).

Indien de inbreng van een woning in een maatschap gebeurt door meerdere onverdeelde eigenaars zonder dat dit een verandering meebrengt van de verschillende aandelen van elke deelgenoot, is er evenwel geen eigendomsoverdracht zodat de inbreng onbelast iss.

De inbreng van roerende goederen in combinatie met de latere of bijkomende inbreng van een woning door een andere vennoot zal een onmiddellijke impact hebben op de eigendomsverhoudingen in de maatschap waardoor dan weer wel registratierechten (van 10% of 12,5%) verschuldigd zijn.

Tenslotte komt iedere latere overdracht van deelgerechtigdheden van een maatschap die onroerende goederen bezit neer op een overdracht van onroerend goed. Als het bijvoorbeeld gaat om een verkoop aan een medevennoot of een derde zal deze overdracht aanleiding geven tot de betaling van registratierechten. Tussen medevennoten geldt een tarief van 1% (2,5% in Vlaanderen) terwijl tussen derden het tarief van 10% of 12,5% geldt. In geval van schenking zijn onroerende schenkingsrechten verschuldigd.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kan de opportuniteit van van de maatschap in vraag gesteld worden indien het de planning van een onroerend vermogen betreft.

Hoe gebeurt de successieplanning?

Op zich zal de loutere oprichting van de maatschap de erfbelasting niet verminderen aangezien er geen overdracht van het vermogen plaatsvindt.

Het is pas door de daaropvolgende schenking van de delen van de maatschap, eventueel slechts de blote eigendom in plaats van de volle eigendom, dat er effectief een besparing zal gebeuren van erfbelasting.

In geval van schenking met voorbehoud van vruchtgebruik is een notariële akte verplicht. Belgische schenkingsrechten zullen verschuldigd zijn tenzij de akte gebeurt via een buitenlandse notaris. In geval van een buitenlandse niet in België geregistreerde akte, zullen de geschonken goederen pas vrij van successierechten zijn indien de schenker de schenking drie jaar heeft overleefd.

In Vlaanderen moet men echter rekening houden met het standpunt van VLABEL dat stelt dat de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik steeds aan Belgische schenkbelasting moet onderworpen zijn.

Besluit

De maatschap is een ideaal planningsinstrument om met behoud van controle de overdracht van roerende goederen voor te bereiden.

Indien dit uw doel is, laat u dan bijstaan door een expert. Deze kan met u de verschillende clausules te bespreken die u voorzien dienen te worden in de statuten van uw maatschap.

__________________________________

Schenking met last van lijfrente als alternatief voor de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik?”

23/8/2016

U kan het vandaag praktisch elke dag lezen : de belastingdruk in België ligt erg hoog. Dit mag dan wel de realiteit zijn op heel vlakken maar als het gaat over uw nalatenschap en uw roerend vermogen dient één en ander toch genuanceerd te worden.

Indien u niets doet, dan variëren de tarieven van erfbelasting /successierecht tussen de 3% en 30%, afhankelijk van het Gewest waar u woonachtig bent op datum van uw overlijden.

Deze successiedruk kan echter verlaagd worden, althans voor wat betreft uw roerend vermogen. Want België kent een voordelige regeling als het op de schenking van dit roerend vermogen aankomt.

Indien men overgaat tot een schenking van een roerend vermogen (effectenportefeuille, cash, aandelen van een vennootschap, kunstwerken, …) heeft men vaak de volgende doelstellingen : bescherming van het familievermogen, behoud van controle tijdens het leven de schenkers, garanderen van de financiële onafhankelijkheid in hoofde van de schenkers, beperken van de erfbelasting, …

Welnu, het roerend vermogen kan op verschillende wijzen overgedragen worden : de bankgift, de buitenlandse notariële schenking en de Belgische notariële schenking.

Bij de eerste twee technieken zal er in principe geen schenkbelasting verschuldigd zijn maar geldt een 3-jaarstermijn -behoudens vrijwillige registratie van de schenking binnen deze termijn- om successierechten te voorkomen.

De schenking voor een Belgische notaris zal daarentegen automatisch de betaling van schenkingsrechten tot gevolg hebben. Zodoende is het geschonken vermogen meteen geregeld en dit aan relatief lage tarieven : 3% / 7% of 3,3% / 5,5% / 7,7%, afhankelijk van het Gewest waarin u woonachtig bent.

Uiteraard kunnen er tal van voorwaarden, lasten en modaliteiten aan de schenking gekoppeld te worden. Dit steeds in functie van de bekommernissen van de schenkers.

Wenst u bijvoorbeeld een inkomen uit de schenking te behouden, dan heeft u de keuze tussen een voorbehoud van vruchtgebruik of het opleggen van een last van lijfrente.

Of u voor de éne dan wel de andere formule zal kiezen, is o.a. afhankelijk van de aard van de geschonken goederen (aandelen van een vennootschap of een effectenportefeuille), van het feit of u een “overbodig” deel van uw roerend vermogen wegschenkt, de investeringspolitiek (dynamische portefeuille of kapitalisatiestukken) en last but not least : natuurlijk uw behoefte aan een vast inkomen.

Zou u opteren voor een voorbehoud van vruchtgebruik, weet dan dat dit onmogelijk aan een bankgift gekoppeld kan worden, gelet op het feit dat de bankgift gekenmerkt wordt door de materiële overdracht van de geschonken goederen.

Daarnaast moeten de inwoners van het Vlaamse Gewest tevens rekening houden met het –omstreden- standpunt dat VLABEL in april van dit jaar innam (inwerkingtreding 01.06.2016) : een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik waarover geen Vlaamse schenkbelasting werd betaald, zal de Vlaamse Administratie voortaan naast zich neerleggen, ook indien de fameuze 3-jaarstermijn is verstreken.

Vermits u als vruchtgebruiker bovendien enkel recht heeft op de inkomsten (dividenden en interesten) zal deze techniek weinig nut hebben indien de portefeuille vooral is samengesteld uit kapitalisatiefondsen.

Indien men opteert voor een last van lijfrente, kan men deze ook optioneel makenzodat er niet onnodig inkomsten uti het geschonken vermogen worden overgeheveld naar het –nog niet geplande- privé-vermogen van de schenkers.

Het behoud van controle en de bescherming van het familiekapitaal wordt op verschillende wijzen gegarandeerd alnaargelang de schenking gebeurde met voorbehoud van vruchtgebruik of onder last van een rente.

Indien de schenking gebeurde met voorbehoud van vruchtgebruik, zal de begiftigde (= blote eigenaar) niet vrij over de goederen kunnen beschikken zolang de schenker (= vruchtgebruiker) in leven is.

Bij een schenking onder last van een lijfrente –welke betrekking heeft op de volle eigendom van de goederen- wordt het behoud van kapitaal vaak verzekerd door de inpandgeving van de portefeuille –waardoor tevens de betaling van de lijfrente wordt gegarandeerd.

Zoals u ziet, zijn er tal van mogelijkheden om ervoor te zorgen dat uw roerend vermogen optimaal wordt overgedragen naar de volgende generatie. Bij de keuze van de planningstechniek zal men evenwel steeds rekening dienen te houden met drie paratmeters : de persoonlijke situatie van de schenker, de samenstelling van diens vermogen én zijn doelstellingen.

_________________________

Welke voordelen heeft het aanhouden van een onroerend goed in een patrimoniumvennootschap?

11/7/2016

De oprichting van een patrimoniumvennootschap kan interessant zijn voor diegenen die op lange termijn een onroerend vermogen willen opbouwen dat bestemd is voor beroepsmatige verhuur. De vennootschapsbelasting laat immers de aftrek toe van kosten die in de personenbelasting niet zouden kunnen worden afgetrokken.

Ook voor de aankoop van oude gebouwen met het oog op renovatie biedt de patrimoniumvennootschap interessante perspectieven. In dat geval zullen de renovatie-uitgaven het voorwerp zijn van afschrijvingen, net als de aankoopkosten, in tegenstelling tot het regime inzake personenbelasting.

Wel zal men rekening moeten houden met de problematiek van de meerwaarden, die belastbaar zijn in hoofde van een vennootschap, terwijl ze in principe aan belastingheffing kunnen ontsnappen in hoofde van een natuurlijke persoon.

Het BTW-aspect aangaande nieuwbouw mag eveneens niet worden vergeten. Dit kan een bijkomende kost inhouden.

Tot slot, via een patrimoniumvennootschap kunnen onroerende goederen roerend worden gemaakt, waardoor zij tegen een voordelig tarief aan de volgende generatie kunnen worden overgedragen.

Hoe vastgoed uit uw patrimoniumvennootschap uitbrengen?

  • Verkoop van het onroerend goed aan de aandeelhouder

De meest eenvoudige oplossing is een gewone verkoop.

  • Vereffening en ontbinding van de patrimoniumvennootschap

Een andere oplossing is de patrimoniumvennootschap vereffenen en ontbinden. Na aanzuivering van alle schulden (en eventuele verliezen) zal er een liquidatiebonus worden toegekend aan de vennoten, in verhouding tot hun aandelenbezit. Zitten er in de liquidatiebonus onroerende goederen, dan komen deze zo tot de privépersoon.

  • Kapitaalvermindering “in natura”

Vaak is het niet de bedoeling om de patrimoniumvennootschap te vereffenen, maar verkiest men eerder om er één welbepaald onroerend goed uit te halen en voor het overige de vennootschap verder te laten bestaan. De kapitaalvermindering moet niet noodzakelijk liquiditeiten tot voorwerp hebben. Zij kan ook onroerende goederen tot voorwerp hebben die “in natura” aanwezig zijn in de vennootschap. Door deze kapitaalvermindering “in natura” worden de onroerende goederen toebedeeld aan de aandeelhouder/privépersoon.

Welke zijn de registratierechten zijn verschuldigd in geval van overheveling van een onroerend goed vanuit de vennootschap naar het privé-vermogen ?

Ongeacht de vennootschapsvorm en los van op welke wijze men het onroerend goed aan de vennootschap onttrekt, de uitbreng zal in principe onderworpen worden aan het kooprecht. Naargelang van de ligging van het onroerend goed bedraagt dit recht 10%, 12,5% of 15%.

In geval van een BVBA[1] of een VOF[2] kan de uitbreng aanzienlijk minder duur blijken. Het algemeen vast recht van 50 euro zal worden geheven wanneer de overdracht van het onroerend goed gebeurt aan alle vennoten in verhouding tot hun aandelenbezit. In dat geval wordt de verdeling van het onroerend goed tussen de vennoten uitgesteld en pas op het ogenblik van de daadwerkelijke verdeling van het desbetreffende goed zal er worden uitgemaakt of de verkrijging door één of meerdere van de vennoten tegen het kooprecht zal worden belast (algemene regel) of de vennoten zich op het verdelingsrecht kunnen beroepen (uitzondering).

De toepassing van het verdelingsrecht[3] voor de uitbreng van het onroerend goed uit de vennootschap gebeurt in twee verschillende gevallen:

  • De ontvangende aandeelhouder moet het onroerend goed dat men uitbrengt, destijds zelf hebben ingebracht in de vennootschap.
  • De verkrijger van het onroerend goed moet aantonen dat hij vennoot was in de vennootschap en dat deze laatstgenoemde het uit te brengen onroerend goed destijds heeft aangekocht met betaling van de registratierechten op deze aankoop.

Er bestaat een bijzonder geval: de eenpersoons–BVBA. In geval van uitbreng van een onroerend goed uit een eenpersoons–BVBA aan de enige vennoot van die eenpersoons–BVBA, zal de uitbreng gebeuren tegen betaling van het algemeen vast recht van 50 euro.

In het kader van een vermogensplanning is het opportuun om een beperkte participatie te behouden en sommige aandelen aan de erfgenamen te laten toekomen via de nalatenschap, teneinde te kunnen genieten van het verdelingsrecht ingeval het/de onroerend(e) goed(eren) uit de vennootschap dient/dienen te worden uitgebracht.

Lees ook: corner overdracht

[1] Besloten Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid

[2] Vennootschap Onder Firma

[3] Naargelang van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, bedraagt dit recht 1% of 2,5%

_________________________

Vastgoed aankopen in Spanje – Waar rekening mee te houden?

14/6/2016

Of u nu een villa wenst aan te kopen in Marbella of reeds eigenaar bent van een appartement in Barcelona met uitzicht over de bruisende Ramblas, dit artikel zal u vast en zeker interesseren.

Spanje: een hebzuchtige fiscus?

We onderscheiden verschillende taxatie-stadia: bij aankoop van het vastgoed, tijdens het aanhouden van het vastgoed en bij verkoop of bij overgang door uw overlijden.

Bij de aankoop van uw Spaans vastgoed dient u een overdrachtsbelasting (6% – 10%, afhankelijk van de regio) te betalen, berekend over de verkoopwaarde van de woning. In geval van nieuwbouw, bent u BTW verschuldigd à 21%. Hierbij komen uiteraard nog o.a. notariskosten en zegelrechten bij variërend tussen 1,9% en 3,2%.

Eens het optrekje op uw naam staat, bent u Spaanse vermogensbelasting verschuldigd over de netto-waarde (i.e. na aftrek van een eventueel krediet voor de aankoop) van het goed. De vermogensbelasting is verschuldigd door de volle eigenaar, of, in geval van opsplitsing van de eigendom, door de blote eigenaar en vruchtgebruiker. De progressieve tarieven zijn regionaal bepaald en variëren tussen 0 – 2,5%. Per belastbaar hoofd geldt een vrijstelling van 700.000 Euro.

Verder betaalt u elk jaar een gemeentelijke vastgoedbelasting, berekend in functie van o.a. de “valore catastral”, het gebruik en ligging van het goed.

Spanje verwacht ook dat u jaarlijks een aangifte inkomstenbelasting indient én Spaanse inkomstenbelasting betaalt. Men onderscheidt privé- en ander gebruik. In geval van privé-gebruik wordt een fictief inkomen bepaald op 2% of 1,1% van de “valore catastrale”. Genereert uw villa netto-huurinkomsten, dan zullen deze eveneens onderworpen zijn aan inkomstenbelasting aan een tarief van 19%.

Bij verkoop van uw Spaanse villa wordt een eventuele meerwaarde (het verschil tussen verkoop- en aankoopwaarde) belast in de Spaanse inkomstenbelasting. Correcties zijn wel mogelijk voor de kosten verbonden aan de aan- en verkoop.

Bij een verkoop door een niet-rijksinwoner is de koper verplicht om 3% van de verkoopprijs in te houden, bij wijze van voorschot op de door u te betalen meerwaardebelasting. De effectief verschuldigde meerwaardebelasting wordt dan verminderd met het voorschot.

Over de meerwaarde van de grond zal ook een gemeentelijke belasting verschuldigd zijn, i.f.v. het kadastraal inkomen.

Bij uw overlijden zal Spanje successierechten heffen over de netto-waarde van het Spaans vastgoed. Uw erfgenamen hebben de keuze over het toepasselijk recht: ofwel kiest men de federale ofwel de regionale successiewetgeving.

Met slechts een vrijstelling van €16 000 per erfgenaam en tarieven variërend tussen 7,65% – 34% is de federale wetgeving een dure aangelegenheid. De Autonome Regio’s daarentegen voorzien vaak hogere vrijstellingen en/of lagere tarieven en/of belastingkredieten.

Ook belast in België?

In België moet men een jaarlijks aangifte doen van buitenlandse “huurinkomsten”. Op basis van het dubbelbelastingverdrag tussen België en Spanje, worden deze inkomsten vrijgesteld in België maar met progressievoorbehoud (het zogenaamde “opduweffect”).

De Spaanse meerwaarden zijn op grond van hogervermeld verdrag enkel belastbaar in Spanje, zodat er geen Belgische meerwaardebelasting verschuldigd is.

Bij gebrek aan een dubbelbelastingverdrag voor successierechten, zijn in Spanje én België successierechten verschuldigd over de netto-waarde van uw Spaanse droom. Er zijn echter interne Belgische regels die een verrekening van de in Spanje betaalde successierechten mogelijk maken.

Mogelijkheden ter optimalisatie

Verschillende pistes zijn mogelijk : aankoop via een Belgische of Spaanse vennootschap, financiering van de koop met een krediet of een gesplitste aankoop waarbij u het vruchtgebruik aankoopt en uw kinderen de blote eigendom, schenking van de Spaanse finca,…

Iedere actie in Spanje heeft gevolgen in België en de Spaanse (regionale) wetgeving verschilt op vele vlakken van de Belgische. Het raadplegen van een specialist terzake is dan ook een must.

__________________________________

Welke zijn de gevolgen van een investering in Frans vastgoed ?

31/5/2016

Gesteund door het aloude gezegd “leven als God in Frankrijk” blijft Frankrijk een onmiskenbare aantrekkingskracht uitoefenen. Alvorens u een aankoop van vastgoed ambieert is het echter noodzakelijk op de hoogte te zijn van enkele fiscale zaken.

In de greep van de Franse fiscus

We onderscheiden verschillende belastbare ogenblikken : bij aankoop en aanhouden van het vastgoed maar ook bij de overdracht ingevolge verkoop of schenking /overlijden.

Bij de aankoop van een bestaande woning in Frankrijk bent u als koper ‘droits de mutation’ verschuldigd over de verkoopwaarde, deze registratierechten bedragen in principe 5,8%. Voor de aankoop van een nieuwbouw woning geldt een BTW tarief van 20%.

Bedraagt de netto-waarde van uw Franse stulpje meer dan 1.300.000 EUR dan zal u jaarlijks onderworpen worden aan de Franse vermogensbelasting, “Impôt sur la Fortune” (tarieven variërend tussen 0,5% en 1,5%). Aangezien de belastbare grondslag gelijk is aan de netto-waarde van de woning, kan het aangaan van een krediet in bepaalde situaties soelaas bieden.

Vervolgens dient men rekening te houden met een aantal lokale belastingen zoals o.a. de ‘taxe foncière’ en de ‘taxe d’habitation’, berekend op basis van de kadastrale of huurwaarde van het pand.

Verhuurt u uw vastgoed, dan zijn de netto-huurinkomsten onderworpen aan de Franse inkomstenbelasting. Voor niet-rijksinwoners is dit in principe aan het minimumtarief van 20%.

Bij verkoop van het vastgoed wordt een eventuele meerwaarde belast in de Franse inkomstenbelasting. De meerwaarde wordt berekend door de gecorrigeerde aankoopprijs (verhoging initiële aankoopprijs met 7,5% of 15%) in mindering te brengen van de verkoopprijs.

De aldus verkregen meerwaarde zal vervolgens verminderd worden met een bepaald percentage in functie van het aantal jaar dat u eigenaar was (6% voor ieder jaar tussen het 6e en 21e jaar; 4% voor het 22e jaar). De meerwaarde is onderworpen aan een tarief van 19% én aan een surtaxe van 2% tot 6% indien zij meer bedraagt dan 50.000 Euro. De meerwaarde is vrijgesteld van inkomstenbelasting als u meer dan 22 jaar eigenaar was.

Bovendien worden deze onroerende inkomsten sinds 01.01.2016 opnieuw in de sociale zekerheid belast, de zogenaamde “prélèvements sociaux” à rato van 15,5%. Pas wanneer u 30 jaar eigenaar was geniet men hier een vrijstelling.

Bij uw overlijden als niet-rijksinwoner zal Frankrijk successierechten heffen over de netto-waarde van de Franse woning. De tarieven kunnen weliswaar hoog oplopen maar tussen echtgenoten zijn er geen successierechten verschuldigd en ook kinderen genieten een vrijstelling van 100.000 Eur.

Hoe zit het in België?

Helaas eindigt het fiscale verhaal niet hier want België heft belastingen over uw wereldwijd vermogen en inkomen, respectievelijk uw Franse woonst en inkomsten. Frankrijk en België sloten echter een dubbelbelastingverdrag af om een dubbele belasting van eenzelfde inkomen te vermijden.

Ingevolge dit verdrag krijgt Frankrijk de heffingsbevoegdheid voor onroerende meerwaarden én stelt België het Franse huurinkomen vrij met progressievoorbehoud. Concreet wordt dit huurinkomen dus wel gebruikt om uw toepasselijk tarief te bepalen in de personenbelasting maar wordt het niet effectief hieraan onderworpen.

Wat de Belgische successierechten betreft, zullen de tarieven afhankelijk zijn van het Gewest waar u ten tijde van uw overlijden woonachtig bent. België staat evenwel een verrekening toe van de reeds betaalde Franse successierechten.

Wordt uw droomhuis uw nachtmerrie?

Investeren in Frans vastgoed vergt dus een goed doordachte beslissing. Er bestaan echter mogelijkheden tot optimalisatie, zo kan men opteren voor een gesplitste aankoop of kan de Franse woning aan de kinderen worden geschonken (met voorbehoud van vruchtgebruik).

Iedere actie in Frankrijk heeft gevolgen in België en de Franse wetgeving verschilt op vele vlakken van de Belgische.

 ____________________________________________

Een fiscaal geoptimaliseerde overdracht van de gezinswoning

29/3/2016

Vanuit de bekommernis om de langstlevende echtgenoot of partner te beschermen, heeft elk gewest een specifieke maatregel aangenomen die beoogt om de successierechten op de gezinswoning[1] te beperken of zelfs om een vrijstelling van successierechten op de gezinswoning in te voeren.

Hoe zit het concreet? Is het mogelijk om deze situatie te optimaliseren in het kader van een successieplanning?

Ter herinnering, de toepasselijke successierechten hangen af van het gewest waarin de erflater gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden het langst zijn gewone verblijfplaats had.

  1. Wat zijn de specifieke modaliteiten van elk gewest?
    1. Vlaams Gewest

Vlaanderen stelt het aandeel in de gezinswoning dat de « samenwonende partner » ontvangt, volledig vrij van successierechten.

Het begrip « samenwonende partner » is tamelijk ruim. Het beoogt zowel echtgenoten als wettelijk samenwonenden, tenzij deze laatstgenoemden erfgenamen in rechte lijn zijn (bv. een wettelijke samenwoning tussen een vader en zijn dochter).

Het beoogt eveneens feitelijk samenwonenden, op voorwaarde echter dat de personen op het ogenblik van het overlijden gedurende drie jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Indien de feitelijke samenwoning minder dan 3 jaar duurde, zal het erfdeel van de langstlevende worden belast volgens de tarieven in rechte lijn.

De vrijstelling van successierechten heeft betrekking op het nettoaandeel dat de langstlevende in de gezinswoning ontvangt. Dit betekent dat de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden – zoals een hypothecaire lening –, worden afgetrokken van het deel dat de gezinswoning betreft.

In hoofde van de andere erfgenamen die worden geroepen om een aandeel in de gezinswoning te verkrijgen, wordt dit deel belast tegen de gewone tarieven, die worden bepaald naargelang van de band van verwantschap met de erflater.

  1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Een totale vrijstelling van successierechten op de gezinswoning wordt toegepast ten gunste van de rechthebbende echtgenoot of samenwonende in Brussel.

Dit toepassingsgebied is beperkter dan dat toepasselijk in het Vlaamse Gewest, want naast de echtgenoten worden enkel de wettelijk samenwonenden hier beoogd. De feitelijk samenwonenden zijn uitgesloten van het voordeel van deze maatregel. Indien de langstlevende feitelijk samenwonende een aandeel in de gezinswoning bij testament ontvangt, wordt dit belast tegen de progressieve successietarieven, berekend op basis van de band van verwantschap.

Wat de wettelijk samenwonenden betreft, wordt de vrijstelling van successierechten niet toegepast indien de langstlevende eveneens erfgenaam in rechte lijn is.

De Brusselse wetgeving laat ook toe om de vrijstelling toe te passen op een goed dat niet meer de gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats is omwille van een geval van overmacht[2] (bv. een opname in een rusthuis) of een feitelijke scheiding.

Net zoals in het Vlaamse Gewest heeft de vrijstelling betrekking op de waarde van de gezinswoning, verminderd met de eraan verbonden schulden (zoals een hypothecair krediet).

Voor de erfgenamen in rechte lijn en de wettelijk samenwonenden die niet van de vrijstelling kunnen genieten, wordt er een specifiek belastingtarief toegepast op het ontvangen nettoaandeel in de gezinswoning. De successierechten worden berekend als volgt:

par défaut 2016-03-15 à 17.32.19

  1. Waals Gewest

In het Waalse Gewest geldt in hoofde van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende een vrijstelling van successierechten op de nettowaarde van de gezinswoning ten bedrage van 160.000 euro, voor zover het goed gedurende de vijf jaar vóór het overlijden ononderbroken bewoond werd.

De vrijstelling blijft behouden, zelfs indien de erflater zijn hoofdverblijfplaats niet heeft kunnen handhaven wegens overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. Het gaat om een soortgelijke bepaling als de maatregel die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toepasselijk is.

Dit vrijstellingsregime is van toepassing op de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende, zonder andere uitzondering.

Voor het aandeel in de gezinswoning tussen 160.000 en 250.000 euro zijn er verlaagde belastingtarieven voorzien. Op het surplus zijn de gewone progressieve tarieven van toepassing.

In tegenstelling tot in de twee andere gewesten zien de erfgenamen in rechte lijn van de gezinswoning hun erfdeel in de gezinswoning onderworpen aan verlaagde successietarieven, zoals hieronder vermeld:

par défaut 2016-03-15 à 17.32.36

  1. Hoe de overdracht van de gezinswoning optimaliseren?

De geldende wettelijke bepalingen maken het mogelijk om een fiscale optimalisering van de overdracht van de gezinswoning tussen echtgenoten/partners toe te passen.

De zoektocht naar een optimale oplossing veronderstelt dat de samenwonende van de bovenvermelde bepalingen kan genieten of, bij gebrek hieraan, de nodige maatregelen kan treffen (bv. door het sluiten van een contract van wettelijke samenwoning).

Soms is het eveneens aanbevolen om een testament te laten opmaken dat de langstlevende toelaat om (een deel ten bedrage van 160.000 euro of) de totaliteit van het goed te verkrijgen bij het overlijden van de eerststervende. Deze maatregel moet echter onmiddellijk vergezeld gaan van een andere bepaling teneinde te vermijden dat de volgende generatie successierechten verschuldigd is op de totaliteit van het onroerend goed in volle eigendom.

In deze context kan het nuttig zijn om een testament « fideïcommis de residuo » ten gunste van de kinderen op te stellen. Dit beding kent in eerste instantie de volle eigendom van het aandeel van de eerststervende in de gezinswoning toe aan de langstlevende (die dus geen successierechten betaalt) en kent bij het overlijden van de langstlevende datzelfde deel toe aan de kinderen. Dankzij deze techniek zullen de kinderen in fine de gezinswoning erven, maar gedeeltelijk van de eerststervende krachtens het testament en gedeeltelijk van de langstlevende ingevolge de vererving van zijn goederen. Hierdoor wordt de fiscale druk bij het tweede overlijden verlaagd.

In geval van een legaat van een deel (bv. ter waarde van 160.000 euro) aan de langstlevende en van de rest aan de kinderen zou er een onverdeeldheid tussen de partijen worden gecreëerd. De langstlevende en de kinderen zouden kunnen beslissen om uit onverdeeldheid te treden. Deze operatie is onderworpen aan het verdeelrecht van 2,5% (in het Vlaamse Gewest) of 1% (in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest) in plaats van aan het verkooprecht van 10% (in het Vlaamse Gewest) of 12,5% (in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest). De echtgenoot of samenwonende die een verkoopsom ontvangen heeft, heeft er belang bij om maatregelen te nemen teneinde de successierechten bij zijn overlijden te verlagen.

Ter conclusie: het is raadzaam om maatregelen te treffen teneinde ervoor te zorgen dat uw gezinswoning tegen een verlaagde fiscale kost wordt overgedragen, waarbij de langstlevende echtgenoot/partner beschermd wordt.

[1] Onder « gezinswoning » dient te worden verstaan, de gemeenschappelijke woonplaats van de erflater en de echtgenoot/wettelijk samenwonende (of feitelijk samenwonende in Vlaanderen). Het gaat in beginsel om de plaats waar deze twee personen « gewoonlijk » een gemeenschappelijke huishouding voerden op het ogenblik van het overlijden (een inschrijving in het bevolkingsregister kan als aanwijzing dienen). Het feit dat de echtgenoot/wettelijk samenwonende (of feitelijk samenwonende in Vlaanderen) eveneens mede-eigenaar van het onroerend goed is, heeft geen gevolg. De gezinswoning moet echter « privé » worden aangehouden, waardoor gezinswoningen in het bezit van patrimoniumvennootschappen uitgesloten zijn.

[2] De Brusselse ordonnantie definieert overmacht als « een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater of de overlevende echtgenoot of samenwonende in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn »

_____________________________________________

Hervorming van de schenkingsrechten op onroerende goederen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

24/2/2016

Net zoals het Vlaamse Gewest in juli 2015, heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest besloten om zijn wetgeving inzake schenkingsrechten op onroerende goederen te hervormen. De hervorming, die op 1 januari 2016 van kracht geworden is, ligt in de lijn van die welke in Vlaanderen werd doorgevoerd.

Enerzijds, werden de schenkingstarieven op basis van de bestaande band van verwantschap tussen de schenker en de begiftigde beperkt tot twee en, anderzijds, werden de toepasselijke tarieven en schijven herzien.

Eind 2015 heeft het Waalse Gewest eveneens zijn fiscaliteit inzake schenkingen van onroerende goederen gewijzigd. Dit kwam in ons artikel van 9 december 2015 aan bod.

Ter herinnering, de fiscale woonplaats van de schenker bepaalt de toepasselijke gewestelijke wetgeving voor de schenking van een onroerend goed.

Hieronder vindt u de nieuwe tarieven die sinds 1 januari 2016 in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toepasselijk zijn:

              In rechte lijn en tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden

Tarief van toepassing tot 31/12/2015 Tarief van toepassing vanaf 1/1/2016
Van € 0 tot € 50.000 3% Van € 0 tot € 150.000 3%
Van € 50.000 tot € 100.000 8%
Van € 100.000 tot € 175.000 9% Van € 150.000 tot € 250.000 9%
Van € 175.000 tot € 250.000 18%
Van € 250.000 tot € 500.000 24% Van € 250.000 tot € 450.000 18%
Boven € 500.000 30% Boven € 450.000 27%

Naar aanleiding van deze hervorming werd het specifieke regime betreffende de schenking van de gezinswoning afgeschaft.

 

               Tussen alle andere personen

Wat schenkingen aan andere personen betreft, heeft de Brusselse wetgever het bestaande onderscheid tussen broers en zussen, ooms, tantes, neven en nichten en derden geschrapt. Voortaan is er voor al deze personen één enkel tarief toepasselijk:

Tarief van toepassing vanaf 1/1/2016
Van € 0 tot € 150.000 10%
Van € 150.000 tot € 250.000 20%
Van € 250.000 tot € 450.000 30%
Boven € 450.000 40%

Deze hervorming opent perspectieven voor diegenen die een onroerend goed willen overdragen aan personen die een minder nauwe of zelfs geen band van verwantschap met de schenker hebben. Voorheen konden de verschuldigde schenkingsrechten oplopen tot 80%!

Teneinde de controle over de geschonken goederen bij leven te behouden, kan de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik worden gedaan. Deze modaliteit heeft echter geen impact op de berekening van de schenkingsrechten, die op de waarde van de volle eigendom van het geschonken goed worden becijferd.

Aangezien de tarieven van de successierechten niet werden gewijzigd, is de overdracht door schenking interessant in het kader van een vermogensplanning.

Bovendien werd op successievlak de « regel van de drie jaar » afgeschaft, volgens dewelke de waarde van de geschonken goederen binnen de drie jaar vóór het overlijden in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de successierechten. De afschaffing geldt enkel voor schenkingen van onroerende goederen na 1 januari 2016.

Deze wijziging, die eigen is aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, biedt de mogelijkheid om schenkingen van onroerende goederen te doen aan het einde van zijn leven. Een last-minute successieplanning kan worden beoogd om het bedrag van de successierechten te verlagen.

Dit mag echter niet worden verward met opeenvolgende schenkingen: het is nog altijd noodzakelijk om een termijn van drie jaar tussen twee schenkingen te laten verstrijken om te vermijden dat de op de tweede schenking verschuldigde schenkingsrechten berekend worden door de waarde van de goederen van de eerste schenking in aanmerking te nemen.

_____________________________________________

De nieuwe regeling inzake onbekwaamheid

20/1/2016

De wet van 17 maart 2013 zorgt voor een aanzienlijke hervorming en vereenvoudiging van de onbekwaamheidsregeling, aangezien de verschillende wettelijke beschermingsregelingen voor meerderjarige onbekwamen (verlengde minderjarigheid, voorlopige bewindvoering, onbekwaamverklaring, …) voortaan worden gegroepeerd onder één enkele regeling, i.e. die van de bewindvoering. Bekwame meerderjarigen kunnen eveneens genieten van een (buitengerechtelijke) bescherming.

De hervorming focust op twee pijlers: de buitengerechtelijke beschermingsregeling en de gerechtelijke beschermingsregeling.

1/ De buitengerechtelijke beschermingsregeling

Om van deze regeling te kunnen genieten, moet men meerderjarig zijn, bekwaam zijn om zijn wil uit te drukken en niet onderworpen zijn aan een gerechtelijke beschermingsmaatregel (zie punt 2).

Via deze regeling organiseert de kwetsbare persoon zelf zijn bescherming op basis van een mandaat ten gunste van een persoon naar keuze. Het mandaat heeft enkel betrekking op de goederen van de beschermde persoon (en niet op de persoonlijke daden).

Het mandaat heeft ofwel een onmiddellijke (wanneer de lastgever nog bekwaam is), ofwel een uitgestelde toepassing (wanneer de lastgever onbekwaam zal zijn).

Het mandaat wordt geregistreerd in het centraal register van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.

De voordelen van het buitengerechtelijke mandaat zijn dat het een beheer « op maat » biedt en eenvoudig is. Het heeft echter ook nadelen: de bescherming is slechts relatief (de kwetsbare persoon blijft juridisch bekwaam) en er is geen controle van de gevolmachtigde op de door de beschermde persoon gestelde daden (behalve indien deze controle geregeld is in de mandaatovereenkomst).

2/ De gerechtelijke beschermingsregeling

Deze regeling beoogt dus elke meerderjarige die om gezondheidsredenen onbekwaam is (al was het maar gedeeltelijk of tijdelijk) om het beheer van zijn goederen en/of van zijn persoon zelf te verzekeren, zonder bijstand of bescherming.

De bijstandsmaatregelen zijn bestemd voor elke persoon die bekwaam is om zelf handelingen betreffende zijn persoon en/of zijn goederen te stellen, maar niet op autonome wijze. De rol van de bewindvoerder bestaat er dus in om voor deze of gene handeling zijn goedkeuring te geven of te weigeren om deze te geven.

De beschermingsmaatregelen zijn bestemd voor elke persoon die onbekwaam is om deze verschillende handelingen zelf te stellen. In dat geval stelt de bewindvoerder de handelingen zelf voor rekening van de beschermde persoon, soms met voorafgaande toestemming van de vrederechter (vervreemding van een goed, aankoop van een onroerend goed, aanvaarding van een schenking, …). Er is echter geen voorafgaande toestemming vereist voor elke opname of overschrijving van sommen van een rekening op naam van de beschermde persoon indien het bedrag gepreciseerd wordt in de beschikking van de vrederechter.

De benoeming van de bewindvoerder en de controle ervan gebeuren door de vrederechter. We merken op dat een private stichting als bewindvoerder kan worden aangesteld.

De vrederechter wijst voor de beschermde persoon eveneens een vertrouwenspersoon aan, die als contactpersoon ten aanzien van de bewindvoerder en de vrederechter functioneert. De vertrouwenspersoon mag in geen geval een rechtspersoon (bv. een private stichting) zijn.

Tot slot bepaalt de wet van 17 maart 2013 dat elke bekwame persoon die vreest hij later zijn bekwaamheid zal verliezen, een verklaring van voorkeur kan neerleggen waarin hij de gewenste vertrouwenspersoon en/of bewindvoerder aanduidt ingeval er in de toekomst een gerechtelijke maatregel dient te worden uitgesproken.

Evenzo kan elke persoon die zijn gezondheidstoestand naar onbekwaamheid voelt evolueren, een verzoek tot aanwijzing van een bewindvoerder indienen bij de vrederechter van zijn verblijfplaats.

Conclusie: Deze nieuwe wetgeving zorgt voor een aanzienlijke vereenvoudiging van de onbekwaamheidsregeling en biedt een werkelijke bescherming dankzij de vermeerdering van de tussenkomende partijen.

_________________________

Wijziging van de schenkingsrechten op onroerende goederen in het Waalse Gewest

10 december 2015

Net zoals het Brusselse Gewest, bereidt het Waalse Gewest een ontwerpdecreet voor tot wijziging van de schenkingsrechten op onroerende goederen.

Het Waalse Gewest volgt de trend die werd ingezet door het Vlaamse Gewest dat de schenkingsrechten op onroerende goederen drastisch heeft verlaagd.

De nieuwe schenkingsrechten op onroerende goederen zouden als volgt zijn:

par défaut 2015-12-10 à 08.04.21par défaut 2015-12-10 à 08.04.56De daling van de rechten is proportioneel belangrijker voor de schijven met betrekking tot schenkingen die niet in directe lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden, worden uitgevoerd.

De onroerende goederen waarop deze nieuwe rechten slaan, kunnen zich overal in het land bevinden; de toepassing van die nieuwe rechten zal, zoals nu, blijven afhangen van de aanwezigheid van de domicilie van de schenker in het Waalse Gewest.

De berekening van de schenkingsrechten blijft dezelfde; ze wordt vastgesteld per schenker en per begiftigde.

Deze nieuwe schenkingsrechten zijn echter minder interessant dan deze van toepassing in Vlaanderen (van toepassing sinds 1 juli 2015).

De wijziging heeft geen invloed op de termijn van drie jaar inzake progressievoorbehoud. De schenking die wordt uitgevoerd binnen de drie jaar door dezelfde schenker zal in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het tarief van toepassing op een schenking die wordt toegekend minder dan drie jaar na de eerste. Dit project voert ook geen afwijking in op de overlevingstermijn van drie jaar. Als de schenker overlijdt binnen drie jaar na de schenking, zal ook het progressievoorbehoud inzake successierechten een rol spelen.

Deze nieuwe tarieven zouden van toepassing zijn vanaf 1 januari 2016. Daarom wordt aangeraden de geplande schenkingen uit te stellen.

De gewestelijke overheden hebben ingezien dat door een substantiële vermindering van de schenkingsrechten (in dit geval op onroerende goederen), de kandidaat-schenkers minder zullen twijfelen om hun goederen over te dragen, eerder dan om de drie jaar opeenvolgende schenkingen te doen tegen verminderd tarief, het goed te verkopen, of zelfs de overdracht van het onroerend goed uit te stellen bij de openstelling van de erfopvolging. De impact kan enkel voordelen hebben voor de regionale fiscale ontvangsten.

Laisser un commentaire

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *