Duurzame beleggingen

Deze corner is online door Bank/Banque Degroof Petercam NV/SA geplaatst en geïnspireerd.

Elke graad warmer maakt de Amerikaan armer

20/10/2017

Het is zonde dat de VS uit het klimaatakkoord van Parijs zijn gestapt. Niet alleen voor het klimaat, ook voor de Amerikaanse economie.

De Amerikaanse economie is de dupe van de afspraken om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden, betoogde de Amerikaanse president Donald Trump eerder dit jaar. Hij trok zijn land prompt terug uit het klimaatakkoord van Parijs. Op korte termijn zal dat wel een positieve impact hebben op de economische groei, maar op langere termijn is het onmiskenbaar negatief. Onlangs nog voorspelde Science[1] dat bij elke graad dat de aarde opwarmt, er een economische kostprijs is van 1,2 procent van het Amerikaans bruto binnenlands product.

Staten zoals Californië, New York en Iowa hebben het zwaar te verduren onder de klimaatverandering en hebben daarom al verregaand hun productiemethodes voor energie aangepast. Een radicale ommezwaai is voor hen uit den boze. De economische sectoren worden vandaag gestuurd door technologische vooruitgang die gericht is op een grotere energie-efficiëntie en economische winsten, en niet door publieke toezeggingen door hun politieke leiders. Ook al kunnen we niet helemaal uitsluiten dat andere landen dezelfde weg zullen inslaan als de VS, toch is het risico eerder klein:

  1. door de onmiddellijke reacties van Europa en vooral China die zich positioneren als de aandrijvers om het klimaatakkoord van Parijs uit te voeren;
  2.  door de tijdsspanne van meerdere jaren die de uittreding met zich meebrengt.

De klimaatopwarming heeft ook grote humanitaire gevolgen voor de VS. Enkele jaren geleden verklaarde het Pentagon dat de klimaatverandering een gevaar betekende voor de nationale veiligheid. Een groot deel van de Amerikanen woont dicht bij de kust, en een massale volksverhuizing naar het binnenland door een stijging van de zeespiegel heeft enorme gevolgen voor de economie en de sociale structuren.

Het afwijzen van het klimaatakkoord is natuurlijk geen goede zaak, maar de realiteit is gelukkig iets hoopgevender dan de borstklopperij van Trump doet vermoeden. De meeste Amerikaanse staten volgen hem niet in hun regelgeving, en ook in de ondernemerswereld overheerst de realpolitik. Zo zijn er amper nieuwe langetermijninvesteringen in fossiele brandstoffen. Bedrijven beseffen dat toekomstige presidenten de beslissingen van Trump gewoon kunnen terugdraaien, en banken willen zulke investeringen daarom ook niet financieren.

De VS mogen dan wel een steek laten vallen, andere landen steken net een tandje bij. Zo nam China in zijn jongste vijfjaarplan de ambitie op om tegen 2020 uit te groeien tot de wereldwijde leider in milieu-innovatie. Het land neemt ook de plaats over van de VS op het vlak van leiderschap in hernieuwbare energie.

Industriële revolutie

De energietransitie is een enorme werf, die cruciaal is om de opwarming van de aarde in te perken. We maken sinds een paar jaar een industriële revolutie mee. En die maakt het nodig om met een heel nieuwe blik naar sectoren te kijken, en te kiezen voor bedrijven die werken aan de oplossingen van de toekomst. Naast de koolstofvoetafdruk van portefeuilles en allerhande rapportering over duurzaamheid, moeten beleggers vooral pragmatisch blijven bij de inschatting van risico’s en opportuniteiten. Wat wordt bijvoorbeeld het gevolg van de invoering van een vaste koolstofprijs op de concurrentiepositie van een bedrijf? Hoe groot zijn de risico’s van de zogenaamde “stranded assets”, dat zijn olie- en gasreserves die door klimaatmaatregelen nooit meer rendabel ontgonnen kunnen worden? Dat laatste geldt trouwens niet alleen voor bedrijven. Enkele van de grootste oliebedrijven zijn in handen van overheden, denk maar aan Venezuela of Saudi-Arabië.

De transitie naar een duurzame economie is een titanenwerk, dat wereldwijd enorm veel banen creëert. ‘Er zijn immense infrastructuurinvesteringen en financieringen voor nodig. Beleggers in alternatieve energie, of het nu gaat om infrastructuur of nieuwe producten en diensten, helpen die broodnodige omwenteling niet alleen vooruit, maar profiteren tegelijk van hun potentieel.

[1] http://science.sciencemag.org/content/356/6345/1362

_____________________________________________

De rol van de toezichthouder in duurzame beleggingen: een verkeerd debat?

27/7/2017

We hoeven ons niet te herhalen : de wereld van de duurzame en verantwoorde beleggingen vereist dat er Europese normen zijn en dat de concepten en definities geharmoniseerd worden, met het oog op een betere transparantie. De doelstelling is vooral om de eindconsument inzicht te geven in zijn keuze, en om hem een vergelijking te helpen maken. Want uiteindelijk moeten we niet wachten tot er een label wordt gecreëerd om ons bewuster te maken van de transparantie van deze producten.

Welke rol heeft de toezichthouder in dit alles? Twee vaststellingen kunnen we alvast maken:

  1. Enerzijds is de Europese toezichthouder steeds meer betrokken in allerhande debatten. Hij moet een moeilijke evenwichtsoefening maken tussen de nood aan meer standaardisatie en harmonisering en de regelgeving, die de administratieve lasten steeds verzwaart en de reporting waarmee wij allemaal, zowel beleggers als ondernemingen, te maken hebben vandaag in het kader van de ‘transparantie’. De rol van de Europese autoriteiten wordt steeds groter. Het jongste wapenfeit is dat de Europese Commissie een High-Level Expert Group in het leven heeft geroepen die zich bezighoudt met duurzame financiën. In haar tussentijds verslag wordt uitgelegd dat duurzame financiën de reële economie moeten financieren. Zij heeft dus als taak om de behoeften op het vlak van regelgeving te vertalen in aanbevelingen. Op die manier kan de financiële wereld haar rol spelen in de economie van morgen. Vooral inzake transparantie en publicatie, aangezien duurzame ontwikkeling een volwaardig onderdeel wordt van de fiduciaire verantwoordelijkheid van institutionele beleggers. Op die manier zal de financiële wereld zijn rol spelen in de bijdrage tot een lagekoolstofeconomie.
  2. Anderzijds blijft de OESO relevante studies en analyses publiceren over gemeenschappelijke thema’s zoals milieu, groene economie, enz. We vermelden met name de opmerkelijke vergelijking tussen ecologische belastingen en belastingen op arbeid.

Lagekoolstofeconomie: wanneer de belastingen op arbeid hoger zijn dan die op milieu

Het gaat hier om de vergelijking tussen de inkomsten van ecologische belastingen ten opzichte van belastingen op arbeid, als percentage van het bruto binnenlands product.

We zullen niet dieper ingaan op de werkelijke doeltreffendheid van een belasting, want de OESO doet dat regelmatig, en dat is niet het onderwerp van dit artikel.

De vraag is echter of we ons niet vergissen van debat wanneer we het hebben over de rol van de toezichthouder om de financiële wereld duurzamer te maken.

Het is eveneens interessant om eens stil te staan over het feit dat beleggers bedrijven uitsluiten die sterk betrokken zijn bij schadelijke stoffen om als duurzaam en verantwoord ‘bestempeld’ te worden, terwijl de tegenkanting van Nicolas Hublot om glyfosaat, een schadelijke stof, opnieuw in te voeren irritatie opwekt. Schadelijke stoffen uitsluiten, de rol van beleggers om een duurzamere wereld te krijgen; wanneer zullen subsidies voor diezelfde schadelijke stoffen worden afgeschaft om tot een duurzaam en coherent regelgevend kader te komen?

Wanneer de OESO-leden mogelijk activiteiten blijven ondersteunen die het milieu schaden

_____________________________________________

Earth Overshoot Day – steeds vroeger

Door Degroof Petercam

2/8/2017

Vanaf woensdag 2 augustus staan we bij onze planeet in het krijt. Dat betekent dat we op slechts acht maanden tijd alle natuurlijke hulpbronnen zullen hebben verbruikt die de Aarde op één jaar kan produceren.

De zogenaamde “Earth Overshoot Day” wordt sinds 1986 berekend. Het is de dag in het jaar vanaf wanneer de menselijke consumptie van ecologische hulpbronnen groter is dan wat onze planeet in dat jaar tijd produceert. De berekening gebeurt aan de hand van meer dan 6.000 gegevens die voor het grootste deel afkomstig zijn van de Verenigde Naties.

Steeds vroeger

Sinds de ngo Global Footprint Network in 1986 voor het eerst de berekening maakte, valt Earth Overshoot Day steeds vroeger op het jaar. We leven dus almaar meer op krediet ten opzichte van de planeet.

1986 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2017
1/11 13/10 7/10 25/9 29/8 14/8 9/8 2/8

Onze consumptiebehoefte wereldwijd is momenteel gelijk aan de hoeveelheid die 1,7 Aardes aan natuurlijke rijkdommen per jaar zouden produceren. Watertekort en woestijnvorming, bodemerosie, een afname van de biodiversiteit en steeds meer diersoorten die uitsterven: de nefaste gevolgen van dergelijke overconsumptie ondervinden we elke dag.

Move the date

Hoewel Earth Overshoot Day sinds 2005 aan een minder snel tempo opschuift en de mensen zich er steeds meer van bewust zijn dat onze natuurlijke hulpbronnen niet onuitputtelijk zijn, wil Global Footprint Network er met het initiatief #movethedate toe aanzetten om de datum op te schuiven. Maar om de Overshoot Day opnieuw later in het jaar te laten vallen zou het aantal inspanningen vervijfvoudigd moeten worden.

Vandaag is koolstofuitstoot verantwoordelijk voor 60% van de ecologische voetafdruk van een land. Door de totale uitstoot te halveren, zouden we maar liefst 89 dagen kunnen winnen en onze overconsumptie kunnen reduceren tot het equivalent van wat 1,2 Aardes zouden produceren. Dat is trouwens een doelstelling van het nagenoeg wereldwijd aanvaarde klimaatakkoord van Parijs van december 2015. Dat akkoord strijdt tegen de klimaatopwarming en blijft de steun genieten van tal van landen, bedrijven en partners, ondanks het feit dat de Verenigde Staten zich onlangs eruit hebben teruggetrokken.

Ranking van de OECD leden op basis van hernieuwbare energieproductie (exclusief waterkracht).

Energie en landbouw

Energie speelt uiteraard een belangrijke rol in het terugdringen van de koolstofuitstoot. De meeste landen investeren immers massaal in hernieuwbare energie om zelfvoorzienend te worden op het gebied van energie. Zo wordt 100% van de elektriciteit in Costa Rica al geproduceerd door hernieuwbare energiebronnen. En dichter bij huis hebben Portugal, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk investeringen gedaan om meer hernieuwbare energie te kunnen produceren.

De voedings- en landbouwsector draagt eveneens in belangrijke mate bij tot de ecologische voetafdruk van een land (28%). Door te kiezen voor voedingsproductieprocessen die de bodem en de natuurlijke hulpbronnen ontzien, energie-efficiënt zijn en de voedselverspilling verminderen, kan de Earth Overshoot Day ook aanzienlijk worden uitgesteld.

Belangrijke rol weggelegd voor beleggers

Terwijl bedrijven het verschil kunnen maken als ze hun productie- en consumptieprocessen op ecologische leest schoeien, is er ook voor beleggers een belangrijke rol weggelegd. Zij kunnen beslissen om hun centen te stoppen in bedrijven die op een bewuste en verantwoorde manier omspringen met het milieu. En die zich toeleggen op de ontwikkeling van oplossingen voor de problematiek, zoals betere technologieën voor energieopwekking of waterbehandeling. Of die zich inzetten voor een duurzamere en minder vervuilende landbouw. Door best practices en innovaties op het vlak van milieurendement te stimuleren, leveren de beleggers een wezenlijke bijdrage aan de overgang naar een koolstofarme economie en vergroten ze tegelijkertijd hun vermogen.

_____________________________________________

Klimaatakkoord van Parijs: Trump trekt zich terug achter zijn koolstofgordijn

21 Juni 2017

De beslissing van Donald Trump om uit het Klimaatakkoord van Parijs te stappen, is in de eerste plaats een symbolische ‘njet’. Ze doet eerder denken aan een politieke of zelfs psychologische beslissing dan aan een economisch of wetenschappelijk steekhoudende redenering.

Politieke beslissing

Door het van de daken te schreeuwen dat de Verenigde Staten het universele akkoord rond energietransitie verwerpen, richt Donald Trump zich in de eerste plaats tot zijn achterban, met name de blanke middenklasse die niet was gaan stemmen en zich in de steek gelaten voelt. Zij woont in de Amerikaanse staten die enorm zwaar werden getroffen door werkloosheid als gevolg van de sluiting van de steenkoolmijnen. Door een akkoord te verwerpen dat “de arbeiders forse schade toebrengt en de Amerikaanse economie in het gedrang breng”, bereidt Donald Trump zich voor op de tussentijdse verkiezingen. Hij wil het imago schetsen van een president die zijn woord houdt en zijn verkiezingsbeloften nakomt.

Geen verrassing

Hoewel de aankondiging een wereldwijde schokgolf veroorzaakte, was ze geen verrassing. Sinds hij president is, heeft Donald Trump alles ongedaan proberen te maken wat zijn voorganger op punt had gesteld. Dat gebeurde echter op een niet-duurzame wijze, want Barack Obama kon niet rekenen op een meerderheid binnen de Senaat en werkte voornamelijk via decreten. Zo hoefde hij niet via het Congres te gaan. Voor zijn opvolger is het dus vrij eenvoudig om de beslissingen van Obama langs dezelfde weg teniet te doen.

Nochtans een weinig ambitieus engagement

Het is in de eerste plaats een symbolische ‘njet’ van Donald Trump. Het engagement van de Verenigde Staten ten opzichte van het Klimaatakkoord van Parijs was immers weinig ambitieus. We herinneren eraan dat het Klimaatakkoord van Parijs op hun vraag in de eerste plaats bindend is voor degene die het ondertekend hebben. Zij moeten de koolstofuitstoot terugdringen en de krachten bundelen om elke vijf jaar de inspanningen verder te zetten. Sinds zijn inauguratie heeft Donald Trump het Klimaatakkoord van Parijs echter al de facto verworpen, door het Clean Power Plan naar de prullenbak te verwijzen. Hij heropende eveneens enkele steenkoolmijnen en blies het erg controversiële plan om de Keystone-pijplijn te bouwen nieuw leven in. Terwijl de doelstellingen die vooropgesteld waren niet erg ambitieus waren. De Verenigde Staten hebben zich immers geëngageerd om tegen 2030 hun uitstoot met 26 tot 28 % terug te dringen in vergelijking met het niveau van 2005. Hoewel de meeste landen, de Europese Unie voorop, 1990 als vergelijkingsbasis nemen, hebben de Verenigde Staten hun doelstellingen afgestemd op een later jaartal. Dat is uiteraard gunstiger en minder ambitieus. Om een vergelijking te maken die steek houdt, hebben de Verenigde Staten, die de tweede grootste uitstoter zijn van broeikasgassen en de belangrijkste economische wereldmacht die veel R&D en financiële en menselijke hulpbronnen hebben om de energietransitie te ontwikkelen, zich ertoe verbonden om de uitstoot met 10 % te verminderen. In de Europese Unie is dat 40 %. Het is bijgevolg moeilijk om de andere landen, die minder middelen hebben, ervan te overtuigen om evenveel inspanningen te leveren om de uitstoot te verlagen.

Make our planet great again

Nadat president Bush had aangekondigd dat hij het Kyotoprotocol niet zou ratificeren, overwogen meerdere landen om mee te doen, denken we maar aan Japan of Canada, dat zich vervolgens terugtrok. De aankondiging van Donald Trump veroorzaakte in de eerste plaats veel verontwaardiging. Het engagement van de wereldleiders en de private spelers werd zelfs nog sterker.

Frankrijk en zijn pas verkozen president behandelen deze zaak met fluwelen handschoenen. Het land positioneert zich als voortrekker op het vlak van milieu en ecologie. Door de verkiezingsslogan van Donald Trump een eigen draai te geven, aarzelt Emmanuel Macron niet om Frankrijk uit te roepen tot voortrekker op Europees vlak, hoewel de concrete inspanningen van het land op dit moment wel een stuk onder die van Duitsland liggen.

De bijzonder gemediatiseerde aankondiging van de Amerikaanse president is echter een zegen voor Europa en China, die op dat moment trouwens een top organiseerden. Sinds het Kyotoprotocol, dat China weigerde te ondertekenen, is de economische macht van dit land verdubbeld. Dat heeft echter een zware prijs, die de bevolking vandaag, met name de opkomende middenklasse, weigert te betalen. China, net zoals India en Europa, is een dichtbevolkt land met weinig natuurlijke hulpbronnen. Het land begrijpt dus ten volle de uitdaging van de klimaatverandering, in tegenstelling tot een land zoals de Verenigde Staten. Dat is een stuk minder dichtbevolkt en heeft veel meer fossiele energiebronnen. Hoewel bepaalde staten fors lijden onder de klimaatverandering, met name Californië, zijn sommige Amerikanen zich weinig bewust van de reële beperkingen van onze planeet.

We moeten echter ook eerlijk zijn en benadrukken dat achter deze fervente verdedigers van de klimaatzaak ook nog de G7-landen zitten, die massaal fossiele energie blijven subsidiëren, ondanks hun engagement om te evolueren in de richting van een lagekoolstofeconomie.

Een economisch excuus dat de economische groei zelf in het gedrang brengt

“Het akkoord is een blok aan het been van de Verenigde Staten,” zei Donald Trump. Zijn volledige verkiezingscampagne draaide rond jobcreatie en wilde vooral een einde stellen aan de overdreven regelgeving die de arbeidsmarkt verstikt. Tijdens de regeerperiode van Obama werden 11,3 miljoen banen gecreëerd, vooral in de sector van de hernieuwbare energie, waar de banengroei sterker is dan in gelijk welke sector. Dat staat in schril contrast met de 50.000 banen die gecreëerd werden in de steenkoolmijnen. Hoewel Donald Trump verschillende langdurig werklozen, die tot zijn achterban behoren, weer aan een baan heeft geholpen, neemt hij door afstand te nemen van het universele akkoord eveneens het risico dat de Verenigde Staten niet profiteren van de economische groei die noodzakelijk is om te evolueren in de richting van een lagekoolstofeconomie. Deze transitie is een gigantische opdracht voor de hele wereld. Ze zal veel banen scheppen en zal enorm veel infrastructuur en financiering nodig hebben. Daar kunnen meerdere sectoren en economieën van profiteren.

Een president die steeds meer alleen staat

Het Klimaatakkoord van Parijs is een overwinning ten opzichte van de mislukking van het Kyotoprotocol, dat de regering Bush weigerde te ratificeren omdat de ‘levenswijze van de Amerikanen niet onderhandelbaar is’. Twintig jaar later echter, is het bewustzijn over klimaatverandering steeds blijven toenemen. Je kan het niet vergelijken met de tijd van Bush. Ook de private en financiële sector doen mee Hoewel Donald Trump banen wil creëren, vooral door de zware regelgeving die de sector van fossiele brandstof en steenkool belast op te heffen, zullen de ondernemers binnen de sector de banken en andere schuldeisers nog moeten overtuigen om te investeren in een economie die in het slop zit en is blootgesteld aan een steeds groter juridisch risico.

Het is immers interessant om een mogelijke historische parallel te trekken tussen de tabaksindustrie en de sector van de fossiele brandstoffen. Er zijn heel wat Amerikaanse burgers die zich hebben gekeerd tegen de tabaksindustrie, en vooral tegen de staten die een sector die schadelijk is voor hun gezondheid niet voldoende hebben gereguleerd. Bij de Amerikaanse burgers komt naar verluidt steeds meer het idee bovendrijven om opnieuw een rechtszaak in te spannen. De jongste peilingen tonen immers aan dat meer dan 65 % van de Amerikaanse volwassenen wil dat hun land in het historische akkoord blijft.

Dertig staten zullen het Klimaatakkoord van Parijs blijven toepassen. Aangezien heel wat bedrijven al evolueren in de richting van een lagekoolstofeconomie, zal uiteindelijk twee derde van de Amerikaanse structuren de inspanningen voortzetten, waardoor de spanningen tussen het Witte Huis en de staten verder zullen toenemen.

Zelfs de grote oliebedrijven als Exxon hebben de afgelopen jaren niet alleen massaal geïnvesteerd in hernieuwbare energie, maar hebben hun president ook niet gesteund in zijn verwerping. De bedrijfsleiders vrezen immers steeds meer voor represailles van Amerikaanse burgers die hun toevlucht zullen nemen tot juridische middelen om de staat ervan te beschuldigen dat zij het land kwetsbaarder maakt voor klimaatverandering.

Tot hiertoe heeft de president zeker zijn beloftes gehouden, maar hij heeft zich beperkt tot het gemakkelijkste deel, namelijk decreten en dergelijke. Zijn andere beslissingen zullen steeds meer op weerstand van zijn taaie tegenstanders en opposanten stoten, en bovendien ingewikkelder zijn om uit te voeren.

_____________________________________________

Turks referendum: onze vrees wordt bewaarheid

17/5/2017

Je kan niet naast de resultaten kijken: mijnheer Erdogan heeft een nipte meerderheid (51,4%) van zijn volk overtuigd om 72 artikels van de Turkse grondwet aan te passen. Hij versterkt daarmee nog meer zijn centrale macht. Op deze manier kent de Turkse president zichzelf de mogelijkheid toe om zijn heerschappij met twee mandaten uit te breiden, en komt hij in het rijtje van lang regerende patriarchen van autoritaire regimes zoals Algerije, Tsjaad, Kameroen of Angola.

Constante afbrokkeling van burgerlijke rechten en vrijheden

De resultaten van de stembusgang worden sterk betwist, omdat ze zouden zijn gemanipuleerd en omdat er geen recht op vrije meningsuiting was. Dat bevestigt de voortdurende afbrokkeling van de rechten en burgerlijke vrijheden waarmee het Turkse volk de afgelopen jaren werd geconfronteerd. Volgens ngo’s die de situatie van nabij opvolgen, met name Freedom House, tekent het land voor de grootste achteruitgang van individuele vrijheden en politieke rechten. De democratie-index, die wordt gepubliceerd door The Economist Intelligence Unit, bevestigt eveneens de erosie van deze rechten, vooral sinds de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016.

De ngo Freedom House, die werkt met zowat honderd experts inzake democratie en mensenrechten, vergelijkt het land geografisch gezien met de West-Europese landen. In dat opzicht behoort het tot de slechtste leerlingen. Er is immers al verschillende jaren geen sprake meer van persvrijheid, en hoewel Turkije nog wordt beschouwd als ‘gedeeltelijk vrij’ op het vlak van burgerlijke vrijheden en politieke rechten, heeft het land zijn status van parlementaire democratie verloren. Het jongste klassement van de ngo heeft het land een negatieve trend toegewezen, wat duidt op zeer ernstige problemen die kunnen leiden tot een verlaging van de democratische status van het land.

Het democratische verval in Turkije is de afgelopen jaren geleidelijk gegaan. Het land tekent, na de Centraal-Afrikaanse Republiek, voor de ergste achteruitgang in de afgelopen tien jaar. Inzake vrijheden situeert het land zich tussen de Kirgizische Republiek en Madagaskar.

Een liquide en aantrekkelijke schuld

Die constante achteruitgang op het vlak van respect van democratische waarden is voor ons van essentieel belang in de beoordeling van beleggingen in Turkije. Beleggers die zich bewust zijn van het relatief hoge risico, waarderen de staatsschuld van het land vaak omwille van de liquiditeit en het rendement ervan. Ze vertegenwoordigt immers bijna 8% in de voornaamste indices van overheidsschuld in lokale munt. Om de aantrekkelijkheid ervan te beoordelen, wordt de Turkse schuld vaak vergeleken met die van Zuid-Afrika, die weliswaar weinig gemeenschappelijke kenmerken heeft met de Turkse, maar wel een gelijkaardig liquiditeits- en rendementsprofiel heeft voor een risico dat doorgaans vergelijkbaar is.

Een onvoldoende rendement in het kader van het duurzaamheidsprofiel

Turkije onderscheidt zich van Zuid-Afrika op het vlak van een reeks duurzaamheidscriteria, met name bevolking, welvaartsverdeling en gezondheidszorgen en ook voor wat betreft de voornaamste economische indicatoren. Er is immers minder maatschappelijke ongelijkheid, er is meer gezondheidspreventie, voornamelijk voor kinderen, en dat vertaalt zich met name in een lagere kindersterfte en een langere levensverwachting.

Vergelijking tussen Zuid-Afrika en Turkije – 5 duurzaamheidspijlers

In ons interne duurzaamheidsmodel voor landen staan transparantie en democratische waarden echter centraal. Op dat vlak behaalt het land een duidelijk lagere score, die tot de slechtste behoort binnen het universum van 87 opkomende landen.

Transparantie en democratische waarden

Hoewel de schuld van het land in theorie in aanmerking komt voor een belegging, aangezien het land (nog) niet wordt beschouwd als niet-vrij, zoals Rusland en China, heeft onze strategie die belegt in schuldpapier uit de groeilanden zich steeds ver gehouden van Turks schuldpapier.

De jongste ontwikkelingen bevestigen onze vrees, en het ziet er niet naar uit dat we in de nabije toekomst een belegging in Turkije zullen overwegen.

______________________________________________________________

Beursintroductie van Snapchat: democratie opgeofferd voor technologische innovatie (Deel 2)

3/4/2017

Bij beursgenoteerde ondernemingen hebben de aandeelhouders dankzij de aandeelhoudersvergaderingen het recht om de raad van bestuur van de vennootschap te benoemen en te ontslaan. Die raad is verantwoordelijk voor de strategie en de toepassing ervan door het directiecomité.

De raad van bestuur staat in voor de ‘checks and balances’

Wanneer de aandeelhouder zijn stem niet kan laten horen, zijn de samenstelling en de kwaliteit van de raad van bestuur erg belangrijk om ervoor te zorgen dat er ‘checks and balances’ zijn voor de beslissingen van de directie.

Vandaag bestaat de raad van bestuur van Snapchat uit negen bestuurders, waarvan zeven onafhankelijke. Hoewel onafhankelijkheid een heikel thema is aangezien het mandaat van deze bestuurders volledig afhankelijk is van de stemrechten die in handen zijn van de twee oprichters, kan hun geschiktheid ook vragen oproepen. A priori zou slechts één bestuurder ervaring hebben in de sector, en zouden er twee een financiële achtergrond hebben. Volgens de publicaties van het bedrijf heeft geen enkele bestuurder kennis van cyberveiligheid. De bescherming van persoonlijke gegevens is echter een belangrijke uitdaging binnen de sector, zeker omdat Snap meer wil inzetten op de opslag van gegevens.

Snapchat heeft zijn succes te danken aan het feit dat het geen gebruik heeft gemaakt van persoonsgegevens, in tegenstelling tot zijn concurrenten Facebook en Twitter. Het businessmodel van Snapchat is gebaseerd op het feit dat gegevens bijna onmiddellijk verwijderd worden nadat ze bekeken werden. Om de winstgevendheid van het bedrijf te verhogen, denken de oprichters echter na over nieuwe ontwikkelingen waardoor het systeem meer zou opbrengen. In een actualisering van de algemene voorwaarden van Snapchat, in oktober 2015, behoudt het bedrijf zich het recht voor de foto’s van gebruikers die in ‘live story’ worden geplaatst te reproduceren, te wijzigen, opnieuw te publiceren en te bewaren. De herziening van deze gebruiksvoorwaarden leidde tot een toevloed aan klachten van gebruikers, tenminste van degene die de gebruiksvoorwaarden van de apps die ze gebruiken goed lezen.

Het is sterk aanbevolen dat er in de raad van bestuur iemand zetelt die kennis heeft van gegevensbescherming en cyberveiligheid. Snap is immers actief op markten waar het regelgevend risico inzake de bescherming van persoonsgegevens toeneemt. In de Verenigde Staten, die goed zijn voor bijna 88 % van de inkomsten van het bedrijf, heeft de nieuwe regering aangegeven dat zij overheidsinstellingen toegang wil geven tot de gegevens van gebruikers van onlinetoepassingen, in naam van de heilige nationale veiligheid.

In de Europese Unie, goed voor 33 % van de gebruikers van Snap, zorgt de Algemene Verordening Gegevensbescherming, die naar verwachting zal worden ingevoerd in de eerste helft van 2018, ook voor enkele uitdagingen bij technologiebedrijven die beschikken over persoonsgegevens van EU-burgers. Die bedrijven zullen moeten voldoen aan steeds strengere vereisten op het vlak van de controle en veiligheid van de persoonsgegevens van hun gebruikers.

Belangenconflicten

Naast het onevenwicht op het vlak van de machtsverhoudingen en checks and balances, centrale thema’s op het vlak van deugdelijk bestuur, moeten we ook stilstaan bij eventuele belangenconflicten tussen het bedrijf en zijn oprichters.

Hoewel het gaat over relatief courante praktijken bij de lancering van startups, werden er door het bedrijf leningen verstrekt aan de twee oprichters. De twee leningen die werden aangegaan in augustus 2014 en februari 2016 werden echter volledig terugbetaald in september 2016.

Ten slotte maakt het bedrijf gebruik van juridisch advies van het advocatenkantoor waarvoor de vader van een van de oprichters werkt. En dat op een moment waarop de banden tussen familie en werk heel wat inkt doen vloeien …

 

 

Het is onmiskenbaar dat de beursintroductie van Snap verschillende best practices inzake deugdelijk bestuur met de voeten treedt: onafhankelijkheid en expertise van de raad van bestuur, efficiëntie van de interne controles, tegengewicht voor de almacht van bepaalde aandeelhouders enz.

Hoewel het statuut van startup een verklaring is voor de onvolmaaktheid van bepaalde structuren en een vlakke hiërarchische structuur, wat vrij typisch is voor een dergelijk bedrijf in deze fase van zijn ontwikkeling en in deze sector, blijft het moeilijk te verdedigen dat de democratische rechten van de minderheidsaandeelhouders zomaar worden afgepakt.

De activiteit van Snapchat is er duidelijk een die de volgende jaren succesvol zal blijven. Het valt echter nog af te wachten hoe het bedrijf de flexibiliteit die nodig is voor de dynamiek van zijn businessmodel zal kunnen verzoenen met de principes van deugdelijk bestuur, die beleggers en de burgermaatschappij steeds meer eisen voor de integriteit van het bedrijf en zijn ‘license to operate’.

 

______________________________________________________________

Beursintroductie van Snapchat: democratie opgeofferd voor technologische innovatie (Deel 1)

21/3/2017

Het feit dat de aandelen die door het moederhuis Snap worden aangeboden aan het grote publiek helemaal geen stemrechten hebben, druist in tegen het principe ‘één aandeel, één dividend, één stem’. Hiermee haalt het bedrijf zich de woede op de hals van institutionele beleggers, die fervente voorstanders zijn van dit principe inzake deugdelijk bestuur. Het enige recht dat aandeelhouders dus hebben, is zwijgen. Bovendien zal hun recht op informatie fors ingeperkt worden, aangezien de vennootschap door haar juridische structuur kan ontsnappen aan bepaalde essentiële informatievereisten voor professionele beleggers. Met andere woorden verlenen de beide stichters, die weliswaar een geniale toepassing op de markt hebben gebracht, zichzelf een absolute macht. Als je hier even bij stilstaat, is deze macht bijna niet betwistbaar en zijn er weinig ‘checks and balances’ van de traditionele controleorganismen.

Als u behoort tot de generatie X, bent u waarschijnlijk niet erg vertrouwd met de toepassing Snapchat. En toch worden de video’s op Snapchat maar liefst 10 miljard keer per dag bekeken! Het is de app van de generatie Z, die ook wel de ‘Snapchat-generatie’ wordt genoemd.

De generaties Y (Millennials tussen 19 en 35 jaar) en Z (Centennials tussen 0 en 18 jaar) vertegenwoordigen 59 % van de wereldbevolking. In de ontwikkelde landen vertegenwoordigen zij 90 % van de marktpenetratie van sociale netwerken en smartphones. Daardoor is het niet verwonderlijk dat de twee oprichters van de moedervennootschap Snap grootse plannen hebben voor hun app, en op 2 maart jongstleden besloten een beroep te doen op het openbare spaarwezen.

Hoewel experts op het vlak van demografie het er allemaal over eens zijn dat de generaties Y en Z verdraagzamer zijn en meer belang hechten aan vaste waarden zoals gelijkheid en billijkheid, opent de beursintroductie van de innovatieve startup een groot debat rond aandeelhoudersdemocratie.

De aandeelhouderstructuur van de vennootschap bestaat immers uit drie aandelenklassen:

  1. Aandelen van het type A die worden aangeboden aan het grote publiek en die geen enkel stemrecht hebben.
  2. Aandelen van het type B die worden aangeboden aan de stichters en aan de ingenieurs en andere belangrijke ontwikkelaars die de app mee hebben ontworpen. Elk aandeel heeft één stemrecht.
  3. Aandelen van het type C die worden aangehouden door de twee oprichters. Elk aandeel heeft 25 stemrechten.

Geen stemrecht, wat zijn de gevolgen?

Bij beursgenoteerde ondernemingen hebben de aandeelhouders dankzij de aandeelhoudersvergaderingen het recht om de raad van bestuur van de vennootschap te benoemen en te ontslaan. Die raad is verantwoordelijk voor de strategie en de toepassing ervan door het directiecomité.

Wanneer dit recht wordt afgeschaft, wordt de aandeelhoudersdemocratie geweld aangedaan, aangezien de aandeelhouders niets in de pap te brokken hebben over de raad van bestuur en geen aandeelhoudersresoluties mogen indienen over andere onderwerpen die hen na aan het hart liggen. Met andere woorden: ze hebben niets te zeggen.

Bovendien ontsnapt Snap aan de Amerikaanse verplichting van de ‘Say on pay’. Het verloningsbeleid van de toplui moet dus niet worden bekendgemaakt.

De twee stichters behouden de absolute macht met 89 % van de stemrechten van hun bedrijf, dat bijgevolg een privébedrijf blijft. De beide oprichters hebben zeggenschap over de verkiezing, het ontslag en de vervanging van de bestuurders, de beslissingen inzake fusies en overnames, kapitaalverhogingen, consolidatie en de gedeeltelijke of volledige verkoop van de bedrijfsactiva.

Bovendien heeft het bedrijf niets bekendgemaakt over een mogelijk opvolgingsplan wanneer een van beide stichters wegvalt. Wanneer vandaag de overeenkomst met een van beide stichters wordt opgezegd, behoudt die het vermogen om het bedrijf te controleren. Wanneer een van beide stichters niet meer in staat is om zijn taken uit te voeren of overlijdt, bezit de tweede alle stemrechten.

Bovendien is het bedrijf door de Amerikaanse ‘JOBS Act’ van 2012 erkend als ‘emerging growth company’. Hieruit vloeit voort dat de geauditeerde financiële reportings geen interne controle hoeven te ondergaan, en dat er geen financiële guidance hoeft te worden gegeven elk kwartaal of jaar. Dat is ook een belangrijk element waarmee beleggers rekening moeten houden. Enerzijds zullen beleggers zeer weinig publieke informatie hebben over het bedrijf, en dan alleen wat het bedrijf zelf wil bekendmaken. Anderzijds zijn de interne audits eveneens instrumenten waarmee het management op een onafhankelijke manier kan worden gecontroleerd. In dat opzicht is het interessant om vast te stellen dat in 2014 de externe auditor, PwC, meerdere tekortkomingen had vastgesteld bij de interne controle van Snap, met name een gebrek aan gekwalificeerde accountants. De raad van bestuur besliste in april 2016 PwC te vervangen door het auditbedrijf E&Y. De reden hiervoor werd niet bekendgemaakt.

Absolute macht voor de twee stichters: Snapchat innoveert

Het uitgeven van verschillende aandelenklassen is op zich niets nieuws. Zo krijgen langetermijnaandeelhouders in Frankrijk (die hun aandelen minimaal twee jaar bijhouden) dankzij de wet-Florange een dubbel stemrecht op hun aandelen.

Het komt zelfs redelijk vaak voor dat de oprichters van technologiebedrijven de controle willen behouden over hun geesteskind. Zo hadden Facebook en Google eveneens verschillende aandelenklassen uitgegeven toen ze naar de beurs kwamen. Zij hadden echter wel een stemrecht toegekend aan de publieke aandelen. Snapchat ‘innoveert’ door elk stemrecht voor de aandeelhouders botweg af te schaffen.

Bij de afsluiting van de IPO hadden CEO en medeoprichter Evan Spiegel eveneens voorkeursaandelen ontvangen die bijna 3 % vertegenwoordigen van de aandelen die werden uitgegeven bij de afsluiting van het aanbod. Die voorkeursaandelen worden onmiddellijk omgezet in aandeleneenheden die ondergeschikt zijn aan de aandelenklasse C, en zullen elk kwartaal worden uitbetaald aan de CEO in de loop van de volgende drie jaren. Deze verloning van de CEO wordt geschat op 624 miljoen dollar. Zonder een waardeoordeel te vellen over de ontwikkeling van een app zoals Snapchat, maar om de zaken in perspectief te stellen: het bedrijf heeft in zijn prospectus reeds een potentiële kost geboekt van 551 miljoen dollar voor deze verloning. In 2016 boekte Snap een verlies van 514 miljoen dollar.

Voor bedrijven zoals Snapchat is het erg belangrijk om de allerbeste ingenieurs en softwareontwikkelaars aan te trekken en te behouden. Op die manier blijft het bedrijf immers aan de top op het vlak van innovatievermogen. De oprichters hebben dat goed begrepen en willen de belangrijkste medewerkers laten participeren in het kapitaal van de onderneming via bonussen en andere regelmatige incentives.

De aanwezigheid van de CEO in de remuneratiecomités druist echter opnieuw in tegen de best practices op het vlak van de onafhankelijkheid van dit comité. Dit versterkt de greep die de oprichters hebben op het bedrijf nog meer.

__________________________________

Steeds ethischer ? Vrijwillig of gedwongen ?

2/2/2017

Hoewel het milieu en meer bepaald klimaatverandering het nieuws zullen blijven beheersen, wordt zakelijke ethiek steeds belangrijker. Enerzijds evolueert de regelgeving in die richting, of het nu gaat om proactieve regelgeving of vonnissen na de feiten. Anderzijds hebben de burgermaatschappij en beleggers steeds meer aandacht voor dit onderwerp, aangezien zakelijke ethiek invloed kan hebben op aandeelhouders en wereldwijde ongelijkheid.

Zakelijke ethiek kan immers mis lopen op drie belangrijke vlakken: corruptie, agressieve fiscale optimalisatie en anti-competitief gedrag.

Corruptie zorgt ervoor dat geld dat oorspronkelijk was bedoeld voor de openbare sector wordt gekanaliseerd in de richting van een elite met hoge inkomsten. Dat heeft als resultaat dat openbare instellingen dus slecht gefinancierd zijn en niet goed werken. De aandeelhouderswaarde wordt ook beïnvloed als gevolg van de kosten van mogelijke rechtszaken, het verlies van contracten en reputatierisico’s.

Extreme fiscale optimalisering zorgt ook voor een daling van de fiscale ontvangsten van de overheid, waardoor de financiering van basisdiensten in het gedrang kan komen. Opnieuw zijn openbare instellingen hierdoor slecht gefinancierd en werken ze niet goed.

Ten slotte kunnen prijsafspraken of het misbruiken van een dominante marktpositie de welvaartsverdeling beïnvloeden, van de laagste inkomens naar de hoogste. Dat komt vooral door de rechtstreekse inflatie van managerslonen. De aandeelhouders lopen ook het risico op rechtszaken en reputatieschade in een regelgevend kader dat steeds strenger wordt.

Aangezien de millennialsgeneratie kortom ongeveer 59 % van de wereldbevolking vertegenwoordigt en 88 % van hen wonen in opkomende landen, blijven hun consumptiegedrag, maar vooral de uitdagingen op het gebied van onderwijs, tewerkstelling en innovatie onze aandacht krijgen, omdat die van fundamenteel belang zijn voor de integratie en de welvaart van deze naar zingeving zoekende generatie.

_____________________________________________

Welke Vooruitzichten voor de financiering van de klimaatverandering in 2017?

24/1/2017

Klimaatverandering zal onmiskenbaar een hot topic blijven in 2017. Dat geldt ook voor de thema’s die ermee samenhangen, zoals de lagekoolstofeconomie en de groene emissies.

Klimaatverandering was immers een van de belangrijkste onderwerpen van 2016.

De vluchtelingencrisis waaraan de meeste Europese landen het hoofd moeten bieden, staat centraal in de politieke debatten in Duitsland, Turkije en andere, en houdt op de eerste plaats verband met het klimaat. Syrië werd geteisterd door een verwoestende droogte tussen 2006 en 2011, wat ervoor zorgde dat Syrische gezinnen talrijke dorpen rond Aleppo en de steden verlieten. Zowat 60 % van het landbouwareaal in Syrië werd de afgelopen jaren geteisterd door droogtes. Meerdere provincies in Turkije werden eveneens getroffen, net als Irak, dat nu heel wat klimaatvluchtelingen telt.

De kwetsbaarheid van het milieu maakt het tot een voedingsbodem voor de opkomst van geweld, politieke en maatschappelijke instabiliteit en extremistische groeperingen.

Hoewel de brexit geen reële invloed heeft gehad op het Europese engagement voor het klimaatakkoord van Parijs, zullen de gesprekken over de voortzetting van de relaties tussen de EU en het VK niet meer gaan over de dringendste en meest alarmerende onderwerpen, zoals klimaatverandering. De grote afwezige in het klimaatakkoord van Parijs is de koolstofprijs, waarvoor de EU een pioniersrol moet spelen met het oog op de klimaatonderhandelingen. Aangezien door de brexit de focust ligt op andere problemen, staat een belangrijk middel voor klimaatverandering van de EU, namelijk de ETS (emissions trading scheme) op de helling.

Ten slotte waren de Amerikaanse verkiezingen een echte verrassing. Trump zette een domper op het akkoord van Parijs. Nochtans zal de ongerustheid over zijn aanstelling er ongetwijfeld voor zorgen dat de ratificatie van het akkoord in een stroomversnelling terechtkomt. Zijn discours pro fossiele brandstof en zijn recente benoemingen van belangrijke posten, zoals de CEO van Exxon Mobil Rex Tillerson als Minister van Buitenlandse Zaken, de voormalige gouverneur van Texas Rick Perry als Secretaris voor Energie of de procureur-generaal van Oklahoma Scott Pruitt als hoofd van het milieuagentschap (EPA), bezorgen ons de koude rillingen. Die laatste verzette zich hevig tegen de maatregelen van de EPA, in het bijzonder het Clean Power Plan. De man, die komt uit de derde belangrijkste staat voor aardgas in de Verenigde Staten, zal ervoor zorgen dat de olie- en gassector de komende jaren zal profiteren van gunstmaatregelen.

Dat neemt niet weg dat de belangrijkste doelstelling van de toekomstige president tewerkstelling is in de Verenigde Staten. Als je weet dat het aantal banen in de Amerikaanse sector van de zonne-energie groter is dan dat in de steenkoolsector, ziet het ernaar uit dat de sector van de hernieuwbare energie niet in het gedrang zal komen. Die sector heeft de afgelopen jaren immers een dubbelcijferige banengroei gekend, die zelfs hoger lag dan 20 %. Dat is duidelijk beter dan in de olie- en gassector. De sector van de hernieuwbare energie heeft zijn kosten-batenratio aanzienlijk verbeterd. Dat zorgt ervoor dat het argument van verlieslatendheid vandaag niet meer opgaat. Bovendien vallen het milieubeleid en de toepassing van de normen die worden bepaald door de EPA regelmatig onder de bevoegdheid van de staten. Dat zijn met andere woorden dus de staten die meer eisen op tafel kunnen leggen, zoals Californië of de noordelijke staten, die koolstofuitwisselingsprogramma’s hebben lopen. De regelgeving en de marktwerking hebben er dus voor gezorgd dat een grote meerderheid van de bedrijven hun investeringen en desinvesteringen hebben aangepast aan een lagekoolstofeconomie, wat erg ingewikkeld zou zijn om terug te draaien.

Maar net zoals over de rest van het programma van Donald Trump bestaat er ook hier veel onzekerheid en onwetendheid.

De sneller dan verwachte ratificering van het klimaatakkoord van Parijs toont aan dat landen en bedrijven zich internationaal meer willen inzetten. Klimaatverandering is voor de meeste van hen een prioriteit. Ze zijn overtuigd van de noodzaak om actie te ondernemen en van de morele verplichting die eruit voortvloeit en begrijpen dat een lagekostenproductie energie-efficiënter is en economische winst met zich meebrengt. Vooral China neemt het stokje over van de Verenigde Staten en de EU, die immers andere zorgen hebben omdat ze zich er goed bewust van zijn dat sociale vrede verband houdt met vervuiling. De smog die de afgelopen dagen in de hoofdstad en in het noorden van het land hangt, verlamt de transportsector en de economie, en zorgt ervoor dat steeds meer Chinezen hun toekomst in vraag stellen.

Zelfs het toonaangevende Internationaal Energieagentschap (IEA) erkent voortaan dat het akkoord van Parijs baanbrekend is en een echte revolutie vereist in de energiesector. Het tempo van de decarbonisatie en de verbetering van de energie-efficiëntie moet radicaal verhoogd worden. Ook wordt het hoog tijd voor een fundamenteel andere allocatie van kapitaal.

In zijn recentste wereldwijde World Energy Outlook van 2016 vernoemt het zijn 450-scenario, dat steunt op het feit dat er 50 % kans is om de doelstelling te halen van maximaal 2 graden opwarming die werd vooropgesteld in het klimaatakkoord van Parijs. Dat is een vooruitzicht dat voortaan tot de mogelijkheden behoort.

Hoewel het een geschikte gelegenheid was om een ambitieuzer scenario te overwegen, dat gebaseerd is op een slaagkans van meer dan 50 %, toont dit nieuwe scenario aan dat er een revolutie heeft plaatsgevonden, wat de weg baant voor het gebruik van hernieuwbare energie in de industriële sectoren, de bouw en transport.

__________________________________

Duurzaamheidsanalyse : De Verenigde Staten, de zwaktes zijn gekend …

26/12/16

De duurzaamheidsanalyse van de landen bleek bijzonder zinvol tijdens de schuldencrisis in de eurozone, en heeft aangetoond dat het belangrijk is om naar duurzaamheidsuitdagingen te kijken op landenniveau. Op die manier kunnen we hun vermogen inschatten om hun schulden terug te betalen, in plaats van hun vermogen om de schuldgraad te laten stijgen. Het model steunt op de vijf grote duurzaamheidspijlers, namelijk transparantie en democratische waarden (1), bevolking, gezondheidszorg en welvaartsverdeling (2), milieu (3), onderwijs/innovatie (4) en economie (5).

Rekening houdend met de verschillende ESG-factoren scoren de Verenigde Staten onder het gemiddelde van de OESO.

Die zwakke duurzaamheidsscore is voornamelijk te wijten aan criteria op het vlak van milieu en maatschappelijk welzijn.

Enerzijds gebruiken de Verenigde Staten nog veel steenkool. Het is een goedkope energiebron, maar stoot veel broeikasgassen uit. Anderzijds blijft hernieuwbare energie in de totale energiemix van het land onder het gemiddelde.

Op maatschappelijk vlak is er zoals bekend veel sociale ongelijkheid in de Verenigde Staten, en de GINI-coëfficiënt toont dat gedeeltelijk aan. De gevangenisbevolking legt ook wat gewicht in de schaal. De alomtegenwoordigheid van obesitas is eveneens een probleem op middellange en lange termijn voor de bevolking, die is blootgesteld aan een aanzienlijk gezondheidsrisico en belangrijke financiële gevolgen.

Hoewel de Verenigde Staten over het algemeen een bevredigende score behalen op het vlak van democratie en burgerlijke vrijheden, betreuren we het feit dat ze het Internationaal Gerechtshof of de Ottawa-conventie over antipersoonsmijnen niet hebben erkend. Ook werd de doodstraf in bepaalde staten niet afgeschaft.

… te weinig sterktes

De Verenigde Staten blinken duidelijk uit op het vlak van innovatie. De Verenigde Staten behouden een voortrekkersrol op dat vlak, zowel op het vlak van R&D-uitgaven als het aantal geregistreerde patenten.

Innovatie is een belangrijke uitdaging voor ontwikkelde landen, en dat hebben de Verenigde Staten duidelijk begrepen. De tewerkstellingsgraad van immigranten ligt ook boven die van verschillende andere lidstaten, met name België, en wordt gedeeltelijk verklaard door het feit dat Amerika goed opgeleide immigranten wil aantrekken. De scholingsgraad van de Amerikaanse en Canadese immigranten ligt een stuk hoger dan die in Europa. Twee derde van de migranten die aankomen in de Verenigde Staten en Canada hebben immers een hoger diploma behaald, bijna het dubbele van in Europa.

Weinig verbetering te verwachten

De verklaringen van Donald Trump wijzen er niet op dat de situatie zal omkeren, wel integendeel. Hoewel het duidelijk wordt dat Trump het klimaatakkoord van Parijs, dat werd getekend door zijn voorganger, niet officieel zal opblazen, is het wel zo dat hij weinig moeite zal doen om de doelstellingen inzake de vermindering van broeikasgassen, die werden opgenomen in het akkoord, te bereiken. Zijn verklaringen tijdens de campagne ondersteunen duidelijk een verhoogde productie van steenkool, de herziening van de uitbating van de oliepijplijn Keystone XL, de exploitatie van olie en gas in Alaska en de Golf van Mexico.

Hoewel het ‘America First Energy Plan’ van Trump het belang van klimaatverandering verwerpt, tonen verschillende studies aan dat de VS erg kwetsbaar blijven op dit vlak: met name de ND GAIN-index toont aan dat Amerika kwetsbaarder blijft dan het gemiddelde OESO-land.

Het engagement om de vennootschapsbelasting te verlagen van 35 tot 20 % is eerder positief voor de fiscale transparantie van Amerikaanse ondernemingen, die er geen belang meer bij zullen hebben om hun winsten te laten belasten in landen met een lagere belastingvoet. Vandaag is het moeilijk om in te schatten of de repatriëring van winsten naar de VS de vermindering van de fiscale ontvangsten zal kunnen compenseren. En zal de toename van de tewerkstelling, de eerste doelstelling van het programma van Trump, voldoende zijn om dit alles goed te maken? Op korte termijn zijn zulke maatregelen weliswaar welkom, maar op middellange termijn is er wel een risico voor de financiering van het overheidsbeleid. Hoewel de maatregel niet gepaard gaat met een reële economische groei, zullen de onderwijs- en gezondheidssector als eerste getroffen worden door de besparingen van de Amerikaanse economie, die al fors met schulden beladen is. Een verbetering van de Amerikaanse score op deze twee duurzaamheidspijlers is dus moeilijk te voorspellen.

_________________________

Trump zet de strijd tegen klimaatverandering op de helling

22/11/2016

De 22e klimaattop van de Verenigde Naties (COP 22) was volop aan de gang in Marrakesh toen bekend geraakte dat Donald Trump op weg was naar het Witte Huis.

Hoewel de vrees dat de Brexit de ratificering van het klimaatakkoord van Parijs in het gedrang zou brengen snel wegebde, zitten we hier met een nieuw probleem dat het slagen van het akkoord, dat in werking is getreden, kan bemoeilijken.

Trump deed immers regelmatig straffe aankondigingen en gaf geregeld zijn mening over de klimaatverandering. Hij opperde in het bijzonder dat klimaatverandering een concept is dat was uitgevonden door de Chinezen om de concurrentiekracht van de Amerikaanse industrie aan te tasten.

De Verenigde Staten vertegenwoordigen 16,4 % van de wereldwijde uitstoot en dienen een belangrijke rol te spelen op het vlak van klimaatverandering en luchtkwaliteit. Bovendien zijn de Verenigde Staten, net als bij alle andere internationale onderhandelingen, een belangrijke gesprekspartner in de onderhandelingen over het klimaatbeleid.

Het resultaat van de Amerikaanse presidentsverkiezingen is dus van groot belang voor de toepassing van het klimaatakkoord van Parijs.

Op 4 november 2016 is het akkoord van Parijs in werking getreden, nadat het was geratificeerd door ten minste 55 partijen die 55 % van de wereldwijde uitstoot vertegenwoordigen. De COP 22-conferentie, die tot 18 november wordt georganiseerd in Marokko, wil de toepassing van het klimaatakkoord van Parijs op punt stellen. Het is immers noodzakelijk om het kader voor de toepassing van de verschillende klimaatplannen van de diverse partijen te definiëren. Die zijn echter moeilijk te vergelijken in de huidige staat, vóór 2020. De ratificering door een land zorgt ervoor dat zijn ‘beloofde’ nationale bijdragen een doelstelling worden, in plaats van louter ‘beloftes’.

De Amerikaanse machtsverhoudingen zorgen voor een systeem van checks and balances dankzij het Congres en de Senaat en neemt wat bezorgdheid weg over Donald Trump, die niet de enige is die aan het roer staat.

Hoewel hij heeft gezegd dat de Verenigde Staten het klimaatakkoord van Parijs zouden verlaten, is de praktische toepassing daarvan niet evident. Om de ratificering van het akkoord te negeren, moet het land immers een vooropzeg van drie jaar naleven, die in werking zou treden in het volgende jaar, dus in totaal vier jaar vanaf nu. Met andere woorden, indien Trump het akkoord zou opzeggen op de eerste dag van zijn presidentschap (20 januari 2017), zouden de Verenigde Staten verbonden blijven aan het akkoord tot januari 2021, dus in de periode waarin de uitstoot wordt teruggedrongen (2020-2030) en na de volgende presidentsverkiezingen. Het risico is dus beperkt. Dat neemt echter niet weg dat Trump technisch gezien eveneens kan beslissen dat de Verenigde Staten uit de kaderconventie voor klimaatverandering van de Verenigde Naties (CCNUCC) stappen. Daar is een opzegtermijn van slechts één jaar van toepassing, waardoor hij alle verplichtingen verbonden aan de CCNUCC, met inbegrip van het akkoord van Parijs, naast zich zou kunnen neerleggen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke stap zou kunnen rekenen op forse kritiek van de internationale diplomatie.

Naast een uitstap uit het klimaatakkoord verdedigt Donald Trump een vrije energiemarkt, goedkope energie voor de consument en de Amerikaanse industrie, en de energie-onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. Zijn steun aan fossiele energie is zeer uitgesproken, en hernieuwbare energie, tenzij ze economisch competitief is, zal een negatieve invloed ondervinden.

Trump wil de productie van steenkool verhogen en de exploitatie van de oliepijplijn Keystone XL opnieuw bekijken, net als de productie van gas en olie in Alaska en de Golf van Mexico.

Dat zou uiteraard een ongelukkige beslissing zijn en een stap achteruit, nadat Obama op dat vlak heel wat vooruitgang had geboekt. De Verenigde Staten, die op het vlak van klimaatverandering achteraan het peloton bengelden, hebben na de twee ambtstermijnen van Obama immers meerdere belangrijke milieumaatregelen genomen, zoals het Clean Power Plan, het Climate Action Plan, de Clean Water Rule en het bilaterale klimaatakkoord dat werd afgesloten met China en heeft geleid tot het succes van de COP 21.

De benoeming van de 9e vacante zetel in het Hooggerechtshof zou beslissend kunnen zijn in de plannen van Donald Trump. Het Hooggerechtshof heeft immers de bevoegdheid om de wetten van het Congres die als niet-grondwettelijk worden beschouwd tegen te houden. De kandidaat die werd voorgedragen door Obama werd uiteindelijk niet gekozen, aangezien de verkiezingen voor de deur stonden. Het valt nog af te wachten of Trump erin zal slagen om een van zijn protegés te benoemen.

Tot slot zal de toepassing van het klimaatakkoord van Parijs een zware financiële last worden. De aankondiging van Trump om de Amerikaanse financiële steun aan de programma’s van de Verenigde Naties stop te zetten, is ook een belangrijk risico vanaf nu. De Verenigde Staten hebben in 2014 11,6 miljard dollar aan R&D voor het klimaat betaald. Ze ondersteunen voor 26,1 miljard dollar de klimaatmaatregelen volgens de American Recovery and Reinvestment Act van 2009. Ze hebben eveneens een eerste storting van 500 miljoen dollar gemaakt voor het Green Climate Fund, waarvoor ze 3 miljard dollar beloofden te storten. Hoewel dit op het eerste gezicht lage cijfers zijn in vergelijking met het bbp van het land, zijn ze belangrijk als je kijkt naar de omvang van de behoeften.

De snelheid waarmee het klimaatakkoord van Parijs werd geratificeerd, toont aan dat men zich terdege bewust is van het klimaatprobleem. Maar liefst 82 partijen die het akkoord hebben geratificeerd, bespreken momenteel de modaliteiten van de toepassing ervan. De overwinning van Trump zet ongetwijfeld een domper op de strijd tegen klimaatverandering. Laten we hopen dat de soep niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend.

_____________________________________________

Moeten we bang zijn van een ESG-rating voor beveks?

26/10/2016

“Help, mijn fonds gaat een ESG-rating krijgen!” Het wereldje van de beleggingsfondsen en beveks werd enkele maanden geleden door elkaar geschud. Morningstar kondigde toen aan dat het zijn databank zou uitbreiden met de ESG-ratings van fondsen.

Op basis van onderzoek naar milieu-, maatschappelijke en bestuurscriteria van het extra-financiële ratingbureau Sustainalytics kent Morningstar voortaan een ESG-rating toe aan de fondsen die in zijn databank zitten. Hoe beter het fonds scoort op het gebied van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur, hoe meer planeten het krijgt.

Deze aankondiging zorgde voor nogal wat ophef en levendige reacties bij asset managers, aangezien deze rating betrekking heeft op alle beleggingsfondsen behalve de fondsen die beleggen in staatsobligaties, los van het feit of ze al dan niet een duurzaam beleggingsbeleid voeren en ESG-selectiecriteria toepassen binnen hun beleggingsproces. We zullen het niet opnieuw hebben over het gebrek aan definitie van ‘maatschappelijk verantwoord beleggen’. Dat is immers een ander debat, maar de bekendmaking van de ESG-rating van een fonds zou kunnen suggereren dat deze rating moet worden verbeterd, wat niet ieders bedoeling is.

Als klap op de vuurpijl kondigde de voornaamste concurrent van Morningstar/Sustainalytics, MSCI ESG Ratings, een gelijkaardig initiatief aan, waarbij ook wordt gekeken naar de ESG-kwaliteit van de beleggingsfondsen, maar dit keer op basis van de extra-financiële ESG-research van MSCI ESG Ratings.

Het is duidelijk dat er een hevige concurrentie wordt gevoerd om het marktleiderschap. Maar wat is uiteindelijk de doelstelling van dergelijke initiatieven? Wat schuilt er achter die ESG-rating en waarom is de sector er zo bang voor?

Een solide en strikte methodologie

Ongeacht over welke leverancier van zogenaamde extra-financiële informatie het ook gaat, de hulpbronnen op het gebied van research zijn solide. Er zijn immers 140-150 analisten die de verschillende sectoren en regio’s onder elkaar verdelen, om de bedrijven zo goed mogelijk te kunnen analyseren op het vlak van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur. Ze concentreren zich op de meest materiële uitdagingen, in functie van hun respectieve sectoren, en kennen een rating toe aan elk van deze aspecten om de bedrijven te kunnen rangschikken van best voorbereid op ESG-uitdagingen tot minst voorbereid. Dat noemen we in het jargon van verantwoord beleggen een ‘best-in-class’-benadering.

Het beoordelingsproces, dat al sinds verschillende jaren bestaat, volgt voortdurend de vooruitgang op die op dat vlak geboekt wordt om zich zo steeds op de meest relevante en materiële criteria te kunnen richten.

We hebben het echter al eens gezegd op deze blog: de methodologie voor extra-financiële ratings voor bedrijven en de best-in-class-benadering hebben op verschillende vlakken de neiging om de voorkeur te geven aan internationale large caps. Dat gaat ten koste van de small caps, met name in de opkomende landen. Die voorkeuren komen uiteraard ook terug in de algemene rating van de beleggingsportefeuille.

Mijn fonds heeft drie wereldbollen, is dat goed of kan het beter?

Of de rating nu wordt toegekend in de vorm van een aantal wereldbollen (Morningstar) of een score van 0 tot 10 (MSCI ESG Ratings), wat betekent dit uiteindelijk voor de beleggers?

Waarschijnlijk niet erg veel. Het gaat hier immers over het gewogen gemiddelde van de ratings van individuele geanalyseerde bedrijven.

Eerst en vooral is het, net zoals bij elk gemiddelde, goed mogelijk dat een portefeuille belegd is in bedrijven met extreme profielen – met andere woorden, de slechtste bedrijven op het vlak van ESG-uitdagingen en de bedrijven die schoolvoorbeelden zijn op dat vlak – en dat men zo hetzelfde gemiddelde verkrijgt als een portefeuille die belegd zou zijn in geen enkel bedrijf onder aan het ESG-klassement maar zich tevreden zou stellen met bedrijven die een redelijk ESG-profiel hebben.

Vervolgens speelt de opvolging van de onderliggende effecten een belangrijke rol. Het zijn immers uitsluitend de effecten die worden opgevolgd door de researchagentschappen waarmee rekening wordt gehouden en de rating van de opgevolgde bedrijven wordt teruggebracht tot de totale score van de portefeuille. Met andere woorden, indien u belegd bent in een portefeuille die bestaat uit 4 multinationals die de nodige middelen hebben om de vragenlijsten in te vullen en te voldoen aan de eisen en programma’s van de onafhankelijke research en ook uit 25 Belgische en buitenlandse small caps die weinig opgevolgd worden, dan zal de rating van uw belegging uiteindelijk die van de 4 grote multinationals zijn. Die kan behoorlijk hoog liggen. Tezelfdertijd zal de portefeuille die belegd is in enkele mid caps, die doorgaans minder goede scores halen, een zwakkere totale rating van de portefeuille hebben doordat er misschien bedrijven in zitten die voortrekkers zijn op het vlak van milieu- of maatschappelijke duurzaamheid. Op die manier hebben bepaalde portefeuilles die fors belegd zijn in oliebedrijven een betere rating gekregen dan portefeuilles die belegd zijn in small caps die innovatief zijn op specifieke duurzaamheidsdomeinen.

We moeten bovendien ook aandacht hebben voor de categorie waarin uw beleggingsfonds is ondergebracht. Zo zal een wereldwijd fonds dat voornamelijk belegt in ontwikkelde landen waarschijnlijk een betere rating hebben dan een fonds dat eveneens wereldwijd belegt, maar meer is blootgesteld aan opkomende markten, aangezien er een sterke correlatie bestaat tussen de mate waarin men rapporteert en de ESG-kwaliteit. Hoe meer een bedrijf rapporteert over ESG-informatie, hoe hoger de ESG-kwaliteit. Men doet hier een poging om een ESG-model te standaardiseren, maar dat is niet altijd geschikt voor elke portefeuille en voor elke strategie. Indien men de score gaat terugbrengen tot een kwantitatief oordeel (planeten of een score van 0 tot 10) en vergelijkingen gaat maken, verliest de informatie aan detail en kan de diversiteit van de beleggingsbenaderingen minder goed tot zijn recht komen.

Er kan tot slot ook belangenvermenging ontstaan, waarbij de extra-financiële ratingbureaus geen slechte scores durven toe te kennen aan de bedrijven die hun cliënten zijn. Dat risico is echter kleiner, aangezien de extra-financiële ratingbureaus doorgaans vergoed worden door de beleggingsondernemingen die gebruikmaken van hun research voor hun beleggingsproces. De geanalyseerde bedrijven vergoeden de ratingagentschappen niet en hebben het recht om feedback te geven in verband met de rating en de controverses die hen worden verweten.

Het voordeel van de benadering … meer transparantie en bewustmaking

Hoewel ze forse kritiek krijgt van de vermogensbeheerders die uiteindelijk “niets gevraagd hadden”, heeft de benadering een dubbel voordeel. Ten eerste zal men door de bekendmaking van een bepaalde rating – die een zekere waarde heeft – stilstaan bij het nut ervan, en ook de oorsprong, de betekenis en de reden van bestaan. Hierdoor zullen beleggers meer nadenken over de integratie van de criteria op het vlak van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur in beleggingsbeslissingen.

Ten tweede, hoewel ze in enige mate simplistisch is, zorgt ze ook voor meer transparantie, wat op middellange en lange termijn alleen maar goed nieuws kan zijn voor de belegger. Dankzij deze aanvullende informatie en deze transparantie is verantwoord beleggen, dat systematisch ESG-criteria wil integreren in beleggingsbeslissingen, in opmars bij alle beleggingsvormen. Hierdoor wordt er meer rekening gehouden met deze factoren binnen de financiële kringen en is er bijgevolg een groter hefboomeffect.

Het is ook de rol van verantwoorde beleggers om verbeteringen voor te stellen en om de ratingagentschappen te ondervragen over hun ratingproces. Op die manier kunnen we samen een verantwoord financieel systeem gericht op de middellange en lange termijn stimuleren.

_________________________

Brexit : welke impact op duurzaamheid ?

26/9/2016

De Brexit heeft heel wat inkt doen vloeien, zowel voor als na de aankondiging van 23 juni.

Hoewel er heel wat onzekerheid blijft over de gevolgen, maar ook over de modaliteiten van de Brexit, met name de deadline, kunnen we toch eens stilstaan bij de mogelijke impact van de engagementen op het vlak van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur die het land genomen heeft, en in het bijzonder de invloed op het klimaatakkoord dat in december vorig jaar in Parijs werd bereikt.

Het engagement tegenover de VN-klimaattop (COP 21) in Parijs is genomen op Europees niveau.

Naast de doelstellingen voor 2020[1], heeft de EU ook de doelstellingen voor 2030 gedefinieerd. Concreet betekent dit een vermindering van 40 % van de uitstoot van broeikasgassen, een 27 % hogere energie-efficiëntie en een aandeel van 27 % hernieuwbare energie in het primaire energieaanbod. Deze doelstelling draait rond twee belangrijke assen waarbij ook het VK betrokken is: de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het aandeel van hernieuwbare energie in het energieaanbod. Hoewel het Verenigd Koninkrijk op dat laatste aspect vertraging heeft opgelopen, scoort het wel goed op het eerste criterium. De uitstap uit de EU heeft een invloed op het engagement voor 2030.

Hoewel het VK inderdaad niet meer is opgenomen in de geaggregeerde statistieken van de EU, zal die laatste ofwel verplicht zijn om zijn engagement neerwaarts te herzien, ofwel om meer inspanningen te vragen van de overblijvende leden om te compenseren. Volgens berekeningen van HSBC zouden de Lidstaten moeten zorgen voor een bijkomende vermindering van 7,6 % om ervoor te zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen met 40 % daalt. Het kan belachelijk lijken om dat te verdelen tussen 27 landen. Maar aangezien sommige landen die veel uitstoten zich hiertegen verzetten, is het verre van een eenvoudige taak. Bovendien wint de stem van de landen die veel uitstoten en die een zeker klimaatscepticisme aan de dag leggen, aan belang in het Europees Parlement na de uitstap van het VK, met name in het Oost-Europese blok. Dat brengt het engagement voor grotere inspanningen en dus ook om meer te investeren in de decarbonisatie van hun energiestelsels in het gedrang.

Hoewel dat toch gebeurde, kunnen we aannemen dat er eveneens een grotere impact zal zijn voor de bedrijven en sectoren die actief zijn in de Lidstaten die verplicht worden om bij te dragen tot de energietransitie. We kunnen zelfs nog verder gaan en ervan uitgaan dat er enkele delokalisaties zullen gebeuren naar regelgevingen die soepeler zijn op het vlak van uitstoot. Dat komt een beetje overeen met wat we zien op fiscaal vlak … naar het land dat het meeste biedt …

De EU kan ook aankondigen dat haar engagement neerwaarts wordt herzien, een boodschap die behoorlijk negatief zou zijn gelet op het belang van deze uitdaging en het spoedeisende karakter.

Dat neemt niet weg dat het Verenigd Koninkrijk zich eveneens sterk kan engageren op het vlak van klimaatverandering, met of zonder de EU. We moeten immers benadrukken dat het land in 2008 de Climate Change Act heeft goedgekeurd. Die blijft nog steeds van toepassing en mikt op een reductie van 80 % van de broeikasgassen tegen 2050. Bovendien bestaat er op nationaal niveau wel degelijk een comité voor klimaatverandering dat werkt aan de engagementen van het land op het gebied van de vermindering van de broeikasgassen en energie-efficiëntie. Zoals we hierboven reeds hebben aangehaald, heeft het VK op dat gebied aanzienlijke resultaten geboekt. In de periode 1990-2014 is het energieverbruik van het land met 10 % gedaald terwijl het bbp met 65 % is toegenomen. Ter vergelijking daalde het verbruik in de 28 EU-lidstaten met gemiddeld 4 % en steeg het bbp met 49 %. Ten slotte kan het VK het klimaatakkoord van Parijs als individueel land goedkeuren, net zoals elk ander land.

Het Verenigd Koninkrijk doet het beter dan de EU op het vlak van energie-efficiëntie in de periode 1990-2014

par-defaut-2016-09-15-a-16-11-33Op het gebied van hernieuwbare energie heeft het land nog werk voor de boeg en is er geen enkel risico dat de doelstellingen van de EU vertraging oplopen. Hernieuwbare energie vertegenwoordigde in 2014 immers slechts 6,93 % van het primaire energieaanbod in het Verenigd Koninkrijk, in vergelijking met 12,53 % in de Europese Unie. De evoluties, met name het engagement van de regering om meer in te zetten op kernenergie en gas, doen vermoeden dat het land noch de doelstelling van 2020 noch die van 2030 zal halen.

De talrijke onzekerheden als gevolg van de Brexit roepen ook verschillende vragen op over de mogelijke invloed op het vlak van het milieu-engagement, met name het klimaatakkoord van Parijs, dat als historisch wordt beschouwd voor de bewustwording van het koolstofrisico.

Hoewel er veel onzekerheid heerst op dit vlak en er meerdere scenario’s mogelijk zijn, moeten we erkennen dat het voornaamste risico op korte termijn de laattijdige goedkeuring van het klimaatakkoord door de EU is. Ter herinnering, het klimaatakkoord dat in december jongstleden werd bereikt, wordt van kracht indien het wordt goedgekeurd door ten minste 55 partijen die minimaal 55 % vertegenwoordigen van de globale uitstoot van de planeet. Hoewel 197 partijen het vandaag hebben toegepast, werd het akkoord eind juni slechts goedgekeurd door 19 partijen die samen 0,18% van de globale uitstoot vertegenwoordigden. De EU moet 28 lidstaten en 12,1% van de uitstoot vertegenwoordigen en hierdoor een belangrijke bijdrage leveren tot het slagen van de goedkeuring. De Brexit zorgt ervoor dat deze goedkeuring vertraging oploopt en de doelstelling van de 55 partijen en 55 % van de uitstoot verder weg lijkt. Hoewel het klimaat niet de prioriteit is van de discussies over de uitstapmodaliteiten, blijft klimaatverandering een actuele uitdaging die een globaal, ambitieus en spoedig antwoord vereist.

[1] De EU engageert zich voor een vermindering van 20 % van de uitstoot van de broeikasgassen, een verbetering van 20 % van de energie-efficiëntie en een aandeel van 20 % van hernieuwbare energie in de energievoorziening. De opgesomde doelstellingen moet men interpreteren in verhouding tot het referentiejaar 1990.

__________________________________

Principes voor Verantwoord Beleggen van de Verenigde Naties: al 10 jaar oud!

25/7/2016

De Principes voor Verantwoord Beleggen, gesponsord door de Verenigde Naties, vieren dit jaar hun tiende verjaardag. Gezien de indrukwekkende stijging van het aantal ondertekenaars en de activa onder beheer, zijn de zes principes duidelijk een succes.

Grafiek : Evolutie van de ondertekenaars van de Principes voor Verantwoord Beleggen (UN PRI)

par défaut 2016-07-20 à 14.19.26

Ter herinnering, de zes principes willen best practices bevorderen om de toepassing van ESG-criteria (milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur) te stimuleren en om een duurzamer financieel systeem te promoten dat meer op de lange termijn gericht is.

Hoewel de principes niet bindend zijn maar eerder richtinggevend, zijn de ondertekenaars van de PRI sinds twee jaar verplicht om verslag uit te brengen over de toepassing van de principes binnen de organisatie. Deze verplichte rapportage is voor de PRI al een eerste succes geweest, doordat ze er een zeker gewicht aan toekennen. Bovendien vormt de vooruitgang van de PRI op basis van deze jaarlijkse rapportage ook een manier om na te gaan of de toepassing van de principes in gunstige zin evolueert. De ondertekenaar wordt op de hoogte gebracht van de vooruitgang die werd geboekt bij de toepassing van de principes. Die wordt dan vergeleken met de andere ondertekenaars met een gelijkaardige omvang of met de partijen die in hetzelfde jaar ondertekend hebben. Er wordt ook gekeken welke verbeteringen er nog gedaan kunnen worden.

Het engagement voor de PRI verklaart de toenemende integratie van ESG-criteria in beleggingsbenaderingen, of ze nu een formele duurzame doelstelling hebben of niet. Bovendien is het ook een incentive geweest voor beleggers om meer hun verantwoordelijkheid als aandeelhouder op te nemen en motiveert het gedeeltelijk de toename van aandeelhoudersengagementen ten overstaan van de bedrijven. Het biedt ook de gelegenheid om samen met andere ondertekenaars aanwezig te zijn op een platform dat samenwerking mogelijk maakt, en dat is een grote troef voor kleinere spelers.

Vandaag doen de PRI een beroep op hun ondertekenaars, om de doelstelling voor het komende decennium te bepalen. De eerste doelstelling bestond erin om de financiële wereld bewuster te maken over het belang van ESG-doelstellingen. De volgende, getiteld “van bewustwording naar impact”, wil meer impact krijgen en tastbare resultaten neerzetten om een eerlijkere en duurzamere economische ontwikkeling te behalen. De projecten en initiatieven zullen begin 2017 worden voorgesteld op basis van de voorstellen die worden gedaan in de communicatie aan de ondertekenaars. Er werden reeds bepaalde pistes voor verbetering geïdentificeerd, zoals duidelijker gedefinieerde doelstellingen en ambities of het streven naar een grotere impact op de ‘echte wereld’. Er wordt ook nagedacht over de integratie van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties met de PRI.

Door te overleggen met de ondertekenaars van de PRI worden de actoren van de financiële wereld opnieuw bewuster gemaakt van de noodzaak om de financiële wereld duurzamer te maken en meer op de lange termijn te richten. Daar kunnen we alleen maar blij om zijn!

_____________________________________________

Welke lessen kunnen we trekken uit drie jaar duurzaamheidsanalyse van opkomende landen?

23/6/2016

In 2013 leek het ontwikkelingsniveau van opkomende landen niet voldoende om hun duurzaamheid te evalueren.

Welnu, na drie jaar analyse door onze experts lijkt het onderwerp wel zijn relevantie te hebben aangetoond!

Een benadering op maat van de opkomende landen

Om te kunnen omgaan met de specifieke eigenschappen van de opkomende landen, werd de duurzaamheidsmethodologie uiteraard aangepast aan de problematieken van het universum. Hoewel het model gebaseerd is op de vijf grote duurzaamheidspijlers, namelijk transparantie en democratische waarden (1), bevolking, gezondheidszorg en welvaartsverdeling (2), milieu (3), onderwijs/innovatie (4) en economie (5), zijn de parameters verschillend en zijn ze gericht op de grote uitdagingen waarmee deze landen geconfronteerd worden. We denken dan aan toegang tot schoon water, basisonderwijs en respect voor politieke rechten en burgerlijke vrijheden.

par défaut 2016-06-15 à 15.41.39Bovendien wordt de ontwikkelde methodologie elk halfjaar herzien door een denktank met externe experts om ervoor te zorgen dat het model constant verbeterd wordt. Zo zijn over de laatste drie jaar de informatiebronnen sterk verbeterd, en is er steeds meer informatie voorhanden voor een groter aantal landen. Bovendien is de methodologie ook steeds beter geworden, met name door het toevoegen van bijkomende indicatoren en de toename van het aantal geanalyseerde landen. Dat aantal is immers gestegen van 84 landen in 2013 tot 87 vandaag.

Het evalueren van de vooruitgang, essentieel binnen het geanalyseerde universum

De laatste verbetering van de methodologie heeft betrekking op de weging van de trendindicator in de evaluatie van de duurzaamheidsprestaties van de landen. De bedoeling van de trendindicator is om na te gaan hoe een land evolueert en vooruitgang boekt op de verschillende duurzaamheidsassen. Dat wordt bekeken aan de hand van de vooruitgang die de afgelopen drie jaar werd geboekt. In het jongste klassement is het gewicht van die trendindicator verhoogd van oorspronkelijk 25 % naar 50 % vandaag. Dat betekent dat de vooruitgang die een land boekt even belangrijk is als zijn absolute positie.

Een analyse die zeker relevant is!

Hoewel talrijke waarnemers denken dat het te vroeg was om de duurzaamheid van opkomende landen te bekijken, tonen de analyses van de performance van dit universum aan dat een dergelijke aanpak zeker een toegevoegde waarde heeft.

Door zich eerst en vooral te richten op de aspecten transparantie en democratische waarden, zorgt de methodologie ervoor dat er een eerste inschatting kan worden gemaakt van de politieke context van het land en zijn stabiliteit. Er wordt met name gekeken naar de kwaliteit van de overheidsinstellingen, de transparantie of zijn gebrek daaraan (mate van corruptie en persvrijheid), en de eerbied van de fundamentele rechten van de bevolking (politieke rechten en burgerlijke vrijheden). De analyse van de bevolking en haar welzijn brengt eveneens zwaktes alsook de ontevredenheid van de bevolking in kaart. Deze kunnen instabiliteit teweegbrengen, wat nefast is voor investeringen.

In het kader van een investering in overheidsschuld, zijn performance en het verminderen van de risico’s erg belangrijk. De bijdrage van de duurzaamheidsfilter wordt belangrijker naarmate de markten volatieler en pessimistischer zijn, en dat toont aan dat een dergelijke tool kan zorgen voor een beter begrip van de risico’s.

par défaut 2016-06-15 à 15.42.08Een zekere voorspelbaarheid?

De evolutie van bepaalde landen in de afgelopen drie jaar is eveneens interessant in het licht van een potentiële investering.

Nemen we bijvoorbeeld Argentinië, dat onlangs opnieuw op de internationale kapitaalmarkten is gekomen, met verbazend succes.

Argentinië, dat een schoolvoorbeeld is van een land dat zijn staatspapier in faling zag gaan, is zeer recent teruggekeerd naar de internationale schuldmarkten met obligaties op 3, 5, 10 en 30 jaar. De emissie, die samenviel met een verhoging van de kredietwaardigheid door de drie belangrijkste ratingbureaus, kende een ongezien succes waarbij 15 miljard dollar werd opgehaald.

Eind maart sloot de Argentijnse senaat de uitvoering af van een akkoord dat in februari werd gesloten tussen de overheid en de houders van Argentijns schuldpapier, die slachtoffer waren van de helaas befaamde default in 2001 en die een haircut van 70 % hadden geweigerd tijdens de onderhandelingen in 2005 en 2010. De afsluiting van dit dossier was noodzakelijk om ervoor te zorgen dat Argentinië opnieuw toegang zou krijgen tot de internationale kapitaalmarkten, na 15 jaar uitgesloten te zijn geweest.

De verschillende stappen werden positief onthaald door beleggers en kredietbureaus, aangezien ze aangeven dat het land een betere solvabiliteit en liquiditeit heeft. Desondanks geven de duurzaamheidsanalyse en de evolutie ervan tijdens de afgelopen drie jaar niet het nodige vertrouwen om opnieuw in Argentijnse schuld te gaan beleggen. De duurzaamheid van het land evolueert immers niet in positieve zin. Integendeel, het land is in de afgelopen drie jaar 17 plaatsen gedaald. Met betrekking tot economische duurzaamheid, bengelt het land onderaan het klassement, op ruime afstand van buurland Chili. Met uitzondering van het tekort op de lopende rekening liggen de prestaties van het land een heel eind onder het gemiddelde van het geanalyseerde universum. Het gebrek aan competitiviteit van de economie hangt nauw samen met de problematieken op het vlak van transparantie en democratische waarden. De vergaande institutionele crisis is met name het resultaat van een gebrekkig bestuur, corruptie en ethische kwesties, en dus ook van een repressief economisch beleid. Het land daalt in het klassement op het vlak van corruptie, maar ook op het vlak van politieke rechten en burgerlijke vrijheden. Er is bovendien ook een sterke ongelijkheid binnen de bevolking. De gezondheidszorg en de vruchtbaarheidsgraad liggen eveneens onder het gemiddelde van het universum. De levensverwachting gaat bovendien achteruit. Daardoor ligt het land bijvoorbeeld ver achter op zijn Chileense buur.

Op het vlak van onderwijs mogen we echter hoop koesteren. Hoewel de uitgaven in dat domein laag blijven, is het merendeel van de bevolking geletterd, meer dan in Chili, en het aantal kinderen dat het basisonderwijs heeft afgemaakt ligt relatief hoog, en is opnieuw beter dan in Chili.

De Argentijnse schuld ligt op het moment dat dit artikel wordt geschreven bijna even hoog als de Braziliaanse schuld. Dat is moeilijk te verantwoorden vanuit duurzaamheidsoogpunt.

In de afgelopen drie jaar moeten we ook de concrete resultaten van de Millenium Development Goals benadrukken. Die zijn bijzonder zichtbaar op het vlak van kindersterfte, onderwijs (toegang tot het onderwijs), toegang tot water en het terugdringen van armoede. De behaalde resultaten, in combinatie met de toename van het gewicht van de trendindicator naar 50 %, heeft er met name voor bepaalde Afrikaanse landen voor gezorgd dat ze fors zijn gestegen in het klassement. We moeten de opvolgers van de Millenium Development Goals van nabij opvolgen, met name de Sustainable Development Goals. We mogen hun directe impact op de duurzaamheidsassen niet onderschatten.

Er is geen twijfel dat een duurzaamheidsanalyse toegevoegde waarde creëert voor elke beleggingsbeslissing.

_____________________________________________

Wat is de waarde van de duurzaamheid in emerging markets?

18/5/2016

Duurzaamheidsanalyse in opkomende landen is erg zinvol! De volgende vijf pijlers definiëren de duurzaamheid van een land: transparantie en democratische waarden (1), bevolking, gezondheidszorg en welvaartsverdeling (2), milieu (3), onderwijs/innovatie (4) en economie (5). Het is natuurlijk belangrijk om de bijzondere kenmerken van de opkomende landen te kennen en om de methodologie aan te passen aan de specifieke problematieken van het universum. De doelstelling is dus om de voornaamste uitdagingen te identificeren waarmee deze economieën worden geconfronteerd, en zo te bepalen welke economieën het beste in staat zijn een duurzame groei te realiseren. Wanneer een land een groei met twee cijfers optekent terwijl het niet kan voorzien in de primaire en levensnoodzakelijke behoeften van de bevolking, komt de duurzaamheid van de groei op middellange en lange termijn in het gedrang.

De parameters zijn verschillend en richten zich op de grootste uitdagingen van deze economieën, zoals toegang tot water, basisonderwijs en het naleven van politieke rechten en burgerlijke vrijheden. Bovendien wordt de methodologie elk halfjaar herzien door een denktank met externe experts om ervoor te zorgen dat het model constant verbeterd wordt. Zo zijn over de laatste drie jaar de informatiebronnen sterk verbeterd, en is er meer informatie voorhanden voor een groter aantal landen. Bovendien is de methodologie ook steeds beter geworden, met name door het toevoegen van bijkomende indicatoren en de steeds uitgebreidere analyse van landen, die tussen 2013 en 2016 steeg van 84 naar 87 economieën.

Hoewel het volgens sommigen te vroeg kan lijken om de duurzaamheid van opkomende landen te bekijken in het licht van maatschappelijk welzijn, milieu en deugdelijk bestuur, aangezien ze nog in volle groei zijn, is het wel relevant om stil te staan bij de groeidynamiek en de vooruitgang die deze landen hebben geboekt. Zo moet het aspect ‘evolutie’ integraal deel uitmaken van het analysemodel. Na rijp beraad hebben we zelfs besloten om het gewicht van deze trendindicator op te trekken tot 50 %, waarmee we willen aantonen dat voor opkomende landen de vooruitgang die de afgelopen jaren werd geboekt ons even belangrijk lijkt als de huidige resultaten.

Hoewel veel waarnemers denken dat het te vroeg was om de duurzaamheid van opkomende landen te bekijken, tonen de analyses van de performance van het universum aan dat een dergelijke aanpak zeker een toegevoegde waarde heeft.

Door zich eerst en vooral te richten op de aspecten transparantie en democratische waarden, zorgt de methodologie ervoor dat er een eerste inschatting kan worden gemaakt van de politieke context van het land en zijn stabiliteit. Er wordt met name gekeken naar de kwaliteit van de overheidsinstellingen, hun transparantie of het gebrek daaraan (mate van corruptie en persvrijheid), en de eerbied van fundamentele rechten van de bevolking (politieke rechten en burgerlijke vrijheden). De analyse van de bevolking en haar welzijn brengt eveneens zwaktes alsook de ontevredenheid van de bevolking in kaart. Deze kunnen instabiliteit teweegbrengen, wat nefast is voor investeringen.

De evolutie van bepaalde landen in de drie afgelopen jaren is eveneens interessant in het licht van de actualiteit. Nemen we bijvoorbeeld Argentinië, dat onlangs opnieuw op de internationale kapitaalmarkten is gekomen, met verbazend succes. Argentinië, dat een schoolvoorbeeld is van een land dat zijn staatspapier in faling zag gaan, is zeer recent teruggekeerd naar de internationale schuldmarkten met obligaties op 3, 5, 10 en 30 jaar. De emissie, die samenviel met een verhoging van de kredietwaardigheid door de drie belangrijkste ratingbureaus, kende een ongezien succes waarbij 15 miljard dollar werd opgehaald. Eind maart sloot de Argentijnse senaat de uitvoering af van een akkoord dat in februari werd gesloten tussen de overheid en de houders van Argentijns schuldpapier, die slachtoffers waren van de helaas befaamde default in 2001 en die een haircut van 70 % hadden geweigerd tijdens de onderhandelingen in 2005 en 2010. De afsluiting van dit dossier was noodzakelijk om ervoor te zorgen dat Argentinië opnieuw toegang zou krijgen tot de internationale kapitaalmarkten, na 15 jaar uitgesloten te zijn geweest.

De verschillende stappen werden positief onthaald door beleggers en kredietbureaus, aangezien ze aangeven dat het land een betere solvabiliteit en liquiditeit heeft. Desondanks geven de duurzaamheidsanalyse en de evolutie ervan tijdens de afgelopen drie jaar niet het nodige vertrouwen om opnieuw in Argentijnse schuld te gaan beleggen. De duurzaamheid van het land evolueert immers niet in positieve zin. Integendeel, het land heeft in de afgelopen drie jaar 17 plaatsen verloren. Met betrekking tot economische duurzaamheid, bengelt het land onderaan het peloton, op ruime afstand van buurland Chili. Met uitzondering van het tekort op de lopende rekening liggen de prestaties van het land een heel eind onder het gemiddelde van het geanalyseerde universum. Het gebrek aan competitiviteit van de economie hangt nauw samen met het gebrek aan transparantie en democratische waarden. De vergaande institutionele crisis is met name het resultaat van een gebrekkig bestuur, corruptie en een ethische kwestie. Dat leidt bijgevolg tot een repressief economisch beleid. Het land daalt in het klassement wat betreft corruptie, maar dat geldt ook voor de politieke rechten en burgerlijke vrijheden. Er is bovendien ook een sterke ongelijkheid binnen de bevolking. De preventie inzake gezondheid en de vruchtbaarheidsgraad liggen eveneens onder het gemiddelde van het universum. De levensverwachting gaat achteruit. Daardoor ligt het land bijvoorbeeld ver achter op zijn Chileense buur.

Op het vlak van onderwijs mogen we echter hoop koesteren. Hoewel de uitgaven in dat domein laag blijven, is het merendeel van de bevolking geletterd, meer dan in Chili, en het aantal kinderen dat het basisonderwijs heeft afgemaakt ligt relatief hoog, en is opnieuw beter dan in Chili.

Dankzij deze analyse kunnen we nagaan of een belegging in Argentijns schuldpapier duurzaam is. De tijd zal uitwijzen of het engagement voor een nieuw beleid werkelijkheid is.

Net zoals voor de andere landen, zal het van belang zijn om de komende jaren te kijken naar de resultaten in plaats van de aankondigingen. Dat toont het echte engagement aan van een land in het licht van de huidige uitdagingen. De overheden hebben duidelijk ook een belangrijke rol te spelen en moeten hun verantwoordelijkheid opnemen.

_________________________

Debat over beleggingsoplossingen in het kader van lage rentevoeten en scherpere eisen

20/4/2016

Marktparticipanten en houders en beheerders van activa stellen zich vragen bij meer actief beheer en het gebruik van afgeleide producten om een antwoord te bieden op de ultralage rentevoeten. Er zijn weinigen die de scherpere eisen van verantwoord beleggen in verband brengen met de context van lage rentevoeten. Bovendien leidt de zoektocht naar elk basispunt en de jacht op kosten ertoe dat de plaats die wordt toegekend aan een duurzame allocatie vermindert.

Twee reacties in dit verband:

  • Duurzaam beleggen zou niet mogen worden beschouwd als een niche waaraan slechts een klein deel van de allocatie van een portefeuille wordt gewijd. Integendeel, verantwoord beleggen moet worden opgenomen binnen het beheer als een echte beheerstool.
  • Duurzaam beleggen is geen kostenpost als gevolg van een vermindering van de diversificatie van de universums. Het draagt immers bij tot de optimalisatie van de risico-/rendementsverhouding, waardoor er net rendement kan worden gemaakt tegen de achtergrond van lage rentevoeten, maar niet tegen gelijk welke prijs.

In het kader van actief beheer biedt verantwoord beleggen dat is geïntegreerd in het beleggingsproces, zowel aan het begin als het einde van de waardeketen een andere kijk op beleggingen. Hierdoor gaan mensen zich meer vragen stellen over de werkelijke bedoelingen van het management en het businessplan en gaan ze dus ook de vergoeding van het genomen risico beter begrijpen.

In het kader van de ultralage rentevoeten, die nu al een tijdje een marktgegeven zijn, is verantwoord beleggen een optie om in overweging te nemen.

De zoektocht naar rendement heeft heel wat beleggers eind 2012 in de richting van schuldpapier van opkomende landen geduwd. In die activaklasse is een duurzame en verantwoorde beleggingsaanpak bijzonder zinvol, aangezien hierdoor de meest risicovolle landen en meest instabiele schulden kunnen worden geïdentificeerd.

De drie afgelopen jaren, die werden gekenmerkt door een uitgesproken instabiliteit van het schuldpapier uit opkomende landen, hebben we de bijdrage van onze duurzaamheidsfilter van de landen kunnen aantonen. Door dieper in te gaan op duurzaamheidsdimensies zoals transparantie en democratische waarden (1), bevolking, gezondheidszorg en welvaartsverdeling (2), milieu (3), onderwijs/innovatie (4) en economie, kunnen we de landen identificeren die het verst staan op het gebied van duurzaamheid, en een betere inschatting maken van de risico’s waarmee de minder goed geplaatste landen geconfronteerd worden. Er werd aangetoond dat de filter een aanzienlijke bijdrage heeft tot de alfa van de strategie in neergaande markten, aangezien hij een stabiliserende factor is en extreme risico’s uitschakelt. Hierdoor daalt de portefeuille in mindere mate dan de markten (bèta lager dan één). In opgaande markten is deze bijdrage minder groot, waardoor de expertise op het vlak van het beheer een grotere bijdrage kan leveren tot de waardecreatie. Ze blijft echter wel positief, zodat de portefeuille deelneemt aan de rally met een bèta gelijk aan één.

De lage rentevoeten houden ook aan omdat de groei zwak is. In een dergelijke omgeving is het aangewezen om op zoek te gaan naar bedrijven van hoge kwaliteit. Duurzame bedrijven maken hier de facto deel van uit. Dit zijn bedrijven die op lange termijn kunnen overleven en dus rekening houden met de uitdagingen op het gebied van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur waarmee ze geconfronteerd worden. Enerzijds kan de analyse op het gebied van verantwoord beleggen extreme risico’s helpen vermijden door bedrijven die niet goed voorbereid zijn op de uitdagingen van morgen te identificeren.

Anderzijds zijn de bedrijven die zullen overleven degene die innoveren en de huidige uitdagingen beschouwen als de opportuniteiten van morgen. Bedrijven van hoge kwaliteit worden vaak gelijkgesteld met dure aandelen. Hoewel de waardering inzake koers-winstverhouding hoog kan lijken in vergelijking met de sectorgenoten, moet het hogere groeipotentieel op middellange en lange termijn niet onderschat worden. Beleggers zijn bereid om meer te betalen voor groei. Deze bedrijven zijn erg innovatief, competitief en beschikken over meer prijszettingskracht dan hun sectorgenoten, met name dankzij aanzienlijke instapdrempels. Op middellange en lange termijn zijn het de winsten van de bedrijven die de waardecreatie voor aandeelhouders bepalen. Die zijn bijgevolg bereid om een hogere premie te betalen voor een meer consistente winstgroei.

De selectie van individuele waarden is dus bijzonder belangrijk, en de interactie tussen de beheersexpertise en verantwoord beleggen is van essentieel belang om een globale analyse te maken van een bedrijf en alle uitdagingen waarmee het wordt geconfronteerd in kaart te brengen. Daarom is duurzaam beleggen geen niche, maar een geïntegreerde benadering die een onderneming als geheel bekijkt, in het licht van alle stakeholders.

Verantwoord beleggen is dus een hulpmiddel voor het beheer om rendement te behalen met een berekend risico, en biedt op zich een antwoord op de lage rentevoeten.

_________________________________

Corruptie brengt niet op?

17/3/2016

Dat is een interessante conclusie van de bijzonder gerenommeerde Harvard Business School[1].

Terwijl heel wat mensen blijven geloven dat het onmogelijk is om in bepaalde regio’s van de wereld zaken te doen zonder smeergeld te betalen, heeft deze studie de unieke kans gehad om toegang te krijgen tot vertrouwelijke gegevens over de strijd tegen corruptie. Er werd een steekproef geanalyseerd van bijna 480 multinationals in 32 landen. Hoewel corruptie de lokale omzet wel een duwtje in de rug geeft, is het globale effect op de financiële parameters van een bedrijf onbestaande.

De omzetgroei over de laatste drie jaren van de bedrijven die de meest uitgewerkte programma’s tegen corruptie hebben, bedraagt gemiddeld 2,6 %, tegenover een gemiddelde groei van 14,1 % voor de bedrijven met de minste scrupules. Dat vertaalt zich echter niet in een superieur aandelenrendement voor die laatste en toont aan dat de kostprijs van corruptie niet wordt gecompenseerd door een omzetstijging.

In het licht van de verdeelde meningen die bestaan over lokale corruptiepraktijken, veronderstelden bedrijfsleiders vaak op een conventionele manier dat er in grote delen van de wereld geen keuze bestond en dat compensatiemethodes die traditioneel gebaseerd waren op omzetgroei deze aanpak verder hebben versterkt. Nochtans, zoals het aandelenrendement al aangeeft, worden de kosten van contracten die op een corrupte manier werden binnengehaald niet gecompenseerd door de winst die wordt gehaald op omzettoenames. Bovendien is het reputatierisico aanzienlijk aangezien het bemiddelingsrisico hoger is. De studie toont immers aan dat de eerste helft van het bestudeerde klassement niet in de pers in verband werd gebracht met een corruptiezaak terwijl 25 % van de rest van de steekproef de afgelopen drie jaar werd vernoemd in minstens vijf persartikels die te maken hebben met corruptie.

Voor hun onderzoek hadden de auteurs George Serafeim en Paul Healy toegang tot de corruptie-indices van bedrijven, opgesteld door de ngo Transparency International. Transparency International publiceert immers elk jaar een allesomvattende studie over de mate van corruptie binnen multinationals en baseert zich daarbij op 14 indicatoren die betrekking hebben op de strategie voor de strijd tegen corruptie, het beleid daaromtrent en de controlesystemen. De twee auteurs hebben de indicatoren van Transparency International, die gebaseerd zijn op het principe van zelfrapportage, eveneens aangevuld met hun eigen onderzoek, met name naar de regelgeving die van toepassing is en de opvolging van de strijd tegen corruptie. Ze hebben ook gekeken naar de risico’s die corruptie met zich meebrengt, zoals de mate waarin smeergeld voorkomt in bepaalde sectoren of landen van oorsprong van de bedrijven. Ten slotte hebben ze de bestuursmodellen van bedrijven tegen het licht gehouden, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de raden van bestuur. Hun eigen factoren hebben duidelijk aangetoond dat zelfrapportage en de scores van Transparency International een goede weergave zijn van het engagement voor de strijd tegen corruptie.

De strijd tegen corruptie wint aan belang. De factuur wordt steeds gepeperder, of het nu voor een overheid is of voor een bedrijf. Voor bedrijven is de financiële boete immers afhankelijk van de inkomsten en wordt ze niet langer geplafonneerd. Voor overheden creëert corruptie een omgeving die weinig gunstig is voor zakendoen, met directe gevolgen voor het welzijn van de bevolking en met aanzienlijke risico’s op instabiliteit. Zodoende hekelt Transparency International corruptie als een van de belangrijkste oorzaken van de vluchtelingencrisis, de grootste waarmee de Europese landen worden geconfronteerd sinds de Tweede Wereldoorlog. Mensensmokkelaars betalen immers smeergeld aan douanebeambten om valse paspoorten en visums te krijgen. Deze illegale handel heeft een geschatte waarde van enkele miljarden dollars. Corruptie tiert er welig, van de aanvang van de reis tot de eindbestemming.

Corruptie is uiteraard niet de enige oorzaak van deze massale volksbewegingen. Dat neemt echter niet weg dat een wijdverspreide corruptie de legitimiteit en stabiliteit van een regering in het gedrang brengt, zeker wanneer die er niet in slaagt om een antwoord te bieden op de primaire behoeften van de bevolking.

Elk jaar publiceert de ngo haar klassement van de perceptie van beleidsmakers over corruptie in 168 landen. Deze informatie is van essentieel belang voor de duurzaamheid van een land, maar ook om na te gaan in welke mate bedrijven die actief zijn in de meest corrupte landen schade kunnen oplopen.

De uitdagingen die verband houden met corruptie zijn belangrijke criteria voor een belegger, of hij nu aandeel- of obligatiehouder is. Een verwittigd belegger is er twee waard.

[1] An Analysis of Firms’ Self-Reported Anticorruption Efforts

Paul M. Healy and George Serafeim, Harvard University

_________________________

Vennootschapsbelastingen: wanneer transparantie een vereiste is

10/2/2016

We hadden het reeds aangehaald in onze vier ESG-thema’s voor dit jaar: bedrijven worden geconfronteerd met een toenemende vraag naar transparantie over hun fiscale zaken. Of die druk nu afkomstig is van consumenten en burgers om te beantwoorden aan een zekere morele burgerlicentie om te kunnen werken, of van de regelgevers, die zich steeds ondernemender tonen en initiatief nemen, of van boetes en andere straffen, bedrijven moeten zich steeds transparanter en verantwoordelijker opstellen.

Enerzijds heeft de OESO haar Base Erosion and Profit Shifting Action Plan (BEPS) geïmplementeerd, dat via vijftien maatregelen wil strijden tegen illegale fiscale praktijken.

Anderzijds neemt de Europese Commissie het onderwerp eveneens ter harte, door een richtlijn uit te vaardigen die in het verlengde ligt van het BEPS, maar ook door de lidstaten te veroordelen voor oneerlijke concurrentie. België heeft daar onlangs de tol voor moeten betalen. Volgens een studie van het Europees Parlement zou de schade voor de lidstaten oplopen tot 50 à 70 miljoen euro per jaar.

De uitdaging is groot, maar de opdracht is ingewikkeld. Het is immers behoorlijk complex om een duidelijke lijn te trekken tussen belastingontwijking en fiscale optimalisatie. Vandaag gebeuren heel wat fiscale optimalisatiepraktijken binnen een volstrekt wettelijk kader en in volle transparantie met de bevoegde autoriteiten.

Bovendien hangt het succes van de vijftien maatregelen van de OESO in grote mate af van de coherentie en vooral van de samenwerking en de informatie die de verschillende staten uitwisselen inzake de toepassing van het programma en de afgesloten akkoorden tussen de toezichthouders en de bedrijven. Het gaat hier dus hoofdzakelijk over internationale normen die waarschijnlijk zullen worden beschouwd als best practices, maar het bindende en uniforme karakter van de implementatie ervan blijft afhankelijk van de goede wil van de lidstaat, terwijl voor heel wat van die landen de vennootschapsfiscaliteit een centrale pijler blijft van hun economische ontwikkelingsstrategie.

Een ander debat: het feit of die informatie al dan niet wordt gepubliceerd. Hoewel de maatregelen van de OESO eerder in de richting gaan van een interne publicatie ten bate van de fiscale autoriteiten, zou de EU eerder kunnen streven naar een publieke bekendmaking ervan, en dus het risico kunnen veroorzaken dat de gegevens in verkeerde handen vallen en kunnen worden geraadpleegd door mensen die minder bekwaam zijn om ze op een relevante en correcte manier te interpreteren. Een ander risico is dat de concurrentie gebruik gaat maken van gevoelige informatie. De fiscale autoriteiten blijven waarschijnlijk het best geplaatst om de informatie te verzamelen en te beoordelen.

Hoewel de impact van deze maatregelen op de bedrijven moeilijk meetbaar is, heeft het initiatief wel degelijk een reden van bestaan, in het bijzonder de fiscale rapportage per individueel land. Vandaag verplicht de CRD IV-richtlijn de Europese banksector om gegevens per land te publiceren, wat al een idee geeft van over welk soort informatieverplichting het gaat. De financiële instellingen van de Unie moeten sinds juli 2014 een rapportage maken van hun inkomsten per land, het aantal werknemers en bijkantoren, en eveneens van hun winsten, belastingen en openbare subsidies die ze ontvangen hebben in hun belastingaangifte 2015.

We herinneren eraan dat de rapportage per land de zwakke schakel is in de inspanning die wordt geleverd om bedrijven transparanter te maken, wat wordt aangetoond door het jaarlijkse klassement van Transparency International.

De rapportagenormen variëren bovendien ook van de ene jurisdictie tot de andere, wat vergelijkingen maken nog bemoeilijkt.

De rapportage per land zou beleggers meer transparantie geven over de betaalde belastingen, maar zou er ook voor zorgen dat ze een beter idee krijgen van de blootstelling aan bepaalde landen, met name die landen die een zwakker bestuur vertonen, een hoger corruptierisico of zelfs een mogelijke schending van fundamentele principes zoals de mensen- en arbeidsrechten kennen, en ESG-risico’s in het algemeen vertonen.

De wil om transparanter te zijn, moet worden aangemoedigd en kan ook worden beoordeeld aan de hand van andere domeinen dan fiscaliteit, wat een complex en gevoelig onderwerp is. De transparantie van het management over de samenstelling van de raad van bestuur, de bezoldigingsprocessen, het beleid inzake corruptiepreventie of de maatregelen die worden toegepast op alle bedrijfsniveaus, met inbegrip van de bijkantoren en de onderaannemingsketen. Fiscale transparantie is hier ook niet helemaal vrij van een bepaalde mate van greenwash aangezien dit onderwerp voor pure marketingdoeleinden kan worden gebruikt. Dat neemt echter niet weg dat het verdedigen van correct fiscaal gedrag vandaag deel moet uitmaken van de fiduciaire verantwoordelijkheid van een bedrijf. Bovendien maakt de fiscale strategie van een bedrijf voortaan deel uit van de methodologie van de duurzame Dow Jones-indexen.

Vanuit het standpunt van de integratie van ESG-criteria zullen we eveneens aandacht besteden aan de stabiliteit van het fiscale kader waarin een bedrijf actief is. Het is immers soms bijzonder moeilijk voor een bedrijf om te anticiperen op zijn fiscaliteit en die te plannen – laat staan te optimaliseren – aangezien het fiscale kader van de landen constant wijzigt. Hoewel verschillende landen maatregelen nemen om te strijden tegen fiscale erosie, zoals het Verenigd Koninkrijk en zijn beruchte Googletaks, of Ierland, dat zich zou enten op de initiatieven van de OESO, mogen we niet uit het oog verliezen dat deze initiatieven over het algemeen samengaan met een verlaging van de nominale belastingvoeten. De Britse regering heeft immers voorgenomen om de belastingvoet te verlagen van 28 % tot 20 % over de periode 2008-2015 en tot 18 % tegen 2020.

Zoals eerder gezegd, hoewel de goede leerlingen nog niet geprofiteerd hebben van hun betere gedrag in vergelijking met anderen, zal fiscale transparantie een steeds belangrijker onderscheidend criterium worden en op middellange en lange termijn zijn vruchten afwerpen. Want naast het financiële risico op boetes of andere moeilijk in te schatten parameters, is het met name het reputatierisico dat het meeste doorweegt, en dat als gevolg van de evoluerende verwachtingen van de burgermaatschappij tegenover grote multinationals in het bijzonder.

__________________________________

Wat zullen de grote thema’s inzake verantwoord beleggen zijn in 2016?

13/1/2016

We denken dat de grote thema’s van 2015 ook volgend jaar zullen domineren.

1. Koolstofarme beleggingen – desinvestering van fossiele brandstoffen en het concept van de stranded assets

De beweging aangaande de desinvestering uit fossiele brandstoffen, voornamelijk dan uit steenkool, stond centraal bij de COP21-debatten. Het concept van de ‘stranded assets’, dat lange tijd niet werd vermeld tijdens financiële debatten, wint geleidelijk aan belang bij beleggers, die erkennen dat het een reëel risico is.

Terwijl er in 2016 een recordconcentratie zal zijn aan koolstofdioxide, zal de jacht op de meest vervuilende energiebronnen voortgaan. Zoals aangekondigd heeft het engagement om de economie koolstofarmer te maken het functioneringsparadigma van de meest blootgestelde sectoren zoals olie en gas en de nutssector aanzienlijk gewijzigd. Zo daalt het aandeel van fossiele energie in de elektriciteitsopwekking gevoelig, ook al zal het naar verwachting boven de 50 % blijven tegen 2030, meent het Internationaal Energieagentschap. Indien er een strengere regelgeving komt voor de uitstoot van broeikasgassen, zou dat aandeel sneller kunnen afnemen, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen zoals waterkracht, die voortaan goed zijn voor meer dan de helft van de opwekking van nieuwe energiecapaciteit, met name in China, de VS, Japan en Duitsland. De investeringen hierin blijven belangrijk en zorgen ervoor dat de kosten gestaag blijven dalen.

Figuur 1: Aandeel van fossiele energie in elektriciteitsopwekking (%)

par défaut 2016-01-07 à 08.52.08De ondernemingen kunnen een echte katalysator zijn voor de klimaatactie, aangezien ze zich kunnen engageren om de uitstoot van koolstof aanzienlijk te verminderen, en er een strategisch managementpunt van kunnen maken.

2.  Groene obligaties en energietransitie

In het jaar 2015 werd een nieuw recordbedrag aan groene obligaties uitgegeven: meer dan 42 miljard dollar per eind november, met name in het kader van de energietransitie. De markt is vandaag goed voor meer dan 100 miljard dollar en is gediversifieerd over verschillende sectoren. Hoewel multilaterale banken en supranationale instellingen nog steeds sterk vertegenwoordigd zijn, is de bedrijfswereld voortaan de grootste producent van CO2, goed voor bijna 45 % van de uitstoot in 2015.

Gesteund door de principes van de groene obligaties wordt de sector ook steeds geloofwaardiger, met name dankzij een rapportage en een opvolging van de engagementen die steeds professioneler wordt. Die initiatieven ondersteunen de sector en geven hem de komende jaren een impuls, aangezien de investeringen in koolstofarme infrastructuur gigantisch zijn, vooral in opkomende landen zoals China en India, die alleen al goed zijn voor het equivalent van respectievelijk $ 450 miljard per jaar en $ 165 miljard om ervoor te zorgen dat ze tegen 2030 hun klimaatdoelstellingen halen.

Figuur 2: schatting van de wereldwijde investeringsbehoeften 2015-2060

par défaut 2016-01-07 à 08.51.55

3. Belastingontwijking

Het regelgevende kader is het afgelopen jaar steeds strenger geworden, en die trend zou zich ook in 2016 moeten doorzetten. Dat is met name het gevolg van de verschillende maatregelen die de lidstaten van het OESO-programma Base Erosion and Profit Shifting Action Plan hebben genomen, en van de diverse EU-richtlijnen. De eerste effecten zijn reeds zichtbaar: Nederland en Luxemburg werden al veroordeeld tot het terugvorderen van € 30 miljoen belastingen bij Starbucks en Fiat Chrysler. Een recenter geval was België, dat € 700 miljoen belastingen moet recupereren bij multinationals die hebben geprofiteerd van onterechte belastingvoordelen. De Europese Commissie heeft immers een retroactief recht van tien jaar op onbetaalde belastingen.

De multinationals worden hier duidelijk geviseerd. Vanaf 2016 zullen de eerste maatregelen van de BEPS van toepassing zijn, met name de strijd tegen transfer pricing, een systeem waarbij de winsten worden geëxporteerd naar landen met de meest gunstige fiscale stelsels vanuit het land waar het zwaartepunt van de productie ligt (investeringen en personeel). De transparantie en de rapportage per land is een element dat bijzonder belangrijk is. De maatregelen willen immers een einde maken aan de dubbele niet-belasting en zouden de manieren om belastingen te ontwijken gevoelig moeten verminderen.

Bovendien treedt vanaf 2016 de Europese boekhoudkundige richtlijn in werking die ijvert voor meer transparantie in de ontginnende nijverheid.

Het Verenigd Koninkrijk wil ook wat doen aan de situatie met de belasting die de bijnaam Googletaks heeft gekregen, namelijk een belasting van 25 % op de kunstmatige winsten die worden gegenereerd in de landen met de hoogste belastingvoet, maar die worden aangegeven in de landen met het meest gunstige belastingstelsel.

De evolutie van het kader in de Verenigde Staten moet worden opgevolgd, aangezien de regel van de SEC die multinationals toelaat om enkel te rapporteren over zogenaamde ‘significante’ activiteiten de deur heeft opengezet voor fiscaal duistere praktijen. Dat neemt niet weg dat de Amerikaanse multinationals steeds vaker worden geconfronteerd met hervormingen buiten de landsgrenzen.

Alle landen ter wereld hebben af te rekenen met begrotingsbeperkingen en het fiscale herstelbeleid is een belangrijke hefboom om meer inkomsten te genereren, zodat de multinationals langs alle kanten worden aangevallen en hun rendabiliteit onder druk komt te staan.

Hoewel fiscale optimalisatie regelmatig gebeurt binnen de wettelijke grenzen, zorgen de recente maatregelen, maar bovenal de gewijzigde verwachtingen van de burgermaatschappij tegenover grote multinationals ervoor dat de ontsnappingsroutes steeds minder toegankelijk worden, en de financiële en reputatierisico’s steeds toenemen. Nogmaals, hoewel de goede leerlingen nog niet hebben geprofiteerd van hun betere gedrag in vergelijking met anderen, zal fiscale transparantie een steeds belangrijker onderscheidend criterium worden, en op middellange en lange termijn zijn vruchten afwerpen. Ter herinnering, DJ Sustainability heeft aan zijn methodologie een criterium rond fiscale strategie toegevoegd, wat aantoont dat het onderwerp steeds belangrijker wordt. En als we kijken naar het rapport van Transparency International over de 125 belangrijkste multinationals ter wereld, zijn er nog veel manieren om zich te onderscheiden.

4.  Cyberveiligheid

Elk jaar worden er 80 tot 90 miljoen cyberaanvallen geteld, waarvan bijna 70 % niet wordt gedetecteerd. Alle sectoren zijn hierbij betrokken: financiën en verzekeringen op de eerste plaats, maar ook informatie- en communicatietechnologie (ICT), de industrie en de kleinhandel. De kostprijs van cyberaanvallen kan aanzienlijk zijn: hij wordt geschat op gemiddeld $12,7 miljoen voor Amerikaanse bedrijven in 2014. Cybercriminaliteit kan tot $ 575 miljard per jaar kosten. In de toekomst wordt deze kost zelfs geschat op $3 biljoen als gevolg van de voortdurende toename van onlinefuncties en de toenemende connectiviteit tussen bedrijven en consumenten.

Cybercriminaliteit heeft een invloed op de handel, de concurrentiepositie, innovatie (verlies van intellectuele eigendom) en daardoor ook de wereldwijde economische groei.

Hoewel de grote bedrijven tot de eerste slachtoffers behoren, worden de kleine en middelgrote bedrijven steeds meer geviseerd, aangezien ze denken dat ze door hun omvang veiliger zijn en nog steeds geen budgetten hebben uitgetrokken om zich tegen dit risico te beschermen. De budgetten gaan in stijgende lijn bij de bedrijven die beseffen wat er op het spel staat. Volgens PwC zijn de budgetten die werden toegewezen aan cyberveiligheid de afgelopen twee jaar verdubbeld voor de Amerikaanse bedrijven, maar blijven ze weinig betekenisvol. Bedrijven hebben immers de neiging om weinig voorbereid te zijn op dit belangrijke risico. Het probleem gaat immers verder dan IT en moet centraal staan binnen de ontwikkelingsstrategie van het bedrijf. Een directiecomité dat expertise heeft op dit domein heeft zeker een streepje voor in de toekomst.

Deze vier thema’s zullen het jaar 2016 blijven domineren.

Daarbij komt voortdurende aandacht voor de verantwoordelijkheid die bedrijven dragen voor hun leveranciers, en dat over de hele keten.

Het deugdelijk bestuur van bedrijven, dat ook verband houdt met de problematiek van cyberveiligheid, staat ook centraal binnen bredere discussies over het belang van diversiteit en de onafhankelijkheid van de bestuurders.

_____________________________________________

De COP21: zal er een COP22 nodig zijn?

15/12/15

De langverwachte klimaattop van Parijs is op 30 november van start gegaan in een uiterst beveiligde omgeving. De verwachtingen zijn hooggespannen. De regeringsleiders leggen achtereenvolgend verklaringen af en ook de beleggers gaan soms verregaande verbintenissen aan. Toch menen veel waarnemers dat er een groot risico bestaat dat het uiteindelijke resultaat teleurstellend zal zijn. Onze kijk op de zaken.

De aankondigingen van de verschillende landen

Sinds begin dit jaar hebben al verschillende regeringen in de aanloop naar de klimaattop van de Verenigde Naties hun programma bekendgemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verlagen. De Verenigde Staten, de Europese Unie, Noorwegen, Zweden, Rusland en Mexico – die samen verantwoordelijk zijn voor een derde van de wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide – hebben relatief snel bekendgemaakt welke inspanningen ze tegen 2020 willen leveren om de temperatuurstijging te beperken tot maximaal 2 %.

Onlangs maakte Frankrijk, het gastland van de klimaatconferentie, een langetermijnstrategie bekend die als doel heeft de CO2-uitstoot tegen 2020 met 30 % te doen dalen en tegen 2050 terug te brengen tot een vierde van het huidige niveau.

Heel wat aandacht gaat ook naar steenkool, omdat dat de fossiele brandstof is die niet alleen het meeste koolstofdioxide uitstoot, maar ook andere deeltjes die schadelijk zijn voor de luchtkwaliteit. Verschillende regeringen hebben al programma’s goedgekeurd om steenkoolcentrales te sluiten, omdat steenkool door de OESO als de meest bedreigende grondstof wordt bestempeld voor de klimaatverandering. Zo kondigde het Verenigd Koninkrijk aan dat het land zijn steenkoolcentrales tegen 2025 zal sluiten. Duitsland verbond er zich van zijn kant toe om acht van zijn belangrijkste bruinkoolcentrales te sluiten. Nederland, dat al door zijn eigen gerechtshof in Den Haag werd veroordeeld voor zijn te nonchalante klimaatstrategie en dat door dat gerechtshof werd verplicht om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met een kwart te verminderen ten opzichte van 1990, werd aangepakt door een hele batterij professoren die het land vroegen om snel zijn steenkoolcentrales te sluiten. Buiten Europa is het vooral uitkijken naar China. Aangezien de economie grotendeels afhankelijk is van steenkool, begint het verbruik van die grondstof slechts heel geleidelijk af te nemen. Door de economische uitdagingen (verkeer dat vastzit, vliegtuigen die niet kunnen opstijgen enz.) maar ook onder invloed van de toenemende druk van de bevolking ten aanzien van de luchtvervuiling, investeert China massaal in hernieuwbare energie zoals zonne- en windenergie. En hoewel China nog altijd wordt beschouwd als een van de meest vervuilende landen van onze planeet, beschikt het ook over het grootste windmolenpark ter wereld en staat het voor het gebruik van zonne-energie op de tweede plaats.

Ook de Verenigde Staten hebben inmiddels beloofd hun steenkoolcentrales te sluiten. Sinds 2010 zijn 40 % van de steenkoolcentrales op het Amerikaanse grondgebied dichtgegaan. De klimaatverandering is een thema dat president Obama na aan het hart ligt. Maar de inspanningen die hij op dit vlak wil leveren botsen op veel tegenkanting van de politieke oppositie. Dat is precies waar het schoentje knelt voor de klimaatconferentie in Parijs: heel wat beloftes van regeringsleiders moeten immers nog worden vertaald in wetgeving die moet worden goedgekeurd door de parlementen.

Zo is Obama al eens op een “njet” van de Amerikaanse senaat gebotst. De republikeinse meerderheid in de senaat keurde immers twee resoluties goed die de belangrijkste maatregelen van een regeringsprogramma om de uitstoot van broeikasgassen te doen dalen, teniet deden. Op die manier toonde de oppositie overduidelijk dat ze zich verzet tegen het Clean Power Plan van de Amerikaanse president.

Hoewel de groten der aarde op de eerste dag van de conferentie hun goede bedoelingen konden benadrukken, doken op de tweede dag al onenigheden op en vroeg men zich af hoe de doelstellingen in de praktijk zouden worden gebracht.

China en India herinnerden aan de historische verantwoordelijkheid van de ontwikkelde landen in de klimaatverandering en in het licht van de milieurechtvaardigheid eisen ze een zekere bewegingsvrijheid en een financiële vergoeding voor de aanpassing en de energietransitie, om hun economische groei niet in het gedrang te brengen.

De vraag of er al dan niet een bindend akkoord komt, is eveneens een van de belangrijkste risico’s van de COP21 en bepaalt of ze een succes of een mislukking wordt.

Zoals vermeld hebben de Verenigde Staten reeds hun verzet tegen het bindende karakter aangekondigd. Bovendien is het interessant om te vermelden dat de Verenigde Naties, met uitzondering van de Veiligheidsraad, erg weinig bindende beslissingen uitvaardigen.

De beloftes van de beleggers

Rekening houdend met de verschillende beloftes die door de regeringen zijn gedaan, is ook de financiële sector zich geleidelijk meer voor het onderwerp klimaatverandering gaan interesseren, vooral als gevolg van de toenemende druk van de maatschappij op de fiduciaire rol van (met name institutionele) beleggers.

De ngo’s hebben indertijd niet geaarzeld om de banken met de vinger te wijzen voor hun verantwoordelijkheid voor de klimaatopwarming en ze hebben nog sterker aangezet om niet langer te beleggen in fossiele energie. Dankzij hun grote financiële middelen beschikken de spelers uit de financiële sector bovendien over een belangrijke hefboom om deel te nemen aan de energietransitie.

Volgens de jongste cijfers van Novethic hebben meer dan 960 institutionele beleggers, die samen een bedrag vertegenwoordigen van 30 triljoen euro zich geëngageerd in de strijd tegen de klimaatopwarming. De meeste van die beleggers komen uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, maar ook Frankrijk legt gewicht in de schaal. Laten we blij zijn met het feit dat de grote meerderheid van de geëngageerde beleggers afkomstig is uit landen waar de overheid niet aarzelt om actie te ondernemen, zoals Canada en Australië. Daarom mogen we hopen dat ze uiteindelijk hun overheid zullen dwingen om iets te doen, aangezien het koolstofrisico, naast het aanzienlijke milieurisico, een belangrijk economisch risico met zich meebrengt. Buiten het reputatierisico dat beleggers lopen, heeft het concept van de ‘stranded assets’ de waarderingsmodellen van sectoren zoals olie en gas fundamenteel veranderd. Het risico van niet-verbrandbare olie- en gasreserves als gevolg van strengere regelgeving om de klimaatopwarming te beperken tot maximaal 2 graden is een realiteit die elk jaar aan belang wint. Klimaatverandering wordt elk jaar een belangrijker thema.

Die realiteit van het koolstofrisico zorgt ervoor dat de betrokken sectoren geleidelijk gaan veranderen. Hoewel de olie- en gassector vandaag nog overheidssubsidies geniet, is het niet uit te sluiten dat die subsidies plaats zouden maken voor belastingen voor de bedrijven die de grootste hoeveelheden koolstof uitstoten. De mentaliteit tegenover de sector en de wereld zijn in volle evolutie.

De klimaattop, die zich tussen hoop en risico beweegt, roept duidelijk op tot actie bij de overheden en beleggers. De COP21 heeft geleid tot ongeziene beloftes bij de overheden.

De beleggers hebben eveneens deelgenomen aan de strijd tegen de klimaatopwarming, met een belangrijke beweging tegen fossiele brandstoffen. Hoewel steenkool het zwarte schaap is geworden bij verantwoorde beleggers, terwijl olie en andere fossiele brandstoffen in de meeste geëngageerde portefeuilles getolereerd blijven, is er niet minder dan een paradigmaverschuiving aan de gang bij de meest getroffen sectoren, zoals olie en gas en de nutsbedrijven.

Beleggers kunnen deze evolutie niet negeren. De economie wordt nu eenmaal ‘low carbon’ en de moeilijkheid bestaat erin de materialiteit van de uitdagingen te meten alsook de impact op de performance van de portefeuilles.

De COP21 vormt dus een keerpunt voor de toekomst: de klimaatverandering is niet alleen een risico, maar ook een opportuniteit.

_________________________

Immigratie: een zegen voor Europa?

12/11/2015

Terwijl de Europese grenzen te kampen hebben met stromen immigranten die wanhopig onze kusten proberen te bereiken, staat het nationalistische discours, dat een beperking op de immigratie wil zetten, in schril contrast met diegenen die pleiten voor meer openheid en gastvrijheid.

De achteruitgang van het democratische proces, burgeroorlogen en terrorisme verklaren gedeeltelijk deze migratiebewegingen, die in grote golven plaatsvonden op het einde van de 19e en 20e eeuw. Het gaat hier echter ook om een gevolg van de globalisering. Na de handel en het kapitaal is het aan de bevolking om te globaliseren en zich vrij te kunnen bewegen.

Hoewel sommigen deze evolutie als een bedreiging voor hun binnenlandse markt beschouwen, kan ze echter ook een belangrijke opportuniteit inhouden, zeker in het licht van de demografische evolutie binnen het verouderende Europa.

Onze planeet telt vandaag 7,3 miljard mensen, en tegen 2100 zal dat meer dan 11 miljard zijn. Er zijn echter grote verschillen in de bevolkingsgroei tussen de verschillende continenten en landen, maar ook tussen de leeftijdsgroepen.

De vergrijzing in Europa is een alom bekend fenomeen. Dat geldt voor het merendeel van de rijke ontwikkelde landen, waar migratie vaak de enige manier is om de bevolking te laten aangroeien. De vergrijzing van de bevolking is echter geen exclusief Europees fenomeen: tegen 2050 zal het aantal 40 tot 49-jarigen ook in Afrika en Azië explosief gestegen zijn, met de bekende gevolgen voor de arbeidsmarkt en de afhankelijkheidsratio (het aantal actieve mensen tegenover het aantal mensen ouder dan 65).

Vandaag tellen de 34 OESO-lidstaten bijna 115 miljoen emigranten, goed voor 10 % van hun bevolking. Die zijn verantwoordelijk voor meer dan twee derde van de groei van de arbeidskracht, een belangrijke factor in het licht van de huidige arbeidstrends in de regio.

De Verenigde Staten blijven veruit de belangrijkste bestemming van emigranten. Duitsland behoort eveneens tot de meest populaire bestemmingen en wordt binnen Europa gevolgd door Frankrijk en Spanje.

De jongste emigratiegegevens van de OESO vertonen meerdere trends. Eerst en vooral met betrekking tot het land van herkomst van de migranten: steeds vaker Azië (met name China en India), maar ook de Europese Unie (Roemenië en Polen). Ten tweede ligt het opleidingsniveau hoger dan in het verleden: meer dan 30 % van de emigranten heeft hogere studies gevolgd en een universitair diploma behaald. Dat blijkt uit de jongste statistieken van de OESO. Toch hebben emigranten nog steeds te kampen met ernstige discriminatie op het gebied van werk, aangezien een immigrant twee keer zoveel kans heeft om overgekwalificeerd te zijn voor de baan die hij krijgt in vergelijking met een autochtoon. Dat is nu precies de uitdaging voor de rijke landen, aangezien er een belangrijk verlies is inzake economisch ontwikkelingspotentieel. De hoge werkloosheid bij de migrantenbevolking is eveneens een belangrijke uitdaging. Jammer genoeg vertoont de kloof tussen de werkloosheidsgraad bij allochtonen en autochtonen een opwaartse trend in Europa (van 4,1 % naar 5,3 % tussen 2008 en 2013) terwijl ze in de Verenigde Staten in dezelfde periode afgenomen is.

Hebben de Verenigde Staten, tegen de achtergrond van de belangrijke emigratie uit Zuid-Amerika, een beter integratiebeleid dan Europa? Zijn ze zich beter bewust van het potentieel van de Zuid-Amerikaanse bevolking voor de arbeidsmarkt? Of wordt de hoge tewerkstellingsgraad bij de emigranten voornamelijk verklaard door laag gekwalificeerde en onderbetaalde hamburgerjobs? Het antwoord ligt ongetwijfeld ergens in het midden. Het is interessant om te zien dat twee derde van de immigranten in de Verenigde Staten en Canada een hoger diploma heeft. Dat is bijna het dubbele van de cijfers in Europa.

Migranten per onderwijsniveau in % van het totaal Europese Unie Verenigde Staten
Primair 48 22
Secundair 28 36
Tertiair 24 42

Bron: OESO (2000)

Europa moet dus een oplossing vinden voor het lage opleidingsniveau van zijn immigranten.

De cijfers voor België zien er al niet veel beter uit. Hoewel de immigratiestromen naar ons land op de keper beschouwd relatief laag liggen in vergelijking met het OESO-gemiddelde, is de immigrantenbevolking goed voor een belangrijk deel van de totale bevolking in België, waardoor ons land in de top 10 staat van de OESO-lidstaten.

par défaut 2015-11-05 à 09.59.50Bron: OECD Migration Outlook 2014

De tewerkstellingscijfers tonen echter aan dat er nog ruimte voor verbetering is wanneer het gaat over integratie. Allochtonen hebben immers te kampen met hogere werkloosheidscijfers dan autochtonen.

En hoewel we op 8 september de Wereldalfabetiseringsdag vierden, zijn er in ons land nog heel wat analfabeten bij de immigranten. Het is geen verrassing dat dit cijfer hoger ligt bij vrouwen. 

par défaut 2015-11-05 à 09.59.28Bron: OECD Migration Outlook 2014

De stokkende technologische vooruitgang en de vergrijzing van onze bevolking zetten een domper op het groeipotentieel van onze economieën. De productiviteitswinst daalt immers en de actieve bevolking groeit niet langer. Immigratie zet dus een mogelijke hefboom op de groei. Daardoor zou ze geen vrees moeten opwekken, maar worden opgenomen in ons ontwikkelingsbeleid als groeimotor, naast een gezonde begroting. In het licht van de vergrijzing van de bevolking moet de kwaliteit van deze mogelijke arbeidskrachten verbeterd worden, zodat de actieve bevolking werkelijk kan aangroeien en de vraag naar goederen en diensten kan verhogen, dankzij een bevolking die over reële koopkracht beschikt en onze economie aanzwengelt.

_________________________

De actualiteit rond Volkswagen: gefundenes Fressen voor de SRI-wereld?

14/10/2015

Volkswagen deed de afgelopen dagen de aandelen- en obligatiemarkten op hun grondvesten daveren door het schandaal over de fraude met de CO2-uitstoot van hun dieselvoertuigen in de Verenigde Staten.

Terwijl de financiële ratingagentschappen het bedrijf op ‘Watch’ hebben gezet, zijn de extra-financiële agentschappen heel wat strenger en beschouwen ze de controverse als de meest ernstige volgens hun ratingsysteem. Hoewel we de ernst en de omvang van de fraude niet in twijfel willen trekken, kunnen we ons wel vragen stellen bij de strengheid van de extra-financiële agentschappen, die tijdens de COP21-top aan het einde van het jaar in Parijs van VW een schoolvoorbeeld inzake CO2-uitstoot willen maken en het preventief de laagste rating willen toekennen om elke kritiek later in de kiem te smoren. Dat lijkt een beetje op wat de financiële agentschappen indertijd deden met de ratings van de periferielanden.

Naast het uitroepen van VW tot een ongezien voorbeeld, moeten we ook eens stilstaan bij de audits en certificeringen inzake ESG-normen. De automobielfabrikant was inderdaad lid van de Dow Jones Sustainability Index. In 2013 werd het bedrijf eveneens erkend als het meest duurzame bedrijf binnen de sector. Volkswagen had het Carbon Disclosure Project ondertekend en daardoor kreeg het een A-rating voor de kwaliteit van zijn milieurapportage.

Het was dus bijzonder moeilijk voor de analisten om een hoog milieurisico toe te kennen aan het bedrijf en om aan te tonen dat ESG-research proactief kan zijn en de aandacht kan vestigen op bepaalde risico’s.

De automobielfabrikant heeft officieel toegegeven dat er met de gepubliceerde cijfers werd geknoeid. Dat doet denken aan een geval zoals Enron, waar de auditors ook betrokken waren bij het schandaal. Het geval VW roept dus fundamentele vragen op over de betrouwbaarheid van de gepubliceerde gegevens in de duurzaamheidsrapporten. Net zoals voor financiële gegevens moeten extra-financiële cijfers door een onafhankelijke en bekwame auditor worden nagekeken.

Het geval VW toont enerzijds aan dat de meetindicatoren nog betrouwbaarder moeten worden en moeten evolueren. Anderzijds toont het aan dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het bestuursmodel van een bedrijf, aangezien dat een sleutelrol speelt in de duurzaamheid ervan. Hoewel weinig mensen de gepubliceerde milieugegevens in twijfel hadden kunnen trekken, vertoont het bestuursmodel van het Duitse bedrijf al een tijdje enkele zwaktes, met name op het gebied van de onafhankelijkheid van het directiecomité en de onafhankelijkheid van het auditcomité. Het bedrijf deed ook aan lobbying en hield nauw contact met de politieke wereld. Twee politici die ook zetelen in het directiecomité, vertegenwoordigen de overheid van Nedersaksen. Zij zijn gevoelig voor de tewerkstellingskansen die VW biedt, maar ook voor de fiscale bijdrage die het bedrijf levert.

De omvang van de fraude in vergelijking met de productie doet vermoeden dat het management op het hoogste niveau betrokken was.

Hoewel er stemmen opgaan die zeggen dat de ESG-impact van duurzame portefeuilles beter moet worden gemeten, zoals de publicatie van de ecologische voetafdruk van de portefeuille in Frankrijk in de aanloop naar de COP21, is het zaak om de gepubliceerde cijfers met de nodige omzichtigheid te behandelen. Zelfs te goeder trouw kunnen er fouten zitten in de gepubliceerde cijfers, gezien de vrij beperkte ervaring ter zake en een gebrek aan nauwkeurigheid. Dit initiatief verdient uiteraard het nodige lof, omdat het debat hierdoor wordt aangezwengeld. We moeten er echter voor opletten dat we niet overdrijven met deze rapportage die afwijkt van de voornaamste doelstelling van een verantwoorde en duurzame belegging, die als doel heeft om de voor risico gecorrigeerde performance te verbeteren op middellange en lange termijn, en ervoor te zorgen dat de belegger verantwoorde keuzes maakt.

_____________________________________________

Voedselverspilling: een probleem op grote schaal

14/9/2015

Op 3 september keurden de 193 lidstaten van de Verenigde Naties na twee jaar werk, waarbij uitzonderlijk het maatschappelijk middenveld werd betrokken, een nieuwe en ambitieuze agenda voor duurzame ontwikkeling goed die in september op de Top voor Duurzame Ontwikkeling in New York zal worden goedgekeurd.

Een van de 17 doelstellingen was een einde te maken aan de armoede, de welvaart en het welzijn van de bevolking te bevorderen en het milieu te beschermen tegen 2030. De 12e doelstelling heeft betrekking op de strijd tegen voedselverspilling.

Inderdaad, volgens schattingen van de Verenigde Naties wordt één derde van al het voedsel verspild, wat overeenkomt met 1,3 miljard ton. Om die hoeveelheden te produceren, waren er natuurlijk grote oppervlakten landbouwgrond nodig. In de Europese Unie wordt elk jaar bijna 100 miljoen ton gezonde voeding verspild. Als er niets aan wordt gedaan, zal dat tegen 2020 120 miljoen ton bedragen. Maar de Europese Unie heeft deze problematiek aangepakt en de ambitieuze doelstelling vooropgesteld om tegen 2020 de voedselverspilling met 50 % te verminderen. Met name het project FUSIONS (Food Use for Social Innovation by Optimising Waste Prevention Strategies), een belangrijk onderzoeksprogramma dat in augustus werd gelanceerd met een looptijd van vier jaar, heeft drie doelstellingen in de strijd tegen voedselverspilling: definities van concepten, gemeenschappelijke strategieën en sociale innovatie om de strijd met deze plaag aan te binden.

Het recht op voeding verzekeren voor negen miljard mensen tegen 2050 en dat in een context van klimaatverandering en extreme weersomstandigheden is een belangrijke uitdaging om aan te gaan en daar heeft verspilling een belangrijke rol in.

Inderdaad, het paradigma om de productie op te voeren om de twee miljard bijkomende mensen op onze planeet te voeden wordt steeds meer in twijfel getrokken. In dat opzicht bestaat er vandaag een paradox, want enerzijds sterven er mensen door obesitas en anderzijds door ondervoeding. Voor het eerst in de geschiedenis is obesitas trouwens een belangrijker doodsoorzaak geworden dan ondervoeding.

Het blijkt immers dat de voedselhoeveelheid die wordt geproduceerd ruimschoots voldoende is voor de caloriebehoeften van de wereldbevolking. We zouden efficiënter moeten produceren in plaats van louter meer te produceren. Er is ook steeds meer vraag naar voeding van hoge kwaliteit, waarbij technologie een belangrijke rol te spelen heeft.

Voedselverspilling wordt voornamelijk veroorzaakt door twee factoren:

  • In de groeilanden is er het probleem van bewaring en transport
  • In de industrielanden dragen voedseloverschotten en het consumentengedrag (te strenge vervaldatums, marketingcampagnes zoals ‘twee kopen, één gratis’) in grote mate bij tot voedselverspilling.

Verticale integratie van het productieproces, van productie tot consumptie, is een eerste manier om het probleem aan te pakken.

Efficiënte consumptie is nog een manier om op lange termijn voor voedselzekerheid te zorgen.

En dan spreken we nog niet over het waterverbruik om deze niet-eetbare goederen te produceren.

Consumenten dragen hier een verantwoordelijkheid, maar zijn beleggers ook niet verantwoordelijk? Kunnen zij een antwoord bieden op de voedselproblematiek? Zou voedselspeculatie nu werkelijk de enige doelstelling zijn van landbouwbeleggingen?

Hoewel we de mogelijke invloed die speculatieve fondsen kunnen uitoefenen op de volatiliteit en prijsstijgingen van grondstoffen geenszins willen minimaliseren, zijn er ook andere elementen die een rol spelen.

Demografische evoluties, veranderende voedingsgewoonten en de productie van bio-ethanol zijn immers ook belangrijke verklarende factoren voor de prijsstijgingen. Wanneer bepaalde opkomende landen een groot deel van de wereldbevolking vertegenwoordigen en tegelijkertijd slechts een klein gedeelte van het landbouwareaal en de drinkwaterbronnen hebben, is dit een manifest onhoudbare situatie en komt er heel wat druk te staan op de landbouwmiddelen. De stijgende prijzen hebben directe gevolgen voor het beschikbare landbouwareaal.

Beleggingsfondsen in landbouwgrondstoffen worden vaak beschuldigd van voedselspeculatie, met dramatische gevolgen voor de armste bevolkingen. Deze toenemende kritiek heeft ertoe geleid dat verschillende financiële instellingen hun beleggingsfondsen die investeren in afgeleide producten van landbouwgrondstoffen, veelal indexfondsen, hebben gesloten.

Termijncontracten en futures werden oorspronkelijk gecreëerd om de producenten en de verwerkende nijverheid te beschermen tegen de risico’s die eigen zijn aan de volatiele prijzen van landbouwgrondstoffen. Vandaag zijn deze afgeleide producten misschien hun doel voorbijgeschoten en hebben ze het tegenovergestelde effect, namelijk een toegenomen volatiliteit en stijgende prijzen. Er zijn twee belangrijke risico’s verbonden aan deze voedselspeculatie: enerzijds berokkenen de stijgende prijzen veelal schade aan de armste bevolkingen, anderzijds leidt winstmaximalisatie tot landroof.

Buiten de afgeleide producten kunnen beleggers een andere, meer duurzame en constructieve keuze maken door op zoek te gaan naar innovatieve bedrijven die in staat zijn om een antwoord te bieden op toekomstige uitdagingen. En bovendien kiezen voor bedrijven die investeren in en profiteren van nieuwe ontwikkelingen upstream in de productieketen. De landbouwsector werd immers lang genegeerd door de beleggers en heeft een forse achterstand opgebouwd in investeringen in de productieketen. Tegenwoordig investeren bedrijven meer upstream in de productieketen; de positieve impact daarvan op de landbouwprijzen zou na verloop van tijd duidelijk moeten worden. Het einddoel zou moeten zijn om voldoende, kwaliteitsvolle en betaalbare voeding te verzekeren, om te voldoen aan de behoeften van een groeiende wereldbevolking, terwijl de natuurlijke hulpbronnen behouden en verbeterd worden om de levenskwaliteit van toekomstige generaties niet in het gedrang te brengen.

Met betrekking tot verspilling zouden financiële experts en milieuactivisten elkaar tegemoet moeten kunnen komen. Voor de eerste leidt dit immers tot een ondermaats gebruik van economische hulpbronnen; voor de tweede tot een slecht gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

_____________________________________________

Vervuiling in China, maar wat doet de overheid eraan?

10/8/2015

De documentaire uit 2015 over luchtvervuiling in China met als titel Under the dome, haalde op de sociale media maar liefst 155 kijkers binnen de drie dagen na verschijning.

Deze documentaire van twee uur, gemaakt door de voormalige vooraanstaande televisiejournalist Chai Jing, wijst de energiebedrijven, staalproducenten en steenkoolfabrieken, in handen van de staat, als de partijen die de toepassing van de Chinese regelgeving rond vervuiling tegenhouden. De film stelt immers de effecten van smog op de gezondheid en de weinig proactieve houding van het Chinese Ministerie van Milieu aan de kaak. Bovendien wil de journalist het bewustzijn van burgers doen toenemen en hen ervan overtuigen om hun verantwoordelijkheid op te nemen, en actie te ondernemen om de situatie aan te pakken.

Luchtvervuiling in China is geen nieuw onderwerp. De hoeveelheid fijn stof (PM 2,5) ligt tot tien keer hoger dan de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie en daarmee tekent het land voor de ergste luchtvervuiling op dat vlak (PM 2.5). Dat geeft natuurlijk aanleiding tot gezondheidsproblemen en vroegtijdige overlijdens.

Bovenop de gezondheidskosten is smog een hinderpaal geworden voor de economie. De zichtbaarheid kan immers terugvallen tot minder dan 250 meter en zelfs 50 meter tijdens piekmomenten. Het weg- en luchtverkeer wordt onderbroken (waardoor de toegang tot snelwegen wordt afgesloten en vluchten worden afgelast).

par défaut 2015-08-04 à 13.40.31Bovendien zorgt de slechte luchtkwaliteit ervoor dat het moeilijker wordt om getalenteerde expats in China aan te trekken of te behouden. Voor Amerikaanse, maar vooral voor Europese bedrijven, is de leefomgeving een belangrijke bekommernis. Ondanks de hogere verloning en betere ziekteverzekering die multinationals willen bieden, staan getalenteerde expats steeds weigerachtiger tegenover een baan in de grote Chinese steden (en in India is er hetzelfde probleem[1]).

De overheden zijn zich terdege bewust van dit belangrijke probleem voor het land. De Chinese regering geeft nu zelfs meer uit aan onderzoek en ontwikkeling naar hernieuwbare energie dan gelijk welk land. China is een belangrijke exporteur van zonnepanelen en windturbines. Hoewel dit succes gedeeltelijk te danken is aan lagekostenproductie, kan het ook worden verklaard door de aanzienlijke investeringen in R&D die het land maakt.

De overheid heeft immers een ambitieus plan gemaakt voor 2013-2017 om de luchtvervuiling aan te pakken, goed voor zowat 3% van het Chinese bbp. Investeringen in milieubescherming zijn toegenomen van 0,5% van het bbp in de jaren 80 tot 1,9% in 2010 en bijna 3% vandaag.

Dat neemt niet weg dat Under the dome de gebrekkige implementatie van een dergelijk plan aanklaagt.

Een belangrijke succesfactor is om ervoor te zorgen dat de beslissingen van de centrale overheid worden uitgevoerd op lokaal niveau. De centrale overheden gaan daarom na in welke mate de lokale machthebbers bijdragen tot het succes van dergelijke plannen.

 

Het is interessant om na te gaan wat de belangrijkste bronnen zijn van deze PM 2,5 emissies. In het geval van Peking, dat behoorlijk representatief is voor het land in zijn geheel, zijn transport en zware industrieën de belangrijkste verantwoordelijken voor deze emissies.

par défaut 2015-08-04 à 13.41.43Bron: Bureau voor Milieubescherming in Peking, Exane 22 september 2014

Als we naar transport kijken, dan heeft het land al verlagingen doorgevoerd van het brandstofverbruik van wagens tegen 2020 (-5,3% op jaarbasis). Deze beperkingen horen tot de strengste ter wereld.

Steenkool is ook verantwoordelijk voor ten minste 25% van de slechte luchtkwaliteitsnormen. Sinds 2013 hebben de lokale en centrale overheden een soort controlesysteem opgezet voor hun steenkoolverbruik. Naast het controleren van het verbruik, wordt de kwaliteit ook gecontroleerd en opgevolgd. Desalniettemin blijft steenkool een erg goedkope bron van gecentraliseerde energieopwekking. China, dat een van de grootste steenkoolverbruikers is, kijkt aan tegen een grote uitdaging om zijn energiemix opnieuw in evenwicht te brengen en om de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. Het land heeft immers het voornemen om het aandeel van steenkool terug te dringen tot minder dan 65% tegen 2017, wat een aanzienlijk deel van de energiemix blijft. Het valt nog af te wachten of een relevant systeem voor de prijszetting van koolstofdioxide hieraan kan verhelpen.

De centrale overhead heeft milieubescherming bovenaan de prioriteitenlijst gezet, aangezien het aanpakken van milieuvervuiling een belangrijk gezondheidsrisico inhoudt. De economische gevolgen hiervan zijn zo verreikend dat de overheden geen andere keuze hebben dan snel efficiënte oplossingen te vinden.

De afgelopen jaren is het engagement van het land toegenomen. Als we de situatie analyseren, zoals die door de film Under the dome wordt weergegeven – zelfs als je je vragen kan stellen bij de onafhankelijkheid en juistheid ervan – moet de implementatie op lokaal niveau, en zeker het effect ervan nog volgen.

Het bereiken van doelstellingen inzake luchtvervuiling behoort tot de evaluatie en doelstellingen van lokale machthebbers.

Belangrijker zijn de maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de milieuwetgeving wordt nageleefd. Hoewel deze waarschijnlijk niet erg drastisch zullen zijn, gaan ze in de juiste richting en omvatten ze:

  • Een verhoogd risico op boetes voor bedrijven die niet in orde zijn;
  • Investeringen in monitoringsystemen om doelgerichte controles mogelijk te maken
  • Meer macht die wordt toegekend aan officieel erkende ngo’s ten aanzien van bedrijven die de milieuwetgeving met voeten treden, met name de mogelijkheid om ze voor de rechtbank te dagen.

De film Under the dome heeft een bekend feit aangeklaagd en wil iedereen op zijn verantwoordelijkheid wijzen. De vervuiling in China is zodanig toegenomen dat alle maatregelen waarschijnlijk niet zullen volstaan om het probleem aan te pakken. De genomen maatregelen en de middelen die er zijn worden echter steeds belangrijker, en door de economische impact zullen de overheden gedwongen zijn om het beleid en de maatregelen verder aan te scherpen, weliswaar niet om de juiste redenen. Het hoeft geen betoog dat er heel wat op het spel staat voor de staatsbedrijven.

Naast de milieuproblematiek roept de documentaire ook vragen op over het gebrek aan vrijheden, net name persvrijheid en burgerrechten. China loopt natuurlijk ver achter op een land zoals Nederland, dat door de Nederlandse justitie werd verplicht om de uitstoot van broeikasgassen verder te verminderen na de klacht van 900 burgers. Dat neemt niet weg dat de film een belangrijke stap vooruit is voor de vrije meningsuiting.

Lees ook corner Duurzame beleggingen http://moneystore.be/nl/duurzame-beleggingen

[1] [1] {0>This issue was already discussed in previous blog :<}0{>Dit onderwerp werd reeds behandeld in een vorige blogpost:<0} {0>https://insights.petercam.com/responsible-investment/clean-air-the-next-precious-element-you-will-have-to-pay-for<}0{>https://insights.petercam.com/responsible-investment/clean-air-the-next-precious-element-you-will-have-to-pay-for<0}

 

____________________________________________________________________________

Transparantie : een sleutelwoord bij verantwoord beleggen

16/6/2015

Vorige week vond de zesde editie plaats van het Geneva Forum For Sustainable Investment (GFSI) in Genève. De gelegenheid om nog eens stil te staan bij de laatste (markt)ontwikkelingen buiten onze landsgrenzen.

Het kernwoord van het forum: transparantie.

Iedereen was het erover eens dat duurzaamheid op een kantelpunt staat, aangezien alle actoren zich ervan bewust zijn dat niets doen op het gebied van milieunormen, sociaal welzijn en deugdelijk bestuur (ESG) duurder zal uitvallen dan actie ondernemen.

Het gedrag van de drie economische actoren, namelijk de overheid, de consumenten en bedrijven, legt nieuwe regels op en vraagt om een aanpassing van de economische sectoren, met inbegrip van de financiële sector.

De overheid dwingt immers via steeds meer regelgeving, maar ook via fiscale maatregelen, een meer verantwoord gedrag af.

De consumenten geven blijk van nieuwe noden en consumptiepatronen, die vanuit een globaal duurzaamheidsoogpunt een breuk vormen met het verleden.

Ten slotte passen de bedrijven, die zich bewust zijn van hun rol en rekening houdend met het nieuwe paradigma van hun klanten, hun gedrag en beleid aan om hun werkingsmethoden te verantwoorden.

Op dit keerpunt voor een duurzaam financieel bestel blijven de mogelijkheden en kwaliteitsnormen steeds verbeteren en evolueren. De grote uitdaging vandaag ligt in de overgang van bewustwording naar de integratie en toepassing in het globale beheer. Beleggers zien echter door de bomen het bos niet meer door het bijzonder rijke aanbod aan duurzame en verantwoorde beleggingen. We moeten vaststellen dat de kennis van de tussenpersonen beter kan.

Het is dus belangrijk om de doelstellingen van twee verschillende werelden te leren kennen en te definiëren, namelijk die van het verantwoord beheer en die van de beleggers, om tot een gemeenschappelijk doel te komen.

De tussenpersonen dienen in dit proces een cruciale rol te spelen.

Transparantie op de markten wordt steeds belangrijker. In eerste instantie met betrekking tot de oorsprong van het geld; vervolgens inzake de bestemming ervan. De traceerbaarheid van de geldstromen is van het grootste belang, met name om elk reputationeel risico te vermijden.

Daarom moeten tussenpersonen en eindklanten in alle transparantie worden geïnformeerd over de aanpak van de duurzame producten, hun filosofie, hun doelstelling, samenstelling en kostenstructuur.

De organisatie van fora, zoals dat in Genève, zorgt ervoor dat een groot aantal beleggers en specialisten kan samenkomen en debatteren. Op die manier kan het kennisniveau verbeteren. Zo kan men ook kennismaken met minder bekende benaderingen, zoals de integratie van ESG-criteria in activaklassen zoals infrastructuur of staatsobligaties, die minder courant zijn dan aandelen of bedrijfsobligaties.

Centraal binnen de duurzame en verantwoorde benadering staat transparantie, waarmee een echte uitwisseling van informatie en best practices bereikt kan worden. De doelstelling hierbij is om voortdurend te evolueren en een bijdrage te leveren aan een duurzamere financiële sector in de toekomst.

In het licht van een toenemende individuele en collectieve bewustwording en groeiend activisme bij beleggers en individuen, is duurzaam beheer hopelijk meer dan louter een niche voor gespecialiseerde beleggers. Idealiter wordt de benadering totaal geïntegreerd binnen een globale benadering die begrijpelijk en toegankelijk is voor iedereen, met een reële impact op de werking van het economische systeem.

_____________________________________________

Afrika, de smart grids van morgen – duurzaam beleggen in Afrika

18/5/2015

Afrika, dat tot voor enkele jaren nog het ‘verloren continent’ werd genoemd, wordt vandaag beschouwd als het continent van de toekomst. Het is inderdaad zo dat dit continent indrukwekkende groeicijfers optekent. Eerst en vooral bestrijkt Afrika een oppervlakte die even groot is als Europa, de Verenigde Staten, China, India en Argentinië samen!

Het grondgebied is erg rijk aan grondstoffen. Dit continent is goed voor een derde van de wereldwijde reserves aan minerale grondstoffen (buiten energie). De export bestaat voornamelijk uit olie, ertsen en landbouwproducten. Bovendien telt Afrika vandaag 1 miljard inwoners, en dat cijfer zal tegen 2050 verdubbelen. Dit betekent een echte stedenbouwkundige uitdaging aangezien de steden vandaag zowat 350 miljoen inwoners hebben, en 1 miljard tegen 2030!

Bovenop de stedenbouwkundige uitdaging komt nog eens de uitdaging van onderwijs. Dat is de tweede Millenniumdoelstelling voor ontwikkeling van de Verenigde Naties. Er werden al veel investeringen gedaan op dat vlak, waardoor het schooltraject werd verlengd. Maar dat geldt ook voor de ontwikkelde landen, waardoor de kloof inzake onderwijs niet is afgenomen. Dat zorgt ervoor dat de nivellering van de kwalificatie van de arbeidskrachten in deze landen een uitdaging is.

Hoewel velen de economische groei naar voren schuiven, dient toch te worden opgemerkt dat deze ongelijk verdeeld is en dat de creatie van arbeidsplaatsen die ermee samenhangt onvoldoende is. Daarom moeten we aandacht hebben voor de duurzaamheidspijlers waarop de groei van Afrika als langverwachte groeimotor is gebaseerd.

Eerst en vooral is er de politieke stabiliteit. De ratingagentschappen hebben in hun modellen criteria opgenomen zoals de governance-indicatoren van de Wereldbank. Andere indicatoren kunnen eveneens wijzen op risico’s van politieke instabiliteit. Het voorbeeld van de massamoord op Mexicaanse studenten in de westelijke provincie Guerrero in september vorig jaar illustreert dit probleem. Deze studenten behoorden over het algemeen tot de oorspronkelijke bewoners van Mexico en waren kinderen van boeren. Ze waren de leerkrachten van morgen, die belast waren met de alfabetisering van de meest landelijke gebieden. Ze studeerden aan scholen die waren opgericht na de revolutie en nog steeds het onderwerp zijn van heel wat controverse. Deze gebeurtenissen toonden aan dat de georganiseerde misdaad en de drugstrafiek diep zijn doorgedrongen in de Mexicaanse overheidsinstellingen. In combinatie met een arme bevolking en een ongelijke welvaartsverdeling geeft dat aanleiding tot heel wat sociale spanningen.

Vervolgens is er de bevolking. Het demografische potentieel van de Afrikaanse landen is enorm. Die groei moet dan wel duurzaam zijn, hoewel epidemieën zoals ebola de bevolking van bepaalde landen hebben gedecimeerd en aids een belangrijke plaag blijft. Er is ook nog steeds een aanzienlijke kindersterfte en een gebrekkige primaire vaccinatie.

De jongeren zullen voor de groei moeten zorgen, op voorwaarde dat ze een opleiding hebben genoten en dat ze geïntegreerd worden op de arbeidsmarkt. Hoe lager het onderwijsniveau van een bevolking, hoe hoger het risico op opstanden. Dat geldt des te meer als de groei slechts een minderheid ten goede komt.

Het is dus noodzakelijk dat de groei inclusief is en gedragen wordt door innovatieve en dynamische lokale kmo’s.

Een land zoals Kenia bijvoorbeeld diversifieert zijn groeibronnen om niet afhankelijk te zijn van een of meerdere grondstoffen, zoals wel het geval is in Nigeria, dat sterk afhangt van de evolutie van de olieprijs.

Ten slotte is er de milieu-uitdaging. We hebben het al gehad over de stedenbouwkundige uitdaging, die positief onthaald kan worden aangezien de opkomst van zogenaamde smart grids en andere smart cities op de eerste plaats plaatsvindt in Afrika, voordat deze ontwikkeling overwaait naar Europa.

Er zijn ook nog andere belangrijke uitdagingen, zoals droogte en de toegang tot drinkbaar water.

Droogte is een aanzienlijk risico voor de Hoorn van Afrika en sub-Sahara-Afrika. De toegang tot drinkbaar water is uiteraard problematischer op het platteland dan in de stad. In sommige landen, zoals Botswana en Senegal, kan drinkbaar water dubbel zo moeilijk te verkrijgen zijn op het platteland.

We willen beleggers hier absoluut niet ontmoedigen door een opsomming te geven van de vele uitdagingen waarmee het Afrikaanse continent te kampen heeft. Wel integendeel! De bedoeling is om de opportuniteiten en de diversiteit van de landen in kaart te brengen. Nigeria is Ghana niet, dat op zijn beurt Mozambique of Zuid-Afrika niet is. Deze diversiteit is interessant voor beleggers, die eveneens kunnen profiteren van de decorrelatie van de verschillende valuta’s.

par défaut 2015-05-08 à 10.37.12Als goed geïnformeerde en verantwoorde belegger is aandacht hebben voor de duurzame groei van een land een garantie voor de stabiliteit van zijn rendement op lange termijn.

_____________________________________________

Verantwoord beleggen moet actief beheer heruitvinden

28/4/2015

Een rondetafelgesprek was georganiseerd door Les Echos op 15 april in Parijs met als titel “Verantwoord beleggen moet actief beheer heruitvinden gezien de massale opkomst van indexmatig beheer.”

Onder impuls van de Verenigde Staten wint indexmatig beheer fors terrein en vertegenwoordigt het nu al meer dan 15 % van de wereldwijde activa onder beheer. Zonder concrete cijfers te vermelden, maken specialisten ter zake gewag van een forse vooruitgang, met name omdat indexmatig en passief beheer niet per se hoeft te botsen met actief beheer. Wel integendeel, aangezien er heel wat institutionele beleggers zijn die deze strategie gebruiken als aanvulling in een portefeuille omwille van de liquiditeit en efficiëntie. De lage kosten worden immers het vaakst aangehaald als belangrijkste beleggingsargument.

Toch roept indexmatig en passief beheer verschillende vragen op.

Eerst en vooral moeten we eens dieper ingaan op de indexen die worden gevolgd, die immers gebaseerd zijn op de beursgenoteerde waarde van de bedrijven voor de aandelenindices, en op de schuldgraad voor de obligatie-indices. De overheidsschuldencrisis in de eurozone heeft de tekortkomingen van dergelijke constructies al eerder blootgelegd. Toch blijft de grote meerderheid van de obligatie-indices, zowel voor overheids- als bedrijfsemittenten, gebaseerd op de schuldgraad van de overheid of het bedrijf. Zo zag Lehman Brothers amper twee weken voor de neergang zijn weging in de Amerikaanse iBoxx-index verdubbelen tot 5 % als gevolg van een nieuwe emissie. We kunnen ons afvragen of het wel aangewezen was om de samenstelling van deze index slaafs te volgen en de positie te verdubbelen twee weken voor de ineenstorting van deze grote bank.

Dit alles werd uiteraard diepgaand geanalyseerd na de val van Lehman Brothers, en er werden diverse lessen uit getrokken. Er gebeurt immers heel wat rond passief en indexmatig beheer, en er worden regelmatig innovatieve strategieën op de markt gebracht die gebaseerd zijn op indices die op een andere manier zijn samengesteld. We denken dan aan ‘equally weighted’ indices, waarbij alle posities een gelijke weging krijgen, of aan ‘low risk contribution’ strategieën, waarbij een positie een grotere weging krijgt in functie van haar bijdrage aan het totale risico van het universum. Dergelijke strategieën, die met een modewoord ‘smart bèta’ worden genoemd, zijn gesteund op puur financieel-economische overwegingen en worden samengesteld op basis van ingewikkelde wiskundige modellen. We kunnen ons eveneens vragen stellen over de samenstelling van de index en de definitie die eraan wordt toegekend. Als een index bijvoorbeeld als ‘weinig volatiel’ wordt bestempeld of als strategieën ‘low vol’ worden genoemd, wat is dan de gehanteerde definitie van volatiliteit? Wordt het risico dat de belegger loopt echt alleen maar bepaald door het concept standaardafwijking of standard deviation?

Er gebeurt ook heel wat in de wereld van ETF’s en indexmatig beheer. En in het kader van al deze innovaties loont het ook de moeite om eens na te gaan of passief beheer uiteindelijk actief beheer niet opslorpt.

SRI of verantwoord beleggen is een fundamentele strategie, en op zich al een ‘smart bèta’-aanpak in het jargon, die gebaseerd is op een andere kijk op economische spelers die geïntegreerd zijn in een complexe, geglobaliseerde en geconnecteerde omgeving. Binnen de activaklasse van de obligaties houdt deze benadering meer rekening met de capaciteit van de economische speler (overheid of bedrijf) om zijn schulden terug te betalen dan met de capaciteit om meer schulden aan te gaan. Het gaat hier om een strategie die gebaseerd is op overtuigingen, die durft af te wijken van de traditionele beursindices. En neemt een belegger in werkelijkheid een hoger risico, zelfs al is de tracking error hoog aangezien het beheer weinig rekening houdt met de indexsamenstelling?

Vervolgens kunnen we eens stilstaan bij de impact van de belegger. Hoewel passief beheer zo sterk groeit dat het actief beheer wel eens zou kunnen verdringen, vertonen beleggers kuddegedrag aangezien ze allemaal dezelfde indices kopiëren. Terwijl we ons uiteraard vragen kunnen stellen bij de liquiditeit van de markten, is het systemische risico eveneens belangrijk.

Ten slotte is er in deze periode van algemene aandeelhoudersvergaderingen een belangrijke rol weggelegd voor een welbepaalde speler: de aandeelhouder. Verantwoord beleggen houdt inderdaad ook in dat men zijn verantwoordelijkheid moet opnemen en zijn stem moet laten horen door te stemmen en een geëngageerd dialoog aan te gaan met het bedrijf. Enerzijds wil dat zeggen dat aandeelhouders hun verantwoordelijkheid moeten opnemen: door beleggingsbeslissingen te nemen oefenen wij invloed uit op het bedrijf met betrekking tot maatschappelijk welzijn, economie, milieu en deugdelijk bestuur. Anderzijds toont academisch onderzoek aan dat een geslaagd geëngageerd dialoog met het bedrijf leidt tot een waardevermeerdering, en daar heeft iedereen baat bij.

Passief en indexmatig beheer laat nog maar zelden zijn stem horen bij bedrijven, en dat komt voornamelijk omdat dan de vraag wordt gesteld wie de kosten voor het verwerken van de stemmen zal betalen.

Verantwoord beleggen vindt het actief beheer niet opnieuw uit. Het is er een aanvulling op, en een logische evolutie in de huidige omstandigheden.

Verantwoord beleggen is dus een globale benadering en strategie die een aanvulling is op actief beheer, en innoveert constant aangezien het een antwoord probeert te bieden in een wereld die onderhevig is aan voortdurende verandering.

_____________________________________________

Internationale Vrouwendag : nog steeds een noodzaak !

12/3/2015

Internationale Vrouwendag is altijd een goede gelegenheid om na te gaan in welke mate vrouwen deelnemen aan de macht.

Vorig jaar werd vooral de privésector onder de loep genomen, meer specifiek de vertegenwoordiging van vrouwen binnen de raden van bestuur van bedrijven. Het opleggen van genderquota voor de bestuursorganen van openbare of grote bedrijven vindt steeds meer ingang en zorgt ervoor dat de vrouwelijke vertegenwoordiging toeneemt. Toch blijven vrouwen fors in de minderheid. Onderzoek en verschillende studies tonen echter ondubbelzinnig aan dat diversiteit binnen het directiecomité een toegevoegde waarde heeft en ervoor zorgt dat de genomen beslissingen kritisch worden beoordeeld. Bovendien worden de zaken vanuit een ander standpunt belicht en andere denkpistes aangereikt.

Laten we dit keer eens de openbare sector van dichterbij bekijken, aangezien de regeringen en andere instellingen van een land een cruciale rol spelen in de ontwikkeling ervan. Ook hier blijven vrouwen in de minderheid op de verschillende hiërarchische niveaus, of het nu gaat over bestuursorganen, juridische diensten of openbare besturen Vrouwen bekleden gemiddeld amper een derde van de topfuncties bij de OESO.

Nochtans spreekt het voor zich dat de instellingen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen, toepassen en controleren van de wetten en regels een weerspiegeling zijn van de bevolking waarvoor deze regels gelden.

Hoewel er grote verschillen zijn tussen de verschillende landen, vooral tussen de verschillende OESO-lidstaten, blijft dit een wereldwijde uitdaging. Socio-economische en historische factoren verklaren waarom mannen nog steeds de plak zwaaien binnen de openbare instellingen. Enerzijds zijn de verplichtingen die verbonden zijn met topfuncties vaak moeilijk te verzoenen met de familiale verantwoordelijkheden vanuit cultureel oogpunt voornamelijk op de vrouwen rusten. Anderzijds blijven leiderschap en ondernemerschap kwaliteiten die vooral aan mannen worden toegeschreven.

Uiteraard heeft deze kwestie ook te maken met het kiessysteem, aangezien het voor een groot aantal functies de kiezers zijn die de posten verdelen. België is een goed voorbeeld van een land dat steeds de vrouwelijke vertegenwoordiging in het parlement heeft gestimuleerd door quotawetten in te voeren voor de kieslijsten. De eerste quotawet werd van kracht in 1994, met een minimumvertegenwoordiging van 25 % vrouwen. Die minimumdrempel werd in 2002 opgetrokken tot 50 %, met de bijkomende eis dat de eerste twee kandidaten van een verschillend geslacht moeten zijn. Dankzij die verschillende wetten is het aantal vrouwen in de verschillende Belgische parlementen fors toegenomen.

par défaut 2015-03-10 à 08.44.52Genderongelijkheid komt tot uiting in de mate waarin het aantal vrouwen de bevolking weerspiegelt, maar ook in de lonen. Net zoals in de privésector is er nog steeds een loonkloof tussen mannen en vrouwen met gelijkaardige functies. Bovendien zijn vrouwen sterker vertegenwoordigd in functies met een lager loon.

In de privésector hebben verschillende studies aangetoond dat er een positief verband bestaat tussen de aanwezigheid van vrouwen in de raden van bestuur en de prestaties van een bedrijf. Dat geldt ook voor de openbare sector, waar er een positief verband bestaat tussen minder genderongelijkheid in een land en het aandeel vrouwen in de regering. Er is tevens een positief verband tussen het aantal vrouwelijke ministers in een regering en het vertrouwen dat die regering geniet bij de bevolking. Ten slotte is diversiteit in het directiecomité van een bedrijf van groot belang om de competitiviteit ervan te verbeteren. Dat gebeurt door maatregelen te nemen die innovatie en groei stimuleren.

par défaut 2015-03-10 à 08.44.25

_____________________________________________

Laten we dit jaar Valentijn eens op een andere manier vieren!

13/2/2015

13 en 14 februari zijn immers de twee dagen die volledig zijn gewijd aan de internationale campagne om van fossiele brandstoffen af te stappen (Global Divestment Day – http://gofossilfree.org/).

Er gaan steeds meer stemmen op over de hele wereld om volledig van fossiele brandstoffen af te stappen. De sympathisanten willen hetzelfde resultaat verkrijgen zoals indertijd met de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika. Die leidde toen tot een grootschalige campagne om belangen in elk betrokken bedrijf te verkopen.

Hoewel 2014 nog maar pas werd uitgroepen tot het warmste jaar sinds het begin van de temperatuurmetingen bijna tweehonderd jaar geleden, kan men niet ontkennen dat de dreiging van klimaatverandering wel degelijk aanwezig is, en dat een radicale ommezwaai op het gebied van energiegebruik noodzakelijk is. Die zogenaamde energietransitie berust op het afbouwen van fossiele brandstoffen ten gunste van hernieuwbare en schone energiebronnen. De uitdaging om de koolstofuitstoot terug te dringen wordt steeds groter, aangezien er een toenemend risico bestaat dat de regelgeving steeds strenger wordt om elke vorm van klimaatopwarming tegen te gaan. De doelstelling om de wereldwijde klimaatopwarming te beperken tot 2 graden blijft erg ambitieus en zal zeker verdere maatregelen en beperkingen met zich meebrengen.

In deze context, en ook met olieprijzen die blijven dalen, moeten de energiebedrijven hun investeringen in dure exploitatieprojecten, gebaseerd op fossiele hulpbronnen die erg veel koolstof uitstoten, in vraag stellen. Dat geldt ook voor projecten waarvan de rendabiliteit onder druk kan komen te staan als de olieprijs onder de 90 USD per vat noteert.

De bedrijven uit de olie- en gassector staan dus voor een cruciaal moment in hun ontwikkeling. De allocatie van kapitaal wordt immers steeds complexer. Op middellange termijn wordt het een echte uitdaging om te bepalen van waar ze inkomsten gaan halen en hoe ze zich zullen ontwikkelen.

Deze twee campagnedagen willen beleggers en andere partijen mobiliseren voor een collectief engagement om de overheden ertoe aan te zetten een einde te maken aan de subsidies voor fossiele brandstoffen. Die zijn voor de sector goed voor miljarden per jaar en bepalen in belangrijke mate de prijs van koolstof.

De koolstofprijs is een belangrijke factor die het risico bepaalt waaraan bedrijven in deze sector blootgesteld zijn. We hadden dit al eens behandeld in onze vorige blog, die ging over de zogenaamde stranded assets. Dit zijn namelijk reserves die niet meer ontgonnen kunnen worden wanneer de wetgeving strikter wordt en de uitstoot van koolstof steeds meer wil inperken. Het gaat grotendeels om niet-conventionele activa, waarvan de exploratie en de productiekosten behoorlijk hoog zijn, zoals oliezanden, offshore projecten of diepwaterprojecten. Aangezien de olie- en gasbedrijven deze fossiele energiereserves niet langer kunnen exploiteren, zullen ze hun waardering fors zien dalen als gevolg van hun sterke correlatie met hun bewezen energiereserves. Ze worden dus geconfronteerd met een nieuw paradigma dat meer aandacht zou moeten hebben voor de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

In dat kader zouden ze eveneens een interessante financieringsbron kunnen aanboren via de zogenaamde “green bonds”. Die groene obligaties zijn traditionele obligaties, maar worden als groen beschouwd omdat het opgehaalde geld moet dienen om een concreet milieuproject te financieren. De markt lijdt momenteel onder het gebrek aan een uniforme definitie en normen op dit vlak. Vorig jaar was er echter behoorlijk wat belangstelling voor deze obligaties, aangezien er zowat 20 miljard USD werd opgehaald en verschillende zaken doen vermoeden dat er ook in 2015 een sterke groei zal zijn.

Immers:

  1. Energietransitie, energie-efficiëntie en duurzame ontwikkeling zijn immers een echte hefboom voor de markt.
  2. De markt wordt beter gediversifieerd, niet enkel qua emittenten (oorspronkelijk eerder supranationale instellingen, vandaag steeds meer privébedrijven), maar ook qua sectoren (voorlopig nog grotendeels gedomineerd door de nutssector, maar andere sectoren komen steeds meer opzetten). De omvang van de emissies neemt toe en benadert stilaan de standaardomvang van traditionele emissies voor institutionele beleggers;
  3. De toepassing van de Principes van Groene Obligaties is een stap in de goede richting en zal bijdragen tot de verdere structurering en standaardisatie van deze markt.

Ten slotte is het ook interessant om in het kader van dit nieuwe sectorparadigma eens stil te staan bij de opvang en opslag van koolstofemissies. Op die manier kan de technologie de leefbaarheid van het project bevorderen, want dat vormt vandaag nog een probleem

Gelukkige Valentijn 😉

_____________________________________________

Vooruitzichten 2015: 0 % koolstof?

12/1/2015

Zoals de traditie het wil, geven economen aan het begin van het jaar hun vooruitzichten voor het nieuwe jaar.

Voor Europa zijn de vooruitzichten eerder bescheiden: zowel de economische groei, inflatie als rente staat dicht bij 0 % … maar wat zouden we zeggen van 0 % koolstofuitstoot?

Het concept

Het is nu bijna twee jaar geleden dat het debat werd gelanceerd over de zogenaamde decarbonisatie van de economie en de thesis van de ‘stranded assets’. Dit zijn activa, voornamelijk van de energiesector (olie, gas en openbare nutsvoorzieningen), die onontginbaar zouden worden als de wetgeving inzake de beperking van de temperatuurstijging op aarde aanzienlijk strenger zou worden. De theorie van de stranded assets gaat ervan uit dat een groot gedeelte van de reeds afgeschreven koolstofreserves niet meer winbaar zou worden bij een stijging van de koolstofprijs en dus een gevoelige stijging van de exploitatiekosten.

Om de opwarming van de aarde te beperken tot 2°, een internationaal erkende maatregel, zou de totale koolstofuitstoot niet hoger mogen zijn dan een budget van 565 gigaton CO2 tegen 2050. De huidige kool-, gas- en oliereserves zijn momenteel echter 5 keer groter dan de mogelijke koolstofuitstoot die dit budget voorziet. Er is bijgevolg een aanzienlijk risico dat de regelgeving steeds strenger zal worden. Bovendien is het aantal maatregelen de afgelopen 10 jaar reeds verdrievoudigd in meer dan 60 landen.

Als deze beperkingen inzake koolstofuitstoot effectief zouden worden toegepast, zouden met name de oliebedrijven niet langer in staat zijn om bepaalde reserves te exploiteren. Die activa worden dan ‘stranded’ of niet langer winbaar.

Het gaat in essentie over de meest blootgestelde en kwetsbare activa, namelijk degene met de hoogste productiekosten en koolstofuitstoot, zoals oliezanden, diepwateroperaties, offshore activa op de Noordpool of elk actief met exploitatiekosten die hoger liggen dan die van conventionele olie, gemeten in vaten olie-equivalent.

Het Internationaal Energie Agentschap schat dat 2/3e van de bestaande fossiele energiereserves onontginbaar wordt als de internationale gemeenschap haar doelstelling toepast om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2° boven de pre-industriële niveaus.

Een risico voor beleggers?

Het concept van stranded assets komt met name voort uit het risico dat de regelgeving inzake koolstofuitstoot steeds verder toeneemt. Het is gebaseerd op de veronderstelling dat de regelgeving steeds strikter en dwingender wordt. De verschillende klimaattoppen die werden georganiseerd tonen aan dat steeds meer landen hun verantwoordelijkheid willen nemen, zelfs de meest vervuilende landen, zoals blijkt uit het jongste akkoord dat de VS en China sloten. Aan de vooravond van de klimaatconferentie van de Verenigde Naties, de COP 21 in Parijs, verwacht men een duidelijker en becijferd engagement. Ook al verwachten sommigen reeds dat de top een grote ontgoocheling wordt, toch zal de COP21 de druk verder opvoeren om het koolstofrisico beter in kaart te brengen.

Een striktere en strengere regelgeving kan aanleiding geven tot het ontstaan van een koolstofzeepbel die beleggers duur te staan kan komen, aangezien zij zullen moeten leren omgaan met een decarbonisatie van de economie op lange termijn. Dit scenario zou ertoe leiden dat de meest blootgestelde activa worden geïsoleerd en dat er indien mogelijk een herschikking komt van de exploitatiesites.

Hoe kan men zich beschermen?

Als bedrijven effectief niet langer in staat zouden zijn om een groot gedeelte van hun fossiele energiereserves te ontginnen, houdt de markt voor dit type producten op te bestaan, wat een belangrijke uitdaging zou inhouden voor beleggers. De waardering van energiebedrijven is immers sterk gecorreleerd met de bewezen energiereserves, die fors in waarde kunnen dalen.

Een verwittigd belegger is er twee waard. Maar hoe moet men dit risico benaderen, dat tot hiertoe voornamelijk theoretisch is en sterk afhangt van hypotheses rond klimaatopwarming en eventuele nieuwe regelgeving?

De jongste tijd hebben verschillende institutionele beleggers, zoals het Deense pensioenfonds PensionDanmark, ervoor gekozen om hun beleggingen in deze sector van de hand te doen. De campagne om uit deze bedrijven te stappen met het oog op een economie die niet langer fossiele brandstoffen gebruikt, draait op volle toeren. De wettelijke pensioenfondsen in Zweden, de zogenaamde AP-fondsen, hebben eveneens het initiatief genomen om hun beleggingsportefeuilles op te delen in functie van het koolstofrisico (hoog, gemiddeld of zwak) en om wereldwijde bedrijven met een hoog risico te verkopen.

De wereldwijde indexleverancier FTSE heeft ook samengewerkt met een van de grootste fondsbeheerders ter wereld, Blackrock, om een nieuwe reeks indices te creëren waarin geen enkel bedrijf zit dat actief is in fossiele brandstoffen. Bedrijven die actief zijn in de ontginning of exploitatie van fossiele brandstoffen worden geweerd uit deze index.

De andere mogelijkheid is engagement, en het belonen van de bedrijven die het meest proactief met deze problematiek omgaan, met name degene die zich meer richten op hernieuwbare energie in plaats van fossiele brandstoffen. Bovendien bestaan er programma’s voor het opvangen en opslaan van koolstofdioxide.

Ondanks het feit dat er geen wereldwijde regelgeving bestaat, zit de energiesector in een fundamenteel transformatieproces. Denken we maar aan de regelgeving inzake luchtkwaliteit, afnemende kosten voor hernieuwbare energie, beschikbaarheid van water, enz. De nutsbedrijven worden geconfronteerd met het feit dat de levensduur van hun krachtcentrales onzeker is en marktmechanismen zoals koolstofprijzen dragen daartoe bij. Bijgevolg zijn ook zij gevoelig voor activa die minder waard kunnen worden.

Het concept van stranded assets, dat weliswaar nog erg theoretisch en hypothetisch is, creëert belangrijke uitdagingen voor de sector van fossiele brandstoffen. Financieel analisten zouden verschillende hypotheses moeten opnemen in hun modellen, om hun waardering te toetsen aan plausibele scenario’s. De traditionele waarderingsmaatstaven zoals de vervangingsratio van de reserves zullen worden vervangen, of op zijn minst worden verfijnd, zodat aanvullende parameters kunnen worden opgenomen die beter rekening houden met een wereld die moet leven met een beperking van de koolstofuitstoot.

_____________________________________________

Respect voor de mensenrechten: een belangrijke taak voor beleggers!

24/12/2014

Enkele dagen voor de Internationale Dag van de Mensenrechten nam ik deel aan een rondetafelgesprek met als thema: “respect voor de mensenrechten: een belangrijke taak voor beleggers!

Voor één keer waren het niet enkel mannen, wat doorgaans het geval is binnen de financiële sector, maar waren er drie vrouwen en een moderator. Bovendien waren er drie Scandinaviërs aanwezig in het Parijse auditorium!

In Scandinavië engageren zowel bedrijven als beleggers zich sterk rond dit onderwerp.

We denken bijvoorbeeld aan de zwarte lijst van bedrijven die worden uitgesloten van de portefeuille van het Noorse Pensioenfonds omwille van sterke vermoedens van schending van arbeids- en mensenrechten. Die lijst wordt door ethische beleggers als referentie beschouwd.

Voor beleggers bestaat er een drievoudig risico. Enerzijds is er een reputatierisico, niet alleen voor het betrokken bedrijf, maar ook voor de belegger die vanaf dat moment onrechtstreeks betrokken is, en ten tweede is er een economisch en financieel risico, aangezien de schending van mensenrechten een groot risico inhoudt voor een waardedaling van het aandeel.

De aangetaste reputatie en de financiële en operationele impact die eruit voortvloeien, blijven doorgaans de belangrijkste gevolgen, aangezien de geldboetes minder aanzienlijk zijn. De beleggingswereld moet zich een nieuw concept binnen de financiële analyse eigen maken: het is niet langer de P/E-ratio die staat voor ‘price to earnings’ (beurskoers afgezet tegenover de winst) maar de ‘Price to Ethics’ (beurskoers afgezet tegenover ethische normen).

De geëngageerde Scandinavische beleggers zijn vooral voorstanders van een dialoog met asset managers en bedrijven die zich schuldig maken aan overtredingen. Om meer impact te hebben, kan het engagement zich uiten in een samenwerkingsverband, zoals nu reeds gebeurt via het platform PRI Clearing House van de Verenigde Naties (UNPRI). De belegging in het bedrijf van de hand doen is het laatste redmiddel wanneer de engagementsprocedure mislukt.

Aangezien vandaag 35,8 miljoen mensen het slachtoffer zijn van moderne slavernij, is het relevant om nog eens te herinneren aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948.

Als we bovendien de dagelijkse nieuwsbrief van de ngo Human Rights Watch raadplegen, die erg verscheiden en internationaal is, dan zien we dat er nog heel wat vooruitgang geboekt moet worden om deze elementaire rechten te waarborgen.

Er bestaan heel wat schendingen van mensenrechten. De onderstaande grafiek toont jammer genoeg aan dat het aantal controverses aangaande schendingen van mensenrechten in stijgende lijn zit.

par défaut 2014-12-12 à 16.29.39Buiten de problematiek rond de bevoorradingsketen, die vaak verband houdt met moderne slavernij of maatschappelijke discriminatie, zoals de schending van de vrijheid van vereniging, blijft het respect voor lokale gemeenschappen vaak een probleem, met name in de landbouw- en de ontginnende sector.

JA, beleggers hebben een rol te spelen. De brand in Rana Plaza in Bangladesh, die de slavernij in de kledingindustrie blootlegde, is een goed voorbeeld dankzij de Clean Clothes Campaign. Beleggers en bedrijven hebben zich geëngageerd om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, en willen ook druk uitoefenen op de overheid om een minimumsalaris voor de arbeiders te bekomen.

Het schandaal van de Thaise kweekgarnalen heeft eveneens aangetoond dat er slavernij bestaat op vissersboten, en dat bedrijven uit de voedingsmiddelensector in dit geval een verantwoordelijkheid hebben inzake de controle van hun volledige bevoorradingsketen.

Beleggers hebben steeds meer aandacht voor de integratie van de bevoorradingsketen in het engagementsbeleid van de bedrijven. Beleggers willen zich immers niet schuldig maken aan de schending van bepaalde rechten en hanteren steeds vaker het principe Weten, Observeren, Waarschuwen, Beïnvloeden en Oplossen.

Een referentie-index!

Beleggers kunnen vanaf nu verwijzen naar een index rond mensenrechten. De index Corporate Human Rights Benchmark werd op 1 december jongstleden aangekondigd in Genève op het derde forum van de Verenigde Naties rond mensenrechten. De doelstelling ervan is om een referentiekader te bieden voor materiële problemen die verband houden met de schending van mensenrechten. In samenwerking met de werkgroep bij de Verenigde Naties die zich over dit onderwerp buigt, biedt deze index eveneens een transparante databank aan beleggers en bedrijven. De index richt zich in eerste instantie op de 500 grootste ondernemingen in de sectoren die het grootste risico lopen op een schending van de mensenrechten: landbouw, elektronische apparatuur, informatie- en communicatietechnologie en de ontginnende sector.

Wetgeving voor meer transparantie

Steeds meer landen eisen van – meestal beursgenoteerde – bedrijven dat ze een rapport afleveren over hun beleid inzake mensenrechten. De benadering die daarbij gehanteerd wordt, is er meestal een van ‘comply or explain’.

Bedrijven worden dus geconfronteerd met steeds strengere regels. Ofwel zijn ze in staat om verslag uit te brengen over de kwaliteit, het begrip en de integratie van hun beleid ter zake, of als ze dat niet doen, moeten ze hierover verantwoording afleggen tegenover de burgermaatschappij. Die elementen kunnen ook het onderwerp vormen van een geëngageerde dialoog met de verantwoorde beleggers.

Een gelijkaardige wetgeving voor meer transparantie bestaat al in het Verenigd Koninkrijk voor beursgenoteerde bedrijven, in Frankrijk voor beursgenoteerde bedrijven en voor bedrijven met meer dan 500 werknemers, in Zweden voor overheidsbedrijven, in Denemarken voor overheidsbedrijven, beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde bedrijven in functie van hun omvang. Eens te meer zijn de Scandinavische landen een lichtend voorbeeld…

In april 2013 heeft de Europese Commissie een voorstel van richtlijn aangenomen, dat momenteel wordt bestudeerd door het Europees Parlement, dat ervoor zal zorgen dat de 18.000 grootste Europese bedrijven hun niet-financieel rapport zullen moeten publiceren op basis van het principe ‘comply or explain’, met inbegrip van de informatie over mensenrechten, diversiteit, de strijd tegen corruptie en andere belangrijke ESG-indicatoren.

Hoewel veruit de meeste landen ter wereld de voornaamste verdragen over mensenrechten hebben geratificeerd (er zijn er negen), worden deze elementaire rechten nog dagelijks met voeten getreden en is de schending ervan schering en inslag in meerdere regio’s. De internationale autoriteiten lijken op meerdere fronten hun doelstellingen niet te halen.

Of het nu de ongelijkheid is van vrouwen in de Islamitische landen of de vervolging van religieuze of politieke dissidenten, er zijn heel wat voorbeelden die er ons aan herinneren dat mensenrechten absoluut moeten worden verdedigd.

Politieke autoritaire systemen winnen terrein in Rusland, Turkije, Hongarije en Venezuela. Zelfs Europa en de Verenigde Staten, die vaak als grote verdedigers van mensenrechten worden beschouwd, maken zich schuldig aan schendingen. De Europese schuldencrisis heeft extremistische en xenofobe groeperingen gevoed, met name tegenover islamitische gemeenschappen. In de Verenigde Staten hebben de gebeurtenissen van 11 september opnieuw folterpraktijken doen ontstaan in bepaalde gevangenissen en elders. En de internationale slavernij-index meldt dat in ons land 1.500 mensen het slachtoffer zijn van moderne slavernij.

Het is nog maar enkele tientallen jaren dat de overheden hun verantwoordelijkheid nemen voor mensenrechten vanuit internationaal perspectief. De Verenigde Naties en Europa hebben onlangs de incidenten in Syrië, Rusland, China en Iran veroordeeld. Internationale hulp wordt een voorwaarde om het respect voor mensenrechten af te dwingen.

De Corporate Human Rights-index, op initiatief van verantwoorde beleggers, brengt wereldwijde beursgenoteerde bedrijven onder in de vier meest blootgestelde sectoren (landbouw, informatie- en communicatietechnologie, de ontginnende sector en elektronische apparatuur). De bedoeling ervan is om meer transparantie te bieden over de praktijken van deze meest blootgestelde bedrijven en op die manier druk uit te oefenen via het reputatierisico, dat hen als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt.

_____________________________________________

Corporate Governance : wat denken van de laatste hervormingen?

18/11/2014

Aangezien de sterkte en de kwaliteit van de overheidsinstellingen van essentieel belang zijn voor de goede werking van een land, is deugdelijk bestuur essentieel om duurzame groei te verzekeren.

In de nasleep van de financiële en economische crisis van 2008 kwamen er zowat overal in Europa hervormingen van het regelgevende kader rond deugdelijk bestuur.

De voornaamste thema’s zijn de volgende:

  • Audit: om elk belangenconflict van externe audits te vermijden, werden er verschillende maatregelen genomen. Eerst en vooral wordt de lijst van diensten die buiten de wet staan en geen beroep doen op auditdiensten, alsmaar langer. Vervolgens wordt er een bovengrens gesteld op inkomsten afkomstig van andere diensten buiten audit. Ten slotte wordt het aangeraden om regelmatig van auditbedrijf te veranderen. Zo stelt de Europese richtlijn voorop dat er elke 10 jaar verplicht van auditor wordt veranderd, met de mogelijkheid om voor 10 jaar extra te verlengen. Op dat niveau is Nederland heel wat strenger geweest, met een verplichte wissel om de 8 jaar zonder mogelijkheid om te verlengen voor een tweede termijn.
  • De diversiteit van de raden van bestuur: zonder per se een voorstander te zijn van verplichte quota voor vrouwen, moet men toegeven dat in bepaalde landen deze verplichting verschillende positieve effecten heeft gehad voor de raden van bestuur. We kunnen immers vaststellen dat de raden van bestuur jonger en meer divers zijn geworden, vooral op het gebied van de universitaire achtergrond en de professionele ervaring, aangezien het opleggen van een quotum ingaat tegen vriendjespolitiek tussen oud-studenten of voormalige collega’s. Deze diversiteit is interessant en belangrijk in het licht van de evoluties rond deugdelijk bestuur, met name meer responsabilisering van de raad van bestuur (zie hieronder). Er is bij de overheid ook een echte wil om deze raden onafhankelijker te maken. Het wordt in heel wat landen een best practice om binnen de raad van bestuur voor de helft onafhankelijken op te nemen, vooral dan in het Verenigd Koninkrijk en Scandinavië. Het is duidelijk dat één derde aan onafhankelijke vertegenwoordigers binnen de raad van bestuur een minimum is geworden.
  • ’Say on pay’: als de communicatie over de bezoldiging van de leden van de raad van bestuur en uitvoerende bestuurders de goedkeuring kan vereisen van de aandeelhouders (zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in het Verenigd Koninkrijk of Zwitserland), is er doorgaans meer transparantie rond de bezoldiging. Zonder dat dit echt een impact heeft op de voorziene bezoldiging, verbetert deze praktijk wel de transparantie. Toch is het moeilijk om vergelijkingen te maken aangezien er geen eenduidige referentie bestaat, er aandelenopties en andere variabele beloningen kunnen zijn die nog niet transparant zijn. Nochtans zijn er wel enkele goede praktijken het vermelden waard, zoals bijvoorbeeld in Duitsland, waar bedrijven steeds meer het verschil bekendmaken tussen het hoogste en het laagste loon, of het maximumloon.
  • Efficiëntie en bewustmaking van de raad van bestuur: de leden van de raden van bestuur worden steeds meer geresponsabiliseerd. Zo kan wangedrag van bestuurders in Duitsland leiden tot een veroordeling. De wetgever heeft bovendien een bovengrens vastgelegd voor de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid die wordt onderschreven door de bestuurders.

Deze bewustmaking van de raad van bestuur is een belangrijk element, aangezien ze ervoor zorgt dat er binnen de raad van bestuur een specialisatie ontstaat, waardoor elk lid zich kan specialiseren in een bepaald thema. Zo kan een informaticaspecialist in netwerken en dergelijke een belangrijke aanwinst zijn voor een bedrijf wanneer cyberveiligheid een grote uitdaging wordt in heel wat sectoren (zoals de banksector en de kleinhandel).

Over het algemeen gaan de hervormingen die werden doorgevoerd in verschillende Europese landen in de goede richting. We dienen nog maar eens vast te stellen dat de Scandinavische landen al geruime tijd het goede voorbeeld geven. Het Verenigd Koninkrijk blijft een voorloper, met name dankzij zijn Stewardship Code.

Italië en Spanje hebben hun goede wil getoond en nemen hervormingen waarmee ze de achterstand met de beste leerlingen kunnen verminderen.

Toch moeten we enkele maatregelen vernoemen die het principe ‘één aandeel, één dividend, één stem’ onrecht aandoen. Zowel Italië als Frankrijk heeft het aandeel met dubbel stemrecht in het leven geroepen, waarmee de overheid in feite een belangrijk aandelenpakket van bepaalde strategische bedrijven kan verkopen zonder de controle erover uit handen te geven (zoals Eni of Enel in Italië). De wet Florange gaat eveneens in die richting door een dubbel stemrecht toe te kennen aan elk aandeel in Franse beursgenoteerde ondernemingen dat voor minimaal 24 maanden wordt aangehouden. De lovenswaardige doelstelling van deze maatregel is om aandeelhouderschap op lange termijn aan te moedigen en kortetermijnhandel te ontmoedigen. Nochtans lijkt het erop dat het langetermijnaandeelhouderschap eerder een excuus is dat wordt gebruikt voor minder positieve doeleinden. Verschillende bureaus die gespecialiseerd zijn in het geven van stemadvies op algemene aandeelhoudersvergadering pleiten om te stemmen tegen de goedkeuring van de rekeningen en/of de herverkiezing van de raad van bestuur wanneer het bedrijf geen wijziging van zijn statuten voorstelt om het aandeel met automatisch dubbel stemrecht te vermijden vanaf maart 2016.

De opeenvolgende crisissen rond deugdelijk bestuur hebben ervoor gezorgd dat de controleautoriteiten, maar ook de bedrijven zelf zich bewuster zijn geworden van het belang van een gezond bedrijfsbestuur. De bedrijven hebben de afgelopen twintig jaar een hele weg afgelegd op het gebied van transparantie en deugdelijk bestuur. Het jongste rapport van Transparency International rond de transparantie van de grootste beursgenoteerde bedrijven ter wereld toont aan dat er nog ruimte is voor verbetering, met name op het gebied van de transparantie rond activiteiten in de verschillende landen. Maar het steeds actievere aandeelhoudersengagement en de druk van de media en van het reputatierisico dat ermee verbonden is, zorgen ervoor dat we optimistisch kunnen blijven.

_____________________________________________

Hoeveel kost het om op een verantwoorde en duurzame manier te beleggen?

15/10/2014

Waarom blijft deze vraag steeds terugkomen, terwijl academisch onderzoek blijft aantonen dat duurzame beleggingen het niet noodzakelijk minder goed doen?

Tijdens een recente rondetafel in het kader van de Week van SRI in Parijs antwoordde een professor van de Sorbonne, Nicolas Mottis, dat het debat vruchteloos is. Nochtans blijft het aanslepen.

De eerste reden schuilt in de ontstaansgeschiedenis van de duurzame fondsen. De fondsen van de eerste generatie waren zogenaamde ethische fondsen, die werden gecreëerd op vraag van religieuze congregaties die niet wilden beleggen in sectoren of praktijken die indruisten tegen hun waarden en overtuigingen.

Vandaag is het concept geëvolueerd van een ethische nichebelegging naar een benadering die meer geïntegreerd is in traditioneel activabeheer. We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen een ethisch fonds, dat bepaalde ethische waarden wil uitdragen, en een duurzaam fonds, dat rekening houdt met criteria inzake milieu, maatschappelijke normen en deugdelijk bestuur. Op die manier kunnen alle risico’s en opportuniteiten in kaart worden gebracht en wordt er rekening gehouden met de verschillende stakeholders.

Deze benadering berust op de overtuiging dat enkel de bedrijven of economische actoren die rekening houden met uitdagingen inzake milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur (ESG) in staat zullen zijn om op middellange en lange termijn winstgevend te blijven.

De tweede reden van dit eeuwige debat is het heterogene karakter van duurzame fondsen of degene die als dusdanig worden bestempeld.  De ‘best-in-class’ benadering, die de beste leerlingen selecteert, eventueel in combinatie met een ‘best effort’ aanpak (waarbij de vooruitgang over een bepaalde periode wordt beloond) is niet uniek. Bepaalde fondsen beantwoorden aan specifieke of thematische problematieken; andere zijn dan weer gebaseerd op exclusiecriteria en een normatieve screening; nog andere zijn gericht op aandeelhoudersdialoog, waarmee bepaalde zaken in gang kunnen worden gezet.

De meeste academische studies lijken aan te tonen dat het erg moeilijk is om de toegevoegde waarde te bewijzen van een extra-financiële filter bij de selectie van duurzame portefeuilles. Op het niveau van de individuele bedrijven daarentegen heeft het onderzoek wel de toegevoegde waarde aangetoond. Dat geldt met name voor de toegang tot financiering en de kostprijs ervan voor bedrijven die beter scoren inzake ESG-criteria.

Hoewel de vraag van de kostprijs van een dergelijke benadering overbodig is, lijkt de vraag van de timing relevanter. Vandaar het onderwerp van onze rondetafel in Parijs: is er een grote crisis nodig opdat SRI zijn troeven zou kunnen uitspelen?  We stellen vast dat de extra-financiële alfa van onze duurzame strategieën tijdens crisismomenten de grootste toegevoegde waarde oplevert. Die lijkt het crisiseffect wat te verzachten. We hebben dat vastgesteld in een portefeuille euro-overheidsobligaties tijdens de euro-schuldencrisis. Dit keer stellen we het vast bij een portefeuille van obligaties uit de groeilanden tijdens een crisis van de lokale valuta’s die de markt overhoop heeft gehaald. Is het toeval dat hetzelfde succes wordt herhaald?

De derde reden ten slotte heeft te maken met een verschillende visie tussen de financiële markten en het management van de bedrijven. Hoewel beide visies naar elkaar toe lijken te groeien, moeten de violen nog gelijkgestemd worden.

Voor de bedrijven kan het beleid inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid (CSR) een oplossing zijn, op voorwaarde dat het op operationeel en beslissingsniveau geïntegreerd is binnen het bedrijf. Het risico bestaat erin dat het wordt vastgeklonken aan het marketing- of communicatiedepartement, wat ertoe kan leiden dat het beleid een zekere greenwashing ondergaat.

Beleggers moeten anderzijds nog verder worden gesensibiliseerd. Enkel meer transparantie en opleiding kan een einde maken aan de vooroordelen.

Eerst en vooral moeten beleggers een goed beeld krijgen van het aanbod van duurzame portefeuilles en strategieën. Het is bijzonder belangrijk dat een belegger de strategie, de doelstellingen, de definities en concepten begrijpt.

Bovendien zou een belegger een echte langetermijnvisie moeten ontwikkelen. Dat veronderstelt dat we uit het keurslijf moeten geraken van de referentie-indexen en dat we de verplichting van een kwartaal- of zelfs maandrapportering in vraag moeten durven stellen. Duurzaam beleggen is een langetermijnverhaal. De financiële markten bekijken de zaken op korte termijn, terwijl duurzaamheidsuitdagingen per definitie op middellange tot lange termijn moeten worden bekeken. De belegger zou moeten investeren op middellange termijn en moeten aanvaarden dat er periodes zijn van minder goede of betere performance, afhankelijk van de marktevolutie.

Het debat zou dus niet moeten zijn “brengt het op om verantwoord te beleggen?” maar eerder “wanneer brengt het op?”. Laten we hopen dat iedereen deze vraag met een langetermijnhorizon beantwoordt die rekening houdt met duurzaamheid.

_____________________________________________

De demografische transitie: nog steeds een belangrijke uitdaging

15/9/2014

Vergrijzing is een belangrijke uitdaging waarmee we rekening moeten houden, aangezien het een materiële impact heeft, en bovendien economisch en maatschappelijke repercussies heeft. Daardoor is het een relevant actueel thema. De wereldbevolking groeit immers met 1 % per jaar terwijl het aantal ouderen dubbel zo snel groeit. Men verwacht dat er tegen 2025 8 miljard mensen zullen wonen op onze planeet, in vergelijking met 6,9 miljard in 2010. Daarvan zullen er 1,2 miljard ouderen zijn terwijl ze in 2010 nog maar met 700 miljoen waren.

De vergrijzing heeft op twee manieren een impact op de economische groei. Eerst en vooral nemen de sociale uitgaven voor het oudere deel van de bevolking toe. Ten tweede neemt de actieve bevolking af, en dat geldt ook voor hun bijdragen aan de verschillende sociale stelsels.

Tegen 2020 zal het aantal landen dat door de Verenigde Naties wordt bestempeld als ‘sterk verouderd’, namelijk diegene waarvan meer dan 20 % van de inwoners ouder is dan 65, stijgen tot 13. Vandaag zitten Duitsland, Italië en Japan al in die categorie. Tegen 2015 zullen Finland en Griekenland daar eveneens toe behoren.

Het gaat voornamelijk over Europa, hoewel andere landen ook al als ‘oud’ worden bestempeld, met name de Verenigde Staten, Australië, Canada, Cuba en Nieuw-Zeeland.

Het probleem van de vergrijzing treft echter niet uitsluitend de ontwikkelde landen. Landen zoals Argentinië, Brazilië, Chili, China, Thailand en Turkije worden eveneens al beschouwd als oud, aangezien ze een bevolking hebben waarvan ten minste 7 % 65 of ouder is. Een ander verontrustend feit voor de opkomende landen is het tempo waarin de demografische transitie verloopt. China is hiervan een goed voorbeeld. Het veroudert immers schrikbarend snel, wat het resultaat is van de geboortebeperkingen die van toepassing zijn sinds de late jaren 70. De beroepsbevolking is enerzijds fors gedaald en het vruchtbaarheidscijfer is afgenomen, en anderzijds is de levensverwachting gestegen. De bevolking in China ouder dan 65 zal naar verwachting verdubbelen in de periode 2014-2030. Dat is dus in 26 jaar tijd, terwijl de Verenigde Staten er 69 jaar over hebben gedaan om hun bevolking te doen verdubbelen.

De vergrijzing zet druk op de arbeidsmarkt, en doet de beschikbare arbeidsreserve afnemen. De oplossing kan zitten in een toename van de arbeidsparticipatie en immigratie, maar ook in innovatie en technologische vooruitgang, wat een zegen is voor de productiviteit en het menselijke kapitaal (betere opleiding). Vergrijzing heeft dus enkele belangrijke effecten. Een analyse van de kwaliteit van de arbeidsmarkt is dus eveneens een belangrijke indicator die we moeten vergelijken met de verouderingsratio. Die laatste indicator geeft de verhouding weer van het aantal volwassenen in de actieve populatie voor het aantal oudere mensen. In Japan zullen er voor elke volwassene ouder dan 65 tegen 2020 slechts twee volwassenen op arbeidsleeftijd staan. Ook Europa zal een dergelijke evolutie doormaken met een verouderingsratio die op dezelfde termijn zal liggen tussen 2,7 en 3,3 volwassenen op arbeidsleeftijd.

Tegen 2050 zal de ratio naar verwachting 2 tegen 1 bedragen in de ontwikkelde landen en 4 tegen 1 in de opkomende landen.

We moeten dus aandacht hebben voor de samenstelling van de werkloosheidsgraad, de kwaliteit van de arbeidskracht (opleiding) en de dynamiek van innovatie om de productiviteit te verhogen en ervoor te zorgen dat de groei aanhoudt.

Ten slotte zullen weinig landen hun actieve bevolking even snel zien aangroeien als in de afgelopen vijftien jaar. Die investeringskansen, op voorwaarde dat bepaalde voorwaarden zijn vervuld, met name op het gebied van opleiding, bevinden zich voornamelijk in sub-Sahara Afrika (Congo, Ivoorkust, Mozambique, Tanzania of Somalië). Die situatie is helemaal anders in landen zoals Italië of Spanje, waar de actieve bevolking tussen 2000 en 2015 een negatieve groei optekent.

De demografische transitie speelt eveneens een rol op de financiële markten, aangezien dit nauw samenhangt met een toenemende risicoaversie en bijgevolg een invloed heeft op het aanbod van zogenaamd veilige financiële activa. De theorie van de levenscyclus toont aan dat sparen en de vraag naar financiële producten voornamelijk van tel zijn tijdens de beroepsactieve levensfase. Vervolgens wordt het pensioen gefinancierd met de opbrengsten van die investeringen, waarbij het gewicht van risicovolle financiële instrumenten afneemt en er meer vraag komt naar instrumenten van hoge kwaliteit. Na de schuldencrisis in de eurozone een veilig financieel instrument vinden van goede kwaliteit is echter geen sinecure. We moeten immers ook rekening houden met de schuldgraad (bv. de landen uit de periferie), met solvabiliteit (voortdurende verhoging van het Amerikaanse schuldenplafond) en de vergrijzing van de bevolking (Japan). Bovendien gaat de kredietkwaliteit volgens de ratingbureaus eerder in dalende lijn en daalt het aantal emittenten van AAA staatspapier. Het IMF heeft bijvoorbeeld berekend dat het volume van instrumenten van hoge kwaliteit zou afnemen met 9.000 miljard dollar tegen 2016, goed voor een daling van 16 % ten opzichte van het huidige volume.

De demografische transitie is een belangrijke uitdaging voor alle economieën, met inbegrip van de opkomende landen. De toename van de actieve bevolking hangt nauw samen met een stijging van het bruto binnenlands product per capita. Hiertoe is het belangrijk om in te zetten op de opleiding en vorming van jongeren, zodat dat ze later tot een goed opgeleide en omvangrijke arbeidsbevolking behoren.  Om duurzame groei in stand te houden, moeten de opkomende landen nadenken over de ontwikkeling van hun socialezekerheidsstelsel, dat vaak nog in de kinderschoenen staat.

Onderwijs is dus een belangrijke duurzaamheidspijler die ervoor zorgt dat toekomstige generaties de fakkel kunnen overnemen.

De OECD schat dat de helft van de economische groei in de ontwikkelde landen over de laatste tien jaar te danken is aan toegenomen vaardigheden. Daarom is onderwijs, en met name hoger onderwijs, zo belangrijk in onze economie. Japan heeft zijn bevolking fors zien verouderen en is daarmee in zekere zin een voorloper geweest op het gebied van demografische transitie. In de PISA-scores behoort het land echter bij de beste leerlingen, en plaatst het zich net na de beste landen zoals China en Singapore. Japan heeft begrepen hoe belangrijk de toekomstige generaties wel zijn.

Hoewel er op het eerste gezicht misschien weinig evolutie is, blijft duurzaamheidsanalyse onverminderd van groot belang voor financiële instrumenten, aangezien het de risico’s en opportuniteiten op middellange en lange termijn in kaart brengt voor een goed geïnformeerd belegger. De vergrijzing van de bevolking is geen mythe, maar een feit. Het is een belangrijke uitdaging, aangezien het een fenomeen is met heel wat gevolgen, met name inzake de prijzen van financiële activa. Door de materiële impact ervan is een analyse van belangrijke indicatoren zoals de verouderingsratio van de bevolking, het belang van onderwijs en de opleiding van toekomstige generaties en een analyse van de arbeidsmarkt ongetwijfeld gerechtvaardigd.

_____________________________________________

De blauwe olie

25/6/2014

Terwijl de spanningen in Irak toenemen en economen zich zorgen maken over de niet te verwaarlozen gevolgen voor de oliebevoorrading, lijkt het me aangewezen om stil te staan bij een andere kostbare grondstof: water.

In 2005 lanceerden de Verenigde Naties het decennium (2005-2015) van ‘water, bron van leven’, ter gelegenheid van de Wereldwaterdag (22/3). De doelstelling van dit programma is ervoor te zorgen dat de internationale afspraken op het gebied van water worden nageleefd. Hoever staan we nu dit programma op zijn einde loopt? Aangezien water een vitale grondstof is, liggen de economische en financiële uitdagingen voor de hand. Water is niet enkel van levensbelang, het is ook een belangrijke energiebron in bepaalde regio’s van de wereld, met een nog onontgonnen potentieel in andere regio’s.

Watertekort is een probleem waarmee alle landen te kampen hebben; sommige al meer dan andere. Het gaat om een nijpend probleem voor de bevolking en de planeet dat nog verergert door de belangrijke uitdagingen inzake demografie, klimaatverandering en vervuiling. Vandaag hebben 768 miljoen mensen geen toegang tot drinkbaar water en 2,5 miljard mensen hebben geen toegang tot sanitair dat beantwoordt aan de minimumvereisten inzake hygiëne. Vervuild water blijft de belangrijkste doodsoorzaak, nog voor ondervoeding.

De kaart hieronder toont waar het watertekort het meest uitgesproken is. Dit probleem staat in de top 3 van de risico’s voor 2014 van het World Economic Forum. Volgens schattingen zou de helft van de wereldbevolking tegen 2030 worden geconfronteerd met watertekorten (bron Merrill Lynch) en lopen 50 landen het risico om betrokken te worden bij conflicten over water. Die schattingen worden bevestigd door andere bronnen, met name het Massachussetts Institute of Technology (MIT), dat eveneens de waterbehoeften tegen 2050 in kaart heeft gebracht. De meest blootgestelde landen zijn India, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, die eveneens met een hoog tempo verstedelijken.

 par défaut 2014-06-21 à 13.19.06

Bron: UNEP Grid Arendal

Water is tevens van groot belang voor energieopwekking, of het nu gaat om hydro-elektrische energie, de afkoeling van waterkrachtcentrales of geothermische energie. De overheden zijn zich bewust van het potentieel van deze toepassingen. Ze moeten dat ook zijn, om zo het milieu te beschermen tegen eventuele nefaste effecten.

Welnu, hydro-elektrische energie is een waardevol niet-vervuilend alternatief voor de dominantie van energievormen op basis van fossiele brandstoffen.

Internationale samenwerking is hier noodzakelijk, aangezien het grondgebied van 145 landen gelegen is op een grensoverschrijdend waterbekken. Het is belangrijk dat de internationale samenwerking wordt voortgezet en dat er verdragen worden getekend rond grensoverschrijdende hydrografische waterbekkens.

Water is een vraagstuk waar niet alleen landen een antwoord op moeten bieden. Bedrijven worden er eveneens mee geconfronteerd. Dat geldt zeker voor een sector als de voedingssector, die nauw verbonden is met landbouw en nog steeds de belangrijkste waterverbruiker is met meer dan 70% van het verbruikte water, waarvan 60% wordt geloosd. Hoewel irrigatie in de landbouw duur kan zijn, doet dit het rendement van de meeste gewassen met 100 tot 400% toenemen. Daarom is er veel enthousiasme voor innovatieve technologieën die het landbouwrendement per waterdruppel verhogen.

Gewassen zoals graan, maïs, soja of plantaardige olie hebben de grootste ecologische voetafdruk inzake waterbehoefte. Dat is een belangrijke uitdaging voor voedingsbedrijven. Naarmate het waterprobleem acuter wordt, neemt ook de inflatie van grondstoffen toe. Het is niet voldoende dat bedrijven zoals Danone, Nestlé en anderen rekening houden met dit criterium in hun productieproces door het waterverbruik te verminderen en te optimaliseren. Die bedrijven moeten ook alternatieven zoeken en hun grondstoffen zo goed mogelijk gebruiken. Ter illustratie: JPM schat het gecombineerde waterverbruik van Nestlé, Unilever, AB Inbev, Coca-Cola en Danone op 575 miljard liter per dag. Dat is voldoende om te voorzien in de dagelijkse behoeften van elke inwoner van onze planeet.

De nutssector wordt eveneens geconfronteerd met de waterproblematiek, voornamelijk inzake het behoud van de biodiversiteit en de ecosystemen. Het is belangrijk om de intensiteit van het waterverbruik te analyseren, maar ook het percentage water dat wordt gerecycleerd, of welk beleid en welke initiatieven er bestaan om de consumptie te verminderen.

Het is zelfs zover gekomen dat water een echt financieel actief is geworden. Eerst en vooral lopen bedrijven die niet anticiperen op meer watertekorten het risico om met oplopende kosten geconfronteerd te worden. Ten tweede kan water eveneens een beleggingsopportuniteit vormen, zoals bedrijven die gespecialiseerd zijn in oplossingen voor waterbehandeling, waterbeheer of infrastructuur. Zo heeft de index S&P Global Water over de afgelopen 10 jaar een geannualiseerd rendement opgetekend van 9,884% (tot 30/5/2014 in dollar) en daarmee verschillende records voor financiële activa geklopt

Die verschillende elementen tonen aan dat water een belangrijk economisch middel is dat steeds schaarser wordt.

Rekening houdend met uitdagingen als gevolg van de waterproblematiek is het dus van groot belang om de aantrekkelijkheid van een land of bedrijf te beoordelen.

Het probleem moet dus op een allesomvattende manier worden aangepakt, door de invloed te bestuderen van zowel klimaatverandering als socio-economische evoluties, en hun impact op vraag- en aanbodprojecties. Criteria zoals de watervoetafdruk of de intensiteit van het waterverbruik in functie van de omzetcijfers kunnen interessante informatie geven over het vermogen van een bedrijf om te anticiperen en het hoofd te bieden aan de problematiek van waterschaarste.

Vandaag hebben bedrijven meerdere middelen ter beschikking om zich hierop voor te bereiden. De Water Risk Filter ontwikkeld door het WWF is een eerste kans om het risico in te schatten. Hiermee kan eveneens worden bepaald hoe afhankelijk een nieuw project van een bedrijf is van water.

De komende jaren zal de waterproblematiek alleen maar belangrijker worden. Als verantwoord bedrijf moeten wij daar aandacht aan besteden.

In ontwikkelde landen, waar je slechts de kraan hoeft te openen om water te hebben, mogen we niet vergeten dat water een kostbaar goed blijft, en dat we ermee moeten omgaan zoals met gelijk welke ander schaarse grondstof.

_____________________________________________

Rana Plaza : één jaar later

14/5/2014

Op 24 april 2013 stortte het gebouw Rana Plaza in Bangladesh in als gevolg van een brand die aan meer dan 1.100 onderbetaalde arbeiders het leven kostte. Het gebouw, dat sindsdien berucht is, omvatte vijf werkplaatsen van onderaannemers in de textielindustrie. De ramp legde de onbewoonbaarheid van het gebouw, de afwezigheid van veiligheidsnormen en de werkomstandigheden bloot van de ondergekwalificeerde werknemers die hele dagen de kleding maken die onze westerse vitrines siert.

Het artikel dat we indertijd schreven, “Hoop op de as van het Savar-gebouw”, bevatte een sprankeltje hoop. Deze ramp, die zeker niet de eerste was maar wel de hoogste menselijke tol eiste, legde de nadruk op het belang van controle op onderaannemers voor kledingbedrijven, die bekommerd zijn om hun imago in de media.

De balans, één jaar later

Hoewel het puin nog niet werd geruimd en er nog steeds lichamen onder bedolven liggen, is er slechts een bescheiden vooruitgang geboekt. Twee akkoorden werden gesloten als gevolg van de ramp: enerzijds het Veiligheidsakkoord, dat voornamelijk door Europese winkelketens werd ondertekend, en de Alliantie, ondertekend door de Amerikaanse concurrenten. Die twee akkoorden hebben druk uitgeoefend op de autoriteiten in Bangladesh. De voornaamste verbeteringen van de beruchte werkomstandigheden zijn de volgende:

  • stijging van het minimumloon tot ongeveer 50 euro, wat meer is dan wat in de andere industrietakken van het land wordt betaald;
  • meer inspecties door de autoriteiten voor de veiligheid van industriële gebouwen;
  • toelating voor de oprichting van een vakbond.

Nochtans leggen de hervormingen een gebrek aan middelen bloot om fatsoenlijke werkomstandigheden te garanderen en ervoor te zorgen dat de nieuwe maatregelen worden toegepast.

De veiligheid blijft immers een heikel punt en er zijn nog vaak branden in het land. De veiligheidsnormen worden nog steeds met de voeten getreden: zo zijn er lege en onvoldoende brandblussers, oude elektriciteitsinstallaties, geen nooduitgangen, enz.

Verschillende kledingmerken hadden een fonds opgericht om de families van de slachtoffers schadeloos te stellen. Het Rana Plaza Donor Trust Fund wilde bij de kledingketens 40 miljoen dollar ophalen om de families te vergoeden. Op 24 april 2014 was er nog maar 8,8 miljoen opgehaald, zonder de bijkomende 7 miljoen dollar die werd gestort door Primark.

Bovendien hebben de kledingmerken zich ertoe verbonden om de onderaannemers te controleren en blijft het groeiritme van de textielindustrie in Bangladesh hoog (10% in 2014). Het valt echter te betreuren dat de vraag naar onderaannemers zich verplaatst heeft naar Cambodja en Ethiopië, waar arbeid (nog) niet de looninflatie heeft gekend van de andere Aziatische landen, die begon in Bangladesh.

Nochtans zijn de onderbetaalde arbeiders, voornamelijk in Cambodja, in opstand gekomen onder invloed van de internationale beweging voor meer rechtvaardigheid en respect voor mensen- en arbeidsrechten.  Het is een opstand tegen het minimumloon, dat echter hoger ligt dan in Bangladesh (60 euro/maand) en tegen het hoge werkritme dat de arbeiders verplicht om 700 kledingstukken te maken per dag per persoon. De opstand werd echter gewelddadig neergeslagen. Er vielen vier doden en tientallen gewonden. De menselijke tol is hoog in vergelijking met de winst: een stijging met 15 euro van het minimumloon.

Hoewel het minimumloon een erg belangrijk onderdeel is van de werkomstandigheden van de onderaannemers in de risicolanden, weegt deze factor uiteindelijk niet zwaar door: het loon van de arbeiders vertegenwoordigt minder dan 1% van de prijs van het kledingstuk dat men koopt in de winkel! Dit percentage schommelt in functie van het niveau van onderaanneming.

De kledingverdelers hebben immers – en dat pleit in hun voordeel – een excuus wegens de complexiteit van de onderaannemingsketen. Die is in deze sector immers behoorlijk complex. De keten begint bij de katoenteelt of de productie van synthetische vezels, de omzetting ervan in draden en tot slot de productie van kleding en luxegoederen.

De sector is bijzonder arbeidsintensief en telt voornamelijk niet-gekwalificeerde arbeiders, vaak ook kinderen. De producerende landen hebben vaak ongeschikte wetten, passen de wetten amper toe en treden de arbeidsrechten met de voeten.

Zulke omstandigheden zetten de deur open voor moderne slavernij. Zo wordt Myanmar, in navolging van Ethiopië, het nieuwe walhalla voor de onderaanneming. Het land kent immers een ondermaatse arbeidswetgeving en een minimumloon van 40 euro per maand, en dat zijn enorme troeven voor kledingfabrikanten.

Nochtans komt er nauwer toezicht op de bevoorradingsketens en moeten bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen en zich meer informeren over de totaliteit ervan. De traceerbaarheid van de grondstoffen, de controle op de arbeidskrachten, enz. Het reputatierisico is zo groot dat de bedrijven geen andere keuze hebben dan functionele controlemechanismen in te voeren en de arbeiders en vakbonden te garanderen dat ze hun feedback kunnen geven over de arbeidsomstandigheden.

De twee voornaamste akkoorden, het Veiligheidsakkoord en de Alliantie, zijn akkoorden op vijf jaar. We dienen de huidige impact ervan dus niet te onderschatten en de geboekte vooruitgang nauwlettend op te volgen.

Onderaanneming is meer dan ooit het mikpunt van de ngo’s en andere stakeholders binnen de textielindustrie. Hoewel moderne slavernij nog steeds bestaat, is er een gestage verbetering van de arbeidsomstandigheden van niet-gekwalificeerde arbeiders, waardoor het probleem zich verplaatst naar andere landen waar de wetgeving nog achterophinkt. Door de veelvuldige verplaatsingen zal de moderne slavernij geen geschikte vestigingsplaats meer vinden. Zowat overal duiken opstanden op. Vandaag hebben Adidas, Nike en Asics te kampen met belangrijke stakingsbewegingen in China. Het protest is daarbij niet gericht op de lonen maar op sociale uitkeringen, zoals bijvoorbeeld de ziekteverzekering. Volgens Reuters is het aantal stakingen in China sinds het jaarbegin met een derde toegenomen. En aangezien een studie van PwC in 2008 stelde dat de gemiddelde beursprestatie van bedrijven die te kampen hebben met onderbrekingen van de bevoorradingsketen ongeveer 19% lager ligt dan de gemiddelde prestatie van bedrijven die dit probleem niet kennen, hebben de financiële professionals een sterk argument in handen om zich van nabij met deze problematiek bezig te houden.

Er is dus nog hoop.

_____________________________________________

Social impact obligaties en groene obligaties, de obligaties van de toekomst?

22/4/2014

Terwijl financiële discussies zich sterk richten op een mogelijke rentestijging, komen obligaties van een nieuw type steeds meer opzetten: de ‘green bonds’ en de ‘social impact bonds’.

Hoewel ze beide de naam ‘obligatie’ dragen, mogen ze geenszins verward worden. De green bonds of groene obligaties hebben als doel een welbepaald milieuproject te financieren. Het gaat net als bij een traditionele obligatie om een staatslening of een bedrijfslening met een coupon en met terugbetaling van het kapitaal op de eindvervaldag.

De social impact bonds of social impact obligaties (SIO) dragen, toegegeven, een naam die weinig te maken heeft met waar ze eigenlijk voor staan. Het gaat immers niet echt om een lening met een regelmatige couponbetaling, noch om de terugbetaling van het kapitaal.

SIO’s zijn immers eerder een contract tussen verschillende belanghebbende partijen, uit de openbare en private sector. De eerste SIO zag in 2010 het levenslicht in het Verenigd Koninkrijk, waar sindsdien meerdere initiatieven volgden, met name in Peterborough. De lokale gemeenschap haalde er via de private sector immers vijf miljoen pond op om een project met een looptijd van zes jaar te financieren dat het recidivisme bij voormalige gedetineerden wil verminderen, aangezien het nationale gemiddelde relatief hoog ligt (60 %).

Het gaat om een financieel contract waarbij de partijen hun geld investeren om op private wijze projecten te beheren met een maatschappelijke of milieu-insteek. Ze brengen vier belangrijke partners samen rond een maatschappelijk en/of milieuproject, namelijk een partner uit de openbare sector, die het maatschappelijke en/of milieuprobleem dat moet worden opgelost, definieert, de sociale belegger, die het project voorfinanciert, de operator, doorgaans een vereniging zonder winstoogmerk, en ten slotte een onafhankelijke auditor.

De publieke partner definieert het probleem en doet via een financiële tussenpersoon een beroep op privéfinanciering om geld op te halen. De organisatie zonder winstoogmerk heeft als opdracht om het gedefinieerde probleem op te lossen met het opgehaalde geld. De onafhankelijke auditor evalueert de vooruitgang van het project en beoordeelt de behaalde resultaten om zo te bepalen of de voorwaarden van het contract worden nagekomen. In dat geval betaalt de overheid het bedrag dat door het maatschappelijke project werd bespaard in vergelijking met kosten die volledig worden gedragen door de overheid, en behoudt ze het saldo. De tussenpersoon kan dan het kapitaal terugbetalen alsook het rendement dat vooraf werd beloofd aan de privébeleggers. Daarom wordt de term ‘obligatie’ gebruikt: op de eindvervaldag is er een terugbetaling van het kapitaal en uitbetaling van het rendement. Nochtans mag men niet uit het oog verliezen dat als de voorwaarden van het contract niet worden vervuld, d.w.z. de maatschappelijke en/of milieudoelstelling wordt niet bereikt, de overheid niet aansprakelijk is en dat de privébelegger zijn inleg niet terugbetaald krijgt.

SIO’s hebben heel wat praktische toepassingen, gaande van het vergemakkelijken van de zoektocht naar een baan voor immigranten, tot re-integratieprojecten voor gedetineerden om het recidivisme te doen afnemen, de opvang van jongeren in moeilijkheden om te vermijden dat ze in een tehuis worden geplaatst, of het zorgen voor diabetici die de hygiënische normen die vereist zijn voor hun behandeling niet volgen.

Hoewel SIO’s sterk bekritiseerd werden, en beschouwd werden als een privatisering van de openbare diensten en een financiële speculatie op de zwakste bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld de programma’s ten gunste van daklozen), worden ze door de overheid, die de voordelen van dergelijke contracten erkent, steeds meer aangemoedigd en aanvaard. Angela Merkel heeft ze eveneens naar voren geschoven als een echt beleidsinstrument.

Het voordeel van de afwenteling van het risico voor de overheid ligt voor de hand. De overheid komt immers slechts financieel tussenbeide als de vooropgestelde doelen worden bereikt en bevestigd door de onafhankelijke auditor. Daarom is het zo belangrijk dat de kwaliteit en objectiviteit van de onafhankelijke auditor buiten kijf staat.

Hoewel het voordeel duidelijk is, is de ontwikkeling van dit type obligatie niet gegarandeerd. Ze kan immers geconfronteerd worden met bepaalde, eerder culturele overwegingen. Eerst en vooral moet de overheid beseffen dat ze machteloos staat tegenover een specifieke problematiek en erkennen dat ze er niet efficiënt mee kan omgaan. Bovendien kunnen zulke problemen voorkomen in heel wat landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk of België, waar de verzorgingsstaat een sterke pijler blijft in de geest van de bevolking en wordt beschouwd als een belangrijke taak van de overheid, die ervoor moet instaan. De SIO’s hebben af te rekenen met een negatieve perceptie, en worden beschouwd als een speculatief financieel instrument om geld te ‘verdienen’ op de kap van de zwaksten.

Voor organisaties zonder winstoogmerk is het voordeel eveneens vrij duidelijk, aangezien SIO’s een innovatieve financieringsbron vormen die belangrijk en noodzakelijk kan zijn in verhouding tot de omvang van de vereiste projecten. Aangezien de organisatie zich geen zorgen meer hoeft te maken over de financiering, kan ze zich concentreren op haar voornaamste activiteit, namelijk preventieve en oplossingsgerichte programma’s voor specifieke maatschappelijke en/of milieuvraagstukken.

Voor de privébelegger ligt het antwoord niet meteen voor de hand. SIO’s zorgen voor een diversificatie van hun portefeuille met een atypische activaklasse en bieden eveneens een maatschappelijke en financiële return op de belegging wanneer de meetbare doelstellingen worden bereikt.

Wanneer dat niet het geval is, kan de maatschappelijke doelstelling gedeeltelijk worden bereikt, maar de financiële niet. SIO’s kunnen daarom worden beschouwd als een vorm van filantropie. Volgens sommigen kan filantropie echter niet worden verzoend met rendement en een prestatiepremie. Dat is wel degelijk het geval bij SIO’s wanneer de doelstellingen worden behaald, aangezien de privébelegger zijn inleg dan terugbetaald krijgt met een rendement dat progressief kan worden vastgesteld in functie van de doelstellingen. In het geval van het project van Peterborough kan het rendement oplopen tot 13 % in functie van de verlaging van het recidivisme. Als het recidivisme echter met minder dan 7,5 % is teruggedrongen, bedraagt het rendement nul.

Er bestaat eveneens een politiek risico voor de privébelegger. Er moet immers een zekere stabiliteit worden gegarandeerd bij de lokale overheid om ervoor te zorgen dat het programma wordt verdergezet na verkiezingen. In deze periode voor de verkiezingen in België is een gewaarschuwd belegger er twee waard.

_____________________________________________

Kan genderdiversiteit de prestaties van een bedrijf ten goede komen ?

18/03/2014

De dag van de vrouw was de gelegenheid om te herinneren aan de belangrijkste verworvenheden van de laatste decennia, die bij de jongere generatie grotendeels in de vergetelheid zijn geraakt. Namelijk: het stemrecht voor vrouwen in 1948, het openen van een rekening zonder goedkeuring van de echtgenoot in 1976 enz.

Dat kan vandaag de dag onwaarschijnlijk lijken. Misschien zullen we het over een aantal jaren eveneens ondenkbaar vinden dat er minimumquota worden opgelegd met betrekking tot het aantal vrouwen binnen het directieteam van een bedrijf.

Nochtans komt de kwestie rond een, vrijwillig of opgelegd, minimumpercentage vrouwen in de raad van bestuur van grote ondernemingen regelmatig ter sprake.

Noorwegen was een voortrekker op dat gebied door vanaf 2002 een quotasysteem op te leggen voor raden van toezicht. Dat model wordt door steeds meer Europese landen overgenomen.

Nochtans, en ondanks deze verplichting, blijkt uit een recente studie dat bij de 25 grootste beursgenoteerde bedrijven van het land geen enkele vrouw de functie van Chief Executive Officer (CEO) bekleedt. En slechts één bedrijf zou een vrouw hebben als Chief Financial Officer (CFO). Die vaststelling zou vooral te wijten zijn aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen de privésector. Vrouwen zouden in 2011 immers slechts 37 % van de werknemers van de privésector vertegenwoordigen tegenover 71 % binnen de openbare sector.

Het is een feit dat vrouwen aan het hoofd van grote bedrijven eerder de uitzondering dan de regel zijn. Bij wijze van voorbeeld kunnen we de vooruitgang in typisch ‘mannelijkere’ sectoren vernoemen, zoals de benoeming in december vorig jaar van Marry Barra, de eerste vrouwelijke CEO van een grote automobielconstructeur, bij de Amerikaanse autoreus General Motors. In februari 2013 had Honda Motors al een eerste stap genomen door de eerste vrouw binnen de raad van bestuur te benoemen.

Dichter bij huis, in Frankrijk, heeft Crédit Agricole in november 2013 eveneens een vrouw benoemd binnen het directiecomité van de groep. Het comité telde al sinds 2009 geen enkele vrouw meer.

Nochtans wordt Frankrijk als voorbeeld genoemd op het gebied van een evenwichtige vertegenwoordiging tussen mannen en vrouwen. In 2012 telden de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven 22 % vrouwen volgens een studie van Ernst & Young rond de bedrijven van de CAC 40 (large caps) en de SBF 120 (kleine en middelgrote kapitalisaties). Die prestatie vloeit voort uit de wet Copé-Zimmermann van 2011, die een minimumquota oplegt van 20 % vrouwen binnen de raad van bestuur van beursgenoteerde bedrijven met minimaal 500 werknemers en een omzet van meer dan 50 miljoen euro in 2014. Dit cijfer moet tegen 2017 stijgen tot 40 %.

Volgens dezelfde studie telt Spanje, waar een gelijkaardige wet bestaat, 26 % vrouwen binnen de raden van bestuur.

Dat cijfer daalt tot 19 % in het Verenigd Koninkrijk, waar geen enkele wettelijke maatregel ter zake werd genomen. In Italië wordt er op dit moment aan een wettekst gewerkt.

Bij ons heeft het Belgische parlement in juni 2011 een voorstel goedgekeurd dat overheidsbedrijven en beursgenoteerde bedrijven verplicht om binnen hun raad van bestuur minimaal 30 % vrouwen te hebben.

Opnieuw bestaan er heel wat verschillen tussen de Europese landen. De Europese Unie heeft in november vorig jaar opgelegd dat de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven tegen 2020 40 % vrouwen moeten tellen.

Hoewel die quota’s in stijgende lijn gaan, vooral in Frankrijk, is er nog een lange weg te gaan voor ook de verloning op gelijke hoogte komt. Volgens een recente studie van de Franse Economische, Sociale en Milieuraad (CESE) blijft het jaarloon van vrouwen gemiddeld 27 % lager dan dat van hun mannelijke tegenhangers.

Is minimumquota opleggen doodgewoon een kwestie van gelijkheid en evenwicht? Of kan genderdiversiteit de prestaties van het bedrijfsmanagement ten goede komen?

Zonder in het debat te vervallen van ‘mannen komen van Mars en vrouwen van Venus’, brengt diversiteit ook een verscheidenheid aan meningen met zich mee en zorgt het ervoor dat er echte debatten en uitwisselingen van ideeën met de nodige kritische zin kunnen ontstaan. Bovendien wordt het reële gebrek aan tegenspraak en het in vraag stellen van belangrijke beslissingen die worden genomen door bedrijfsleiders met gelijkaardige profielen en die van dezelfde scholen komen steeds vaker vernoemd als een van de oorzaken van de crisis van 2008.

De kwestie rond de toegevoegde waarde van genderdiversiteit is een debat dat al erg lang aan de gang is. Laten we in dat verband de studie aanhalen van het Onderzoeksinstituut van Crédit Suisse: ‘Gender diversity & corporate performance’. Uit die studie, die verscheen in augustus 2012 en die de prestaties van 2 360 bedrijven over de jongste zes jaar analyseert, blijkt dat het lonender was om te investeren in bedrijven met vrouwen aan het roer dan in bedrijven zonder vrouwen die het voor het zeggen hebben. Het gaat hier om een observatie; er kon niet meteen een oorzaak-gevolgverband worden vastgesteld. Bovendien leidt de analyse tot twee conclusies: enerzijds lijken bedrijven met een betere genderdiversiteit defensiever van aard te zijn, anderzijds zou de betere prestatie kunnen terugvallen tijdens periodes met een stabieler macro-economisch klimaat wanneer bedrijven meer worden beloond als ze agressieve groeistrategieën volgen.

par défaut 2014-03-12 à 09.05.45

Bron Crédit Suisse

In Japan, terwijl de regering-Abe eveneens een betere genderdiversiteit nastreeft met een minimum van 30 % vrouwen binnen het directiecomité van beursgenoteerde bedrijven tegen 2020, stelt een studie van de bank Nomura dat beursgenoteerde bedrijven die positieve discriminatie hebben toegepast met betrekking tot genderdiversiteit op lange termijn beter presteren dan de Japanse beursindex (Topix).

Met de kans op betere prestaties en de talrijke regelgevingen in het voordeel van vrouwen binnen bedrijven, mogen we veronderstellen dat op een 8e maart in de toekomst de jongere generaties zich erover zullen verbazen dat er quota moesten worden opgelegd om ervoor te zorgen dat er binnen de raden van bestuur evenveel vrouwen als mannen zouden zijn.

________________________________________________________________

De zaden van verantwoorde landbouwinvesteringen: voor wanneer is de oogst?

10/2/2014

Olivier De Schutter, woordvoerder van de Verenigde Naties rond het recht op voeding, gaf een overzicht van de evolutie van de beleggingen in de landbouwsector de jongste jaren.

Ngo’s spreken zich regelmatig verontwaardigd uit over financiële speculatie op voedingsgrondstoffen. Dat leidt immers tot prijsstijgingen en zorgt ervoor dat de meest kwetsbare bevolkingen niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud.

Hoewel vandaag heel wat financiële instellingen hun indexfondsen in landbouwgrondstoffen en hun fondsen belegd via termijncontracten hebben gesloten, blijft het vraagstuk over het recht op grond van kapitaal belang.

Landbouw vereist immers boven alles bewerkbare grond. De kwestie van het recht op grond, maar ook het milieuvraagstuk rond de uitputting van de gronden zijn toenemende bezorgdheden van ngo’s, maar eveneens van agro-voedingsbedrijven, hun klanten en hun aandeelhouders.

De Nestlés en Danones van deze wereld kunnen geen genoegen meer nemen met het produceren van smakelijke en kwaliteitsvolle voeding. Ze moeten deze ook produceren met respect voor hun ecologische en sociale omgeving.

Oxfam maakt via ‘behind the brands’, in het kader van zijn GROW-campagne, regelmatig een evaluatie van de vooruitgang die de top 10 van agro-voedingsbedrijven hebben geboekt op zeven thema’s die verband houden met verantwoorde landbouw. Het vraagstuk van de grond, op het gebied van milieu en sociale kenmerken, blijft het meest verontrustend voor de ngo.

Eerst en vooral, en dat werd ook aangegeven door Olivier De Schutter, hebben de misbruiken uit het verleden een klimaat van wantrouwen gecreëerd tussen de agro-voedingsbedrijven en de landbouwersorganisaties die opkomen voor de rechten van de landbouwers. Na de financiële crisis van 2008 hebben de overheden van de opkomende landen niet geaarzeld om de aanbodvoorwaarden van hun gronden extra aantrekkelijk voor te stellen om op die manier privékapitaal te kunnen aantrekken en de aanzienlijke achterstand die was ontstaan door een gebrek aan overheidsinvesteringen in de landbouwsector weg te werken. Bij die transacties werden de lokale gemeenschappen meestal niet geraadpleegd, en werd hun toegang tot de grondstoffen waarvan ze afhankelijk zijn ernstig in het gedrang gebracht.

Bovendien worden in Sub-Sahara-Afrika, waar de landinvesteringen op grote schaal geconcentreerd zijn, de landbouwgronden in de rurale gebieden in de meeste gevallen beschouwd als eigendom van de staat. Daardoor wordt de rurale bevolkingen elke bescherming van hun grondrecht afgenomen.

Ten slotte zijn grondinvesteringen een domein waarin corruptie welig tiert.

Maar laten we niet vervallen in fatalisme. Olivier De Schutter vestigde immers de aandacht op verschillende initiatieven van zowel de staten als de privésector.

Aan de ene kant keurde het Comité voor Voedselveiligheid (intergouvernementeel comité van de FAO[1]) een aantal aanbevelingen over deugdelijk beheer van de natuurlijke hulpbronnen goed. Hoewel de tekst niet juridisch bindend is, heeft hij een sterke legitimiteit. Hij is immers het resultaat van lange onderhandelingen die twee jaar hebben geduurd om een consensus te bereiken tussen tientallen overheden. Hij is daarom een stap in de richting van meer transparantie en minder landbouwconcentratie.

Bovendien heeft de Wereldbank in 2010, samen met de FAO, het IFAD[2] en de UNCTAD[3], zeven principes opgesteld voor verantwoorde beleggingen in de landbouwsector. De tekst heeft echter aan legitimiteit ingeboet door het gebrek aan betrokkenheid van de overheden en de maatschappij. Vandaag buigt datzelfde Comité voor Voedselveiligheid zich over het opstellen van Principes voor Verantwoorde Landbouwinvesteringen die gericht zijn op de privésector. Deze tekst, die zou moeten worden goedgekeurd in oktober 2014, zou een regelgevend kader bieden, met name voor agro-voedingsbedrijven inzake de relaties met hun bevoorradingsketen.

Op dat vlak boekte de ngo behind the brands al meerdere successen. Wat betreft die zeven thema’s – grond, vrouwen, landbouwers, arbeidskrachten, klimaat, transparantie en water – maakte de wereldwijde top 10 van de agro-voedingssector al wat vooruitgang. Het is echter jammer dat geen enkele van hen de beste score behaalt (‘Goed’, score tussen 8 en 10) op geen enkel van de aangehaalde thema’s. De vooruitgang heeft voornamelijk betrekking op de kwestie van de arbeiders, het klimaat en het water en in mindere mate de transparantie.

Maar laten we opnieuw niet in fatalisme vervallen, en laten we ook het samenwerkingsverband benadrukken dat werd opgericht binnen de sector, zoals met name de Roundtable for Sustainable Palm Oil (RSPO)[4], die verschillende bedrijven en ngo’s samenbrengt die betrokken zijn bij de palmolieteelt, vooral dan in Indonesië en Maleisië. De verbeteringen, of ze zich nu voordoen op milieuvlak met de stopzetting van de ontbossing, of op sociaal vlak met betere arbeidsvoorwaarden voor de arbeiders, zijn opmerkelijk en laten een betere toekomst verhopen.

Ieder heeft op zijn niveau de plicht om te zorgen voor meer transparantie en respect voor de rechten van de aarde.

De agro-voedingsbedrijven zouden duidelijk de herkomst van hun landbouwgrondstoffen moeten identificeren, alsook de risico’s en gevolgen voor de gemeenschappen betreffende grondkwesties.

Zodra er een duidelijke identificatie bestaat, zouden ze zich moeten verbinden tot een nultolerantiebeleid inzake land grabbing.

Ten slotte beschikken ze over een pressiemiddel tegenover de overheden en tegenpartijen wat betreft grond en kunnen ze eveneens hun sectorgenoten aanzetten om ook nultolerantie toe te passen.

Beleggers dragen op dat vlak ook een verantwoordelijkheid. Ze kunnen immers de dialoog aangaan om het beleid inzake landbouwgrond te versterken en actief deelnemen aan de initiatieven die investeringen verantwoordelijker maken, om zo te komen tot meer transparantie.


[1] Food & Agriculture Organisation – Organisatie van de Verenigde Naties voor Voeding en Landbouw

[2] International Fund for Agricultural Development (IFAD) – Internationaal Fonds voor Landbouwontwikkeling

[3] UN Conference on Trade and Development (UNCTAD) – Conferentie van de Verenigde Naties inzake Handel en Ontwikkeling (CVNHO)

[4] Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie

_____________________________________________

Is corruptie een indicator om rekening mee te houden?

13 januari 2013

Nu de eindejaarsfeesten achter de rug zijn – waarbij gerookte zalm of foie gras vragen kunnen oproepen – is het een goede gelegenheid om eens terug te blikken op het voorbije jaar.

In 2013 was er immers een belangrijke verjaardag: Transparency International, de ngo die op verschillende niveaus strijdt tegen corruptie, bestond twintig jaar.

Elk jaar publiceert Transparency International zijn corruptieperceptie-index voor meer dan 170 landen over de hele wereld. Hoewel het hier gaat over de gepercipieerde corruptie, is deze informatie van essentieel belang om na te gaan of er een gunstig of ongunstig zakenklimaat bestaat.

Bovendien zijn er verschillende verbanden gelegd tussen het corruptieniveau en armoede, gezondheid of alfabetiseringsgraad. In landen die in volle ontwikkeling zijn, is de corruptieperceptie-index een indicator die dus heel wat ruimer gaat dan de corruptie van openbare of private instellingen. Hij geeft immers ook bijkomende informatie over de staat van een bevolking, zijn toekomst en sociale stabiliteit. Dat is belangrijke informatie waarmee de financiële gezondheid van een land kan worden beoordeeld.

In de laatste editie van 2013 werd er weinig vooruitgang opgetekend. Hoewel de Europese landen bij de beste van de klas horen, is er een verslechtering van de gepercipieerde corruptie in landen zoals Spanje, Portugal en Italië. Nochtans heeft dat laatste land vooruitgang geboekt op het vlak van de politieke beslissingen die werden genomen in 2013. Hoewel volgens de consensus de Europese landen uit de crisis geraken, zou een verslechtering van het corruptieniveau dat ontluikende herstel in de kiem kunnen smoren.

Op het Amerikaanse continent werd er weinig vooruitgang opgetekend. In Noord-Amerika zakt Canada enkele plaatsen binnen het klassement. In Zuid-Amerika behalen de meeste landen een score van minder dan 50 (op een schaal van 0 tot 100).

Het is het Afrikaanse continent dat bemoedigende resultaten neerzet, hoewel corruptie nog steeds een pijnpunt blijft. De gepercipieerde corruptie blijft nog steeds hoog, maar er werden concrete maatregelen genomen om deze plaag uit te roeien.

Er komt steeds meer wetgeving om de transparantie te verhogen en om de strijd tegen corruptie aan te gaan. We kunnen meerdere initiatieven vermelden. In Brazilië treedt er bijvoorbeeld een wet in werking die een boete oplegt tot 20 % van de inkomsten van een bedrijf die afkomstig zijn van corruptie.

Dichter bij huis heeft Frankrijk zijn werking tegen corruptie verbeterd met een systematische bescherming van personen die ongebruikelijke transacties melden (whistleblowers). De boetes staan eveneens in verhouding tot de inkomsten en zijn niet langer geplafonneerd op 1 miljoen euro.

Deze klokkenluidermechanismen (whistleblowing), waarin de Angelsaksische wereld nogal wat vertrouwen lijkt te stellen, nemen in aantal toe. Ze zijn heel wat breder verspreid in Europa, maar roepen heel wat vragen op over de bescherming van de rechten van deze klokkenluiders. Zo is er in België door het ontbreken van echte wetgeving ter zake geen juridische bescherming voor deze aanklagers, die vrezen dat ze zullen worden belaagd of ontslagen.

Die systemen om praktijken aan de kaak te stellen zijn voornamelijk van toepassing in het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg, Roemenië en Slovenië. De efficiëntie ervan wordt wel in vraag gesteld (bescherming van rechten, valse verklaringen enz.). Alvorens ze een oplossing kunnen bieden voor het corruptieprobleem in zijn geheel, dient er op verschillende punten nog vooruitgang te worden geboekt inzake de juridische tekortkomingen. Er moet ook een reële politieke draagkracht voor bestaan. Vandaag wordt er de voorkeur gegeven aan auditprocedures om de integriteit van informatie beter te beschermen.

Dit regelgevende kader zal naar verwachting uitbreiden dankzij de initiatieven die werden genomen om lobbypraktijken te omkaderen. De grens tussen corruptie en lobbywerk blijft immers erg vaag. Verschillende organisaties, ngo’s of andere, pleiten immers voor een betere omkadering van lobbyactiviteiten. De doelen die zij nastreven zijn perfect verdedigbaar:

  • de gelijke toegang tot beslissingnemers, zodat beslissingen geen specifiek belang zouden dienen;
  • integriteit om secundaire effecten zoals een gebrek aan transparantie, belangenconflicten enz. te vermijden;
  • en ten slotte de opspoorbaarheid van de beslissingen die werden genomen door de beslissingnemers om zo burgers volledige transparantie te bieden. Transparency International pleit voor een betere omkadering van de lobbyactiviteiten in lijn met de aanbevelingen van de OESO.

De strijd tegen corruptie wint aan belang. De factuur wordt steeds gepeperder, of het nu voor een overheid is of voor een bedrijf. Voor bedrijven is de financiële boete immers afhankelijk van de inkomsten en wordt ze niet langer geplafonneerd. Voor overheden creëert corruptie een omgeving die weinig gunstig is voor zakendoen, met directe gevolgen voor het welzijn van de bevolking en met aanzienlijke risico’s op instabiliteit. De uitdagingen die verband houden met corruptie zijn belangrijke criteria voor een belegger, of hij nu aandeel- of obligatiehouder is. Een verwittigd belegger is er twee waard.

_____________________________________________

Onderwijs: een erg belangrijke duurzaamheidsuitdaging

11/12/2013

De publicatie van de PISA-testen van de OESO toont aan dat onderwijs een belangrijke pijler is voor de toekomst van landen. Dankzij die testen kunnen de kennis en vaardigheden van scholieren van 15-16 jaar in 64 economieën immers worden vergeleken.

Zuidoost-Azië, en voornamelijk China en Singapore, steekt er duidelijk bovenuit en bekleedt de toppositie op drie vereiste vaardigheden: wiskunde, wetenschappen en leesvaardigheid. De Europese landen zitten eerder in de middenmoot van het klassement.

De analyse van deze resultaten is relevant in het kader van duurzaamheid, aangezien ze de onderwijssystemen onder de loep legt en nagaat in welke mate een land in staat is om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties voldoende opgeleid zijn.

Terwijl er in meerdere geïndustrialiseerde landen steeds meer wordt gevreesd voor een gebrek aan ingenieurs, zijn de resultaten van de wiskundetests van Belgische scholieren niet erg hoopgevend. Ze mogen dan wel beter zijn dan het gemiddelde van de OESO, ze zijn de afgelopen tien jaar wel achteruitgegaan. En dan gaan we nog niet in op de verschillen die er bestaan tussen de regio’s, een problematiek die we tegenkomen in meerdere landen, voornamelijk in Spanje en Italië, waar er aanzienlijke verschillen zijn. Die worden eveneens verklaard door de uiteenlopende socio-economische situatie van de regio’s.

Socio-economische en culturele elementen blijven erg uiteenlopend in ons land en bij onze buren zoals in Frankrijk. In een periode waarin overheden de uitgaven moeten afremmen en gezinnen steeds meer geld moeten ophoesten, wordt duidelijk de vraag gesteld of alle leerlingen wel dezelfde kansen krijgen. De studie van de OESO besluit hierover dat hoewel er niet minder leerkrachten zijn in de achtergestelde onderwijsinstellingen, ze vaak minder gekwalificeerd zijn.

België, en Europa in het algemeen, moet aandacht hebben voor deze problematiek, die vandaag een belangrijke uitdaging is. Enerzijds hangt het onderwijssysteem grotendeels af van overheidsmiddelen, in een periode van budgetbeperkingen. Anderzijds is er een gebrek aan hooggekwalificeerde werkkrachten. Dat zorgt ervoor dat er een opbod is in de aanwerving van ingenieurs en dergelijke, die niet aarzelen om naar het buitenland te trekken, waar er meer kansen zijn. Italië heeft zo momenteel te kampen met een belangrijke hersenvlucht, aangezien de economische malaise de hooggeschoolden nu niet meteen in het land houdt.

Bedrijven die duurzaam willen handelen, moeten ook rekening houden met de manier waarop het onderwijssysteem van hun land evolueert. Binnen hooggekwalificeerde sectoren of sectoren die sterk afhankelijk zijn van innovatie, moeten ze ook de beste werknemers aantrekken en behouden. Het volledige arbeidskader voor de werknemer moet in kaart worden gebracht om na te gaan of het zorgt voor stabiliteit bij het personeel, en vooral of het de knappe koppen van het bedrijf kan behouden om de toekomst ervan te verzekeren.

Dit is de reden waarom bedrijven meer betrokken zouden moeten zijn bij de opleiding van studenten in landen zoals het onze, waar het systeem grotendeels afhangt van overheidsmiddelen. Meer betrokkenheid van de privésector zou er ook voor zorgen dat de penibele financiën van de belangrijkste Europese landen worden aangepakt, zonder af te glijden naar een systeem waarbij de zwaarste last op de schouders van de gezinnen wordt geplaatst, wat zou leiden tot een onaanvaardbare ongelijkheid van kansen.

Dat zien we bijvoorbeeld in Zuidoost-Aziatische onderwijssystemen, zoals in China. Hoewel Shanghai zowel voor wiskunde en wetenschappen als voor leesvaardigheid op kop staat, wordt het onderwijssysteem in erg geringe mate gefinancierd door overheidsmiddelen en eerder door de gezinnen. Onderwijs is voor hen een van de belangrijkste uitgavenposten.

Bovendien zou dit fenomeen aanleiding kunnen geven tot een gevaarlijke ‘onderwijskoorts’, waarbij gezinnen worden geconfronteerd met belangrijke keuzes, zoals de verkoop van hun huis of zich te diep in de schulden steken om het best mogelijke onderwijs te krijgen.

Bovendien verklaren socio-economische en culturele factoren de belangrijke verschillen tussen individuele prestaties.

Hoewel het model van de opkomende landen voor ons onvolmaakt kan lijken, moeten we toegeven dat Europa een bepaalde achterstand heeft op het vlak van nieuwe technologieën en de mogelijkheden die ze bieden, vooral op het gebied van kosten en onderwijs voor iedereen. Onderwijssystemen die gebaseerd zijn op e-learning, waarbij een shift plaatsvindt van klassikaal onderwijs naar digitaal en gepersonaliseerd onderwijs, zijn immers vooral een succes in de Verenigde Staten en meerdere opkomende landen, terwijl onze contreien nog steeds vrij weigerachtig staan tegenover het gebruik van dit type technologie.

België, maar ook Europa in het algemeen, moet onderwijs dringend centraal stellen binnen zijn duurzaamheidsproblematiek. Enerzijds is dat nodig vanuit economisch standpunt om de efficiëntie te verhogen, maar anderzijds ook om de competitiviteit van de bedrijven te verbeteren. Op die manier zouden ze hooggekwalificeerde medewerkers hebben die de binnenlandse economie vooruit willen helpen. In het licht van de demografische uitdagingen is het zaak om niet langer op korte termijn te denken, maar ook aan investeringen in duurzamere kennis en vaardigheden.

Onderwijs is de sleutel tot de toekomst. Het roept meerdere duurzaamheidsvragen op, zowel voor Staten als voor bedrijven.

_____________________________________________

Beleggen in kernwapens?  Natuurlijk niet!

13/11/2013

Het rapport over controversiële beleggingen van wereldwijde financiële instellingen in kernwapens, gepubliceerd door  de Nederlandse NGO IKV Pax Christi – in samenwerking met de International Campaign to Abolish Nuclear Weapons (ICAN) – deed onlangs veel stof opwaaien. Het rapport “Don’t bank the bomb” vermeldt enkele Belgische banken. Hoe kan men duurzame beleggingsproducten ontwikkelen en tegelijkertijd kernwapens financieren? Dit is echter een gemakkelijke redenering.

De media verspreidt immers heel snel informatie  die de reputatie van een investeerder tijdelijk beschadigen. Wanneer we echter de lijst van bedrijven die in het rapport in kwestie als « zwart » worden bestempeld  van dichterbij bekijken, stellen we vast dat een aantal bedrijven inderdaad tot de ‘usual suspects’ behoren, maar dat voor andere bedrijven de link met kernwapens niet voor de hand ligt. Laten we het voorbeeld van Rolls Royce nemen. Bij het horen van deze naam denken de meeste mensen aan “luxewagens”; slechts weinigen denken aan kernwapens. Toch maakt het bedrijf in het Verenigd Koninkrijk deel uit van een joint-venture om een nieuw type onderzeeër te ontwikkelen, die is uitgerust met de zogenaamde “Successor” kernwapens.

Een ander sprekend voorbeeld is Thyssenkrupp. Op de website van de Duitse onderneming staat: “het ontwikkelen van oplossingen voor een duurzame vooruitgang”. Tot de belangrijkste producten van dit bedrijf behoren: versterkt en ultralicht staal, apparatuur voor windturbines, elektriciteitskabels of verscheidene auto-onderdelen voor de controle van de CO2-uitstoot of voor veiligheidsmechanismen bij ongevallen. Het bedrijf levert ontegensprekelijk inspanningen voor een meer duurzame toekomst. Toch is ThyssenKrupp via zijn afdeling Marine Systems betrokken bij de bouw van Dauphin onderzeeërs die bestemd zijn voor het Israëlische leger.

Hoe kan dit? Door de complexiteit en de globalisering van de productieketens en het toenemend aantal onderaannemers wordt het nu eenmaal steeds moeilijker om alle activiteiten van een multinational te kennen. Misschien bevat uw smartphone of Blackberry wel een element dat in onderaanneming werd gemaakt door een bedrijf betrokken bij de productie van componenten, die worden gebruikt voor lanceringsinstallaties bij kernproeven.

Net als in een toenemend aantal landen, bestaat in België een wet,  gekend onder de naam « Wet Mahoux », die financiële instellingen verbiedt om te beleggen in controversiële wapens. Hiertoe behoren: antipersoonsmijnen, splinterbommen alsook munitie en bepantsering met verarmd uranium. Vreemd genoeg lijken kernwapens niet te behoren tot dit type wapens. Zijn ze dan niet omstreden?

Kernwapens zijn een controversieel onderwerp. Momenteel zijn er vijf landen die officieel erkend zijn te beschikken over kernwapens: de Verenigde Staten, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China. Drie andere landen hebben door hun tests bewezen dat ze ook over kernwapens beschikken: India, Pakistan en Noord-Korea. Er zijn ook serieuze vermoedens dat Israël ze eveneens bezit. En dan hebben we het nog niet over de landen die Amerikaanse kernwapens opsloegen tijdens de koude oorlog: Nederland, Italië, Turkije, Duitsland en ons eigen land … Rusland en de Verenigde Staten blijven in elk geval de twee landen met de meeste kernwapens.

Terwijl het risico op ongevallen steeds verder afneemt dankzij de technologische verbeteringen, is het weinig geruststellend dat het aantal kernmachten toeneemt. Het non-proliferatieverdrag voor kernwapens is net bedoeld om dit risico weg te nemen. Het verdrag werd opgesteld in 1968 met als doelstelling de wereldwijde verspreiding van kernwapens te voorkomen. Het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) is belast met het waarborgen van de toepassing ervan. Hoewel dit verdrag quasi wereldwijd werd goedgekeurd, hebben diverse kernmachten geweigerd om het te ratificeren, met name India, Pakistan en Noord-Korea.

Eveneens belangrijk is het verdrag betreffende het algeheel verbod op kernproeven. Dit verdrag, dat door de VN werd goedgekeurd in 1996, verbiedt alle nucleaire tests of andere soorten kernexplosies, zowel voor vreedzame als voor militaire doeleinden. Toch is dit verdrag op dit moment nog steeds niet van kracht omdat het nog niet werd geratificeerd door een aantal belangrijke landen. Slechts 35 van de 44 landen zoals vereist in Bijlage 2 van het Verdrag, hebben het geratificeerd. Tot de landen die het niet ondertekend hebben, behoren: China, Egypte, de Verenigde Staten, Iran, Israël, Noord-Korea, India en Pakistan. Frankrijk, dat het Verdrag wel heeft ondertekend, heeft echter opnieuw zes ondergrondse tests uitgevoerd tussen het begin van de eerste ambtstermijn van Jacques Chirac in 1995 en 27 januari 1996.

Deze verschillende initiatieven hebben reeds geleid tot een aanzienlijke afname van het aantal kernwapens op wereldwijde schaal: daar waar hun aantal in het midden van de jaren 80 van de 20e eeuw op 70.000 werd geraamd, zouden het er nu nog 17.000 zijn.  Met een dergelijke daling spreekt het voor zich dat de bedrijven actief in de productie van kernwapens op zoek gaan naar andere ontwikkelingsmarkten en hun activiteiten diversifiëren. Dit verklaart dat er steeds minder transparantie is over de betrokken bedrijven.

Het staat onomstotelijk vast dat de 314 miljard dollar die door de privésector wordt geïnvesteerd in kernwapens, eerder zouden besteed kunnen worden voor meer duurzame en minder controversiële doeleinden.

Zoals het rapport “Don’t bank the bomb” ook benadrukt zijn de financiële spelers,  (banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen), zich ervan bewust dat het belangrijk is om het kaf van het koren te scheiden bij hun investeringen. Een meerderheid van hen past een welomschreven beleid toe met betrekking tot deze omstreden investeringen en de betrokkenheid beperkt zich meestal tot een duidelijk omschreven kader. Toch moet men benadrukken dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen de rechtstreekse en onrechtstreekse betrokkenheid van een onderneming bij kernwapens. De kwestie is meestal niet doorzichtig. Bovendien is het opstellen van een zwarte lijst van bedrijven die actief zijn in kernwapens een moeilijke en hachelijke oefening omwille van het toenemend aantal spelers die betrokken zijn in de productieketen alsook door de steeds toenemende complexiteit van de productieprocessen.

Lees ook:

– zwarte lijsten

Bron van de foto : Nevada Site Office Photo Library

_____________________________________________

Aandeelhoudersactivism : Moet men stemmen om verantwoordelijk te zijn?

8 october 2013

Zouden beleggers – in navolging van de stemplicht in België om onze burgerplicht te vervullen – verplicht hun stem moeten uitbrengen om verantwoordelijk te zijn?

De jongste jaren hebben aandeelhouders steeds vaker hun democratische stem uitgebracht; institutionele beleggers nemen steeds vaker deel aan de algemene vergaderingen van bedrijven waarin ze investeren.

Die verhoogde interesse in de deelname aan aandeelhoudersvergaderingen wordt onder meer verklaard door het groeiende succes van de Principes voor Verantwoord Beleggen van de Verenigde Naties (UNPRI). Een van die zes principes houdt immers in om een actieve belegger te zijn die rekening houdt met ESG-vraagstukken (ecologische, sociale en bestuurskwesties) in zijn aandeelhoudersbeleid en -praktijken.  Met meer dan 1.200 leden die de PRI ondertekend hebben en samen zowat 34.000 miljoen dollar vertegenwoordigen, neemt het aantal activistische asset owners en asset managers elke dag toe.

Toch heeft het begrip ‘actieve aandeelhouder’ in de ene cultuur een andere invulling dan in de andere. Zo is er een verschil tussen een belegger van het Europese vasteland of een Angelsaksische. Terwijl een Europese institutionele belegger vaker op aandeelhoudersvergaderingen stemt dan vroeger, blijft het Angelsaksische engagement, waarbij directe communicatie met het bedrijfsmanagement vooropstaat om er druk op uit te oefenen, erg beperkt.

Het behoort tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid van een belegger om ook voor zijn beleggingen zijn verantwoordelijkheid te nemen. Deelnemen aan algemene vergaderingen is dus noodzakelijk. Moet de overheid dit in de wetgeving opnemen en aandeelhouders verplichten om te stemmen? In de Verenigde Staten gaat de Dodd-Frank Act in die richting met betrekking tot de vergoedingen van bedrijfsleiders. Frankrijk zou een gelijkaardig ontwerp kunnen aannemen op basis van de Afep-Medef-code, die voorziet in een raadplegende stem over de vergoeding van bedrijfsleiders. Dit onderwerp is essentieel als het gaat over verantwoorde beleggingen en het voortbestaan van bedrijven op lange termijn. Blijft nog de vraag of aandeelhouders op dat niveau van betekenis kunnen zijn. Volgens een recente studie[i] die nagaat of het uitoefenen van stemrechten een invloed heeft op het bedrijfsmanagement, is het antwoord bevestigend. Vooral met betrekking tot de vergoeding van de bedrijfsleiders hebben bedrijven de neiging om hun verloningsbeleid vóór de formele stemming aan te passen volgens de aanbevelingen van gespecialiseerde agentschappen. Zo vermijden ze een ongunstig stemadvies. Een recente studie van Mercer Human Resource Consulting bevestigt dat. Steeds meer bedrijven wijzigen hun verloningsbeleid nadat hun Say on Pay-resolutie werd verworpen. Dat heeft ervoor gezorgd dat het gemiddelde aantal gunstige stemmingen na een verwerping gestegen is tot 41 % in 2012. Dichter bij huis was de goedkeuring door de Zwitsers van het voorstel van Minder tegen overmatige verloningen ook het gevolg van de verwerping door de aandeelhouders van het rapport over de verloning van de managers van de Zwitserse privébank Julius Baer. En dat terwijl het gaat om een raadplegende stem.

 Nochtans mogen we niet vergeten dat het uitoefenen van stemrechten een bepaalde procedure vereist die een bepaalde kostprijs met zich meebrengt, vooral op het niveau van de bewarende banken. Het stemrecht is dus eerder een voorkeursrecht dat weggelegd is voor grote beleggers. Nochtans kan collaborative engagement een oplossing bieden met voldoende kritische massa. Zo kan er steeds een stembeleid worden overwogen en toegepast dat de relevantie van de stem en de kosten die eraan verbonden zijn tegen elkaar afweegt.

Wanneer een bedrijf een bepaalde weging heeft in de portefeuilles van een belegger, moet die laatste beseffen dat hij een aanzienlijke invloed kan hebben door zijn stemrecht uit te oefenen. Hoewel het meestal de goedkeuring van de resultaten van het vorige boekjaar betreft, komen er ook regelmatig essentiële zaken op tafel zoals een kapitaalverhoging, een benoeming in de Raad van Bestuur, enz.: dat zijn eveneens erg belangrijke onderwerpen voor de toekomstige ESG-strategie van een bedrijf. Het is dus belangrijk om zijn stem uit te brengen. Er zijn verschillende mogelijkheden om zijn stemrecht uit te oefenen: men kan een directe stem uitbrengen of een beroep doen op een dienstverlener.

De aandeelhouder hoeft niet per se zijn verantwoordelijkheid te nemen door gebruik te maken van engagement, dat in West-Europa soms als agressief wordt beschouwd. Hoewel Angelsaksische partijen vaak formele brieven sturen om informatie te verkrijgen of zelfs druk uit te oefenen op de raad van bestuur, kan er ook een dialoog worden opgestart via een meeting met het bedrijfsmanagement. Financieel analisten en portefeuillebeheerders stellen nog te vaak geen ESG-vragen. Hun excuus is dat niemand zulke vragen stelt en dat het bedrijf toch geen antwoord zal geven. Anderzijds, wanneer we met communicatieverantwoordelijken spreken over de duurzaamheid van bedrijven, klagen deze dat de beleggers geen vragen stellen over die strategieën. Door bedrijven vaker te ondervragen over hun ESG-uitdagingen zullen ze vaker antwoorden, en dat vervolgens doen op een systematische en spontane manier. De aandeelhoudersdialoog over ESG-vraagstukken heeft een toegevoegde waarde aangezien ze winst oplevert en tegelijkertijd de negatieve ESG-risico’s en -invloeden vermindert.

Aandeelhoudersengagement – of het nu gaat over Angelsaksisch engagement, het stemmen op aandeelhoudersvergaderingen en/of een geëngageerde dialoogvoering met bedrijven – is een unieke beheerstool die de belegger moet gebruiken. Hierdoor kan hij risico’s beter inschatten, waarden en goede praktijken verdedigen en zo bijdragen tot duurzamere bedrijven. Het is dus een langetermijnproces dat – als het gestructureerd wordt toegepast – via een sneeuwbaleffect steeds meer toegevoegde waarde creëert en een positieve invloed heeft op de prestaties van een bedrijf en het langetermijnsucces van een belegging.


[i] “Outsourcing shareholder voting to proxy advisory firms”, Rock center for corporate governance at Stanford University Working Paper nr. 119, 10 mei 2013.

Lees ook:

– niet alleen voor institutionele beleggers

_____________________________________________

Sociaal verantwoord beleggen, enkel weggelegd voor institutionele beleggers?

9/9/2013

Hoewel de meeste institutionele beleggers het ermee eens zijn dat verantwoord beleggen een gevestigde waarde is, moeten we erkennen dat de interesse van privébeleggers nog lauw blijft.

Het is niet zo dat deze beleggers zich helemaal niet druk maken om de mogelijke impact van hun beleggingen – wel integendeel. Het is waarschijnlijker dat ze door de bomen het bos niet meer zien doordat de heterogene markt hen geen echte aanknopingspunten geeft.

Eerst en vooral bestaat er heel wat verwarring over de gebruikte terminologie. Verantwoord beleggen kan tot uiting komen in verschillende soorten van engagementen, gaande van impact investing – een directe investering in bedrijven, organisaties of fondsen om een meetbare invloed uit te oefenen op de maatschappij en/of het milieu – tot de traditionelere sociaal verantwoorde beleggingsfondsen.

Deze laatste worden, als gevolg van hun historische religieuze achtergrond, verbonden met het concept van ethische en morele waarden en sluiten vaak bepaalde sectoren of praktijken uit (pornografie, tabak, doodstraf enz.). Vandaag de dag is de wereld van het verantwoord beleggen, die steeds vaker de ‘s’ van ‘sociaal’ achterwege laat, echter heel wat breder dan enkel morele en religieuze waarden. De verantwoorde belegger is ervan overtuigd dat onze planeet het hoofd moet bieden aan uitdagingen – op het vlak van maatschappij, milieu en bestuur – en heeft daarom een bredere kijk op de economische actoren die verder gaat dan het puur financiële. Voordat een bedrijf al dan niet wordt uitgesloten, analyseert deze aanpak de handelswijze en het engagement van een bedrijf ten opzichte van zijn maatschappelijke rol en zijn fiduciaire verantwoordelijkheid. Het gaat er meer om dat men in dialoog treedt met een bedrijf om te begrijpen en het ervan te overtuigen dat er betere praktijken bestaan voor belangrijke aspecten inzake milieu, sociale aangelegenheden en bestuur. Daarom wordt de afkorting ESG (environmental, social and governance) steeds vaker gebruikt, meer bepaald de ‘integratie van ESG-criteria’. De financiële kostprijs in termen van het rendement van een belegging wordt niet langer afgemeten aan het feit of een meer sociaal verantwoord bedrijf wordt verkozen boven een ander. De vraag “hoeveel gaat ethisch zijn me aan rendement kosten,” is een vraag die regelmatig opduikt in gesprekken. Maar in tegenstelling tot het verhogen van het financiële rendement via een bijkomende waarde, of het nu is in de vorm van rendement – een bedrijf dat rekening houdt met de uitdagingen van morgen is een innovatief en performant bedrijf – of in de vorm van risico/volatiliteit, een bedrijf dat bekommerd is om zijn omgeving op ecologisch en maatschappelijk vlak en ten opzichte van anderen is een bedrijf dat beter voorbereid en beschermd is tegen de risico’s van morgen.

Deze ontwikkeling in de wereld van het verantwoord beleggen heeft nog tijd nodig om te slagen en de beleggers te overtuigen. Om dat te bekomen, moeten we drie elementen naar voren schuiven.

Eerst en vooral, transparantie. Hoewel dit een essentiële vereiste is voor elke extra-financiële analyse, moeten we toegeven dat zogenaamde verantwoorde-beleggingsfondsen en andere strategieën vandaag nog onvoldoende transparant zijn om de privébelegger in staat te stellen om in het huidige aanbod zijn weg te vinden. In België biedt de financiële sector – voornamelijk de aanbevelingen van Febelfin en Beama – een eerste stap in de richting van meer transparantie. Elk fonds dat zich ‘verantwoord’, ‘duurzaam’, ‘sociaal verantwoord’ of iets gelijkaardigs noemt, moet een minimum aan informatie vrijgeven en een aantal voorwaarden vervullen om als dusdanig op de site van Febelfin/Beama te worden opgenomen. In Frankrijk is het Novethic-label een erkenning voor sociaal verantwoorde fondsen die worden gecommercialiseerd op de thuismarkt. Aangezien er geen echte concurrentie bestaat op de markt, wordt het label steeds meer erkend als internationale referentie in de wereld van verantwoorde beleggers. Hoewel de professionals dit label veelal erkennen, blijft het echter een nobele onbekende voor heel wat particulieren, en zeker buiten Frankrijk. En dat terwijl het was opgericht als een label voor de privémarkt! De  particulier kan zich bovendien vandaag niet wenden tot de Europese instanties. Er is werkelijk een gebrek aan referentiekader in deze sector.

Vergelijkbaarheid hangt nauw samen met transparantie en is een belangrijke voorwaarde om verantwoord beleggen verder te ontwikkelen. Aangezien het concept niet welomlijnd is, kan er over vergelijkbaarheid altijd worden gediscussieerd. De definitie van verantwoord of sociaal verantwoord beleggen geeft zelfs al aanleiding tot heel wat debatten. In Frankrijk hebben twee verschillende werkgroepen zich gebogen over het onderwerp, waarmee onmiddellijk wordt aangetoond dat er geen overeenstemming is over de definitie. De meeste bestaande definities richten zich meer op de mogelijke processen van de verschillende benaderingen van verantwoord beleggen – uitsluiting, negatieve selectie, positieve selectie, best in class, enz. – maar uiteindelijk gaat het weinig om het onderwerp en de beoogde doelstellingen.

Vergelijkbaarheid is lastig omdat bepaalde aspecten van verantwoord beleggen immaterieel zijn. Meetbaarheid is immers de meest aangewezen manier om twee financiële producten perfect te kunnen vergelijken. Hoewel de labels en aanbevelingen de kwaliteit van een duurzame strategie steeds vaker beoordelen op basis van de kwaliteit van de research, het bestaan van activisme, enz. staat de meetbaarheid van de impact van een duurzame benadering nog in de kinderschoenen. Om aan geloofwaardigheid te winnen, moet de benadering zich meer concentreren op de rendementen die de strategie kan voorleggen in plaats van op het proces zelf. Als we het hebben over rendement, gaat het hier niet enkel om financieel rendement. Dat blijft belangrijk aangezien de particulier nu eenmaal een belegger blijft die wenst dat zijn portefeuille rendeert. Het gaat hier over de fameuze dubbele alfa, namelijk de overtuiging dat de duurzaamheidsanalyse een toegevoegde waarde biedt in het onderkennen van de risico’s en opportuniteiten van een belegging. Maar eveneens een extra-financieel rendement. Heeft de beleggingsportefeuille een positieve invloed op het milieu, de maatschappij en/of deugdelijk bestuur? Ook in dat opzicht is de wereld van het verantwoord beleggen in beweging. Het evalueren van financieel rendement volstaat immers niet meer, men wil tonen dat de portefeuille globaal gezien meer rekening houdt met het milieu (de bedrijven waarin belegd wordt kunnen bijvoorbeeld minder CO2 uitstoten, enz.) . Er is echter tijd nodig voordat de meetinstrumenten en referentiepunten volledig efficiënt en betrouwbaar zijn.

Voor financiële producten heeft het aanbod doorgaans de vraag bepaald. Het is dus aan de financiële instellingen om verantwoord beleggen naar voren te schuiven en toegankelijk te maken voor elke belegger. Door de transparantie, vergelijkbaarheid en meetbaarheid van deze strategie te verhogen, zullen de financiële instellingen in staat zijn om de voordelen van verantwoord beleggen overtuigend uit te leggen en zullen ze hun maatschappelijke rol ten volle kunnen uitoefenen.

Lees ook:

 rol van de zwarte lijsten

– groeilanden en duurzame beleggingen

_____________________________________________

Hoop op de brokstukken van het Savar-gebouw

5 juni 2013

Vermogensbeheerders, institutionele en private beleggers worden zich in toenemende mate bewust van hun rol in het zakenleven en van het belang dat andere dan zuiver financiële criteria kunnen hebben.

Getuige daarvan is de toename van de asset owners en asset managers die de Principes voor Verantwoord Beleggen van de Verenigde Naties hebben ondertekend, of het nu qua aantal is of op het gebied van de activa onder beheer.

Die zes principes zetten asset owners en asset managers ertoe aan om op alle bedrijfsniveaus ESG criteria (Environment, Social, Governance) toe te passen.

Doorgaans zijn criteria op het gebied van deugdelijk bestuur relatief goed ingeburgerd bij vermogensbeheerders, aangezien die waarschijnlijk het dichtst aanleunen bij de financiële rekeningen. De kwaliteit en haalbaarheid van een businessplan beoordelen, vraagt een analyse van de betrouwbaarheid van het management en vereist dat men stilstaat bij kwesties zoals de raad van bestuur, de samenstelling ervan, de kwaliteit en transparantie enz.

De milieuramp bij BP en de neergang van de beurskoers van het bedrijf is een keerpunt geweest. Toen is men zich vragen beginnen te stellen rond milieuzaken en financiële kosten die ermee samenhangen en een impact hebben op de waardering van oliebedrijven, maar ook andere ondernemingen. De milieuwetgeving wordt alsmaar strenger, met boetes en juridische kosten die – hoewel ze nog vaak verwaarloosbaar blijven in vergelijking met de omzet van de betrokken bedrijven – een steeds belangrijkere kost vormen en de beurskoers beïnvloeden. Dan hebben we het nog niet over het reputatierisico, dat soms zelfs nog belangrijker is. Bedrijven besteden daarom steeds meer aandacht aan die problematiek.

Het trieste nieuws rond de rampzalige brand die woedde in het Savar-gebouw in Bangladesh, die ontstond op 24 april jongstleden en aan meer dan 1.100 mensen het leven kostten (tot 16 mei), kan een bijkomend argument vormen om meer aandacht te besteden aan sociale criteria. Het klopt dat deze gebeurtenis niet de eerste is; over de jongste zes maanden, was dit het derde dodelijke incident in Bangladesh.  De menselijke tol ervan is echter hoog en de media-aandacht is aanzienlijk geweest. Textielbedrijven zoals H&M of Inditex kunnen na een dergelijk ongeluk de talrijke vragen niet zomaar naast zich neerleggen. Voor zulke bedrijven is het reputatierisico immers enorm. Het is evenmin vanzelfsprekend om op alle muren in grote Europese hoofdsteden de mooie en glimlachende Vanessa Paradis tentoon te spreiden, die een prachtige blouse draagt met het opschrift ‘Conscious collection’ van H&M terwijl er tezelfdertijd een foto circuleert van de grote baas van de Zweedse winkelketen met de slogan ‘Enough fashion victims’ pal in het rampgebied van het Rana Plaza gebouw.

Vandaag blijft de financiële kost beperkt tot het operationele risico dat ontstaat als gevolg van de vertraging door de productie-onderbreking en de tijd die het kost om een alternatief te zoeken. Wanneer men weet dat de textielindustrie goed is voor meer dan 80 % van de totale export van het land en meer dan 3,5 miljoen mensen tewerkstelt, zal een alternatief relatief snel gevonden worden.

Het blijft boven alles een kwestie van reputatierisico. Maar als dat uiteindelijk betere praktijken bevordert, is dat een goede zaak. Bij alle initiatieven die bedrijven nemen om hun sociale verantwoordelijkheid op te nemen, is het erg moeilijk om de ‘green wash’ te scheiden van de rest. De grote multinationals zijn immers erg efficiënt in het opstellen van een duidelijk en gedetailleerd beleid, en van procedures en engagementen.. Nochtans is de toepassing in de praktijk en de opvolging van die goede voornemens een heel andere zaak. Betreurenswaardige ongelukken zoals die in het Savar-gebouw kunnen weinig bekende methodes aan het licht brengen. De mooie glimlach van Vanessa heeft ons laks en blind gemaakt voor weinig verantwoorde praktijken. Beleggers en consumenten moeten worden gesensibiliseerd, in combinatie met een scherpere controle van regelgevers en zwaardere financiële gevolgen om zo paal en perk te stellen aan dit soort praktijken.

Kan de integratie van ESG-criteria een vicieuze cirkel zijn? Financiële instellingen zouden er meer aandacht aan besteden en dus beter letten op hun werkwijzen en controverses. De toegenomen controle en het reputatierisico dat ermee samenhangt, kan bedrijven ertoe aanzetten om procedures en een beleid in te voeren om hun extra-financieel profiel te verbeteren. Die verbeteringen kunnen een positieve invloed hebben op de verschillende partijen, of het nu vanuit het oogpunt is van werknemers, klanten of leveranciers.

Ten slotte is er eveneens het wettelijke risico, dat op middellange en lange termijn in belang zal toenemen. De regering van Bangladesh moet opboksen tegen toenemende druk uit Europa en elders om de veiligheidsnormen en controlesystemen te verbeteren. Het belang van de textielindustrie voor het land kan voornamelijk verklaard worden door de schamele lonen van de arbeiders, die bij de laagste zijn in de regio. China heeft deze industrie immers zien verhuizen naar zijn buurlanden omdat de lonen in het land gestaag toenamen.

Uurkost van arbeidskracht in de textielindustrie

 

Bron: Exane BNP Paribas,

In Bangladesh zijn de lonen sinds 2006 niet meer gestegen. Het mag daarom geen wonder heten dat de arbeiders, van wie er weinigen lid zijn van een vakbond en vaak met geweld worden onderdrukt door de overheid, in opstand komen. Dit was het geval met de tussenkomst van de strijdkrachten van Rapid Action, een elite-eenheid van de politie die in principe wordt opgeroepen voor georganiseerde misdaden en terroristische aanslagen. De vakbonden zijn doorgaans illegaal in de industrie en zijn gedwongen om in het geheim te werken met belachelijk lage budgetten. Als ze wordt geconfronteerd met nieuwe spanningen, zal de regering van Bangladesh ongetwijfeld gedwongen worden om haar beleid ten aanzien van vakbondsvertegenwoordiging te herzien, alsook haar houding jegens ngo’s die in de bres springen voor de rechten van de arbeiders in deze industrie, die worden beschouwd als verstoorders van de nationale vrede.

Laten we het akkoord dat is voortgekomen uit de ramp in Bangladesh dus beschouwen als een belangrijke stap voorwaarts in de richting van een duurzamere economische activiteit. Het valt zeker te betreuren dat we bij de bedrijven die geweigerd hebben om dit akkoord – dat hen engageert om gedurende minimaal vijf jaar de veiligheid van de fabrieken te controleren – Amerikaanse kleinhandelaars zoals Wal-Mart hebben teruggevonden, die zich vaak aan zulke praktijken bezondigen.

En laten we ook verheugd zijn om het feit dat de beleggingsgemeenschap een gelijkaardig initiatief heeft genomen door een verklaring te ondertekenen waarbij de vertegenwoordigers van meer dan 1.200 miljard aan activa onder beheer van grote textielmerken en de distributiesector eisen dat ze er collectief blijven voor zorgen dat de fundamentele sociale rechten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden nageleefd en toegepast, en dat er een nultolerantie bestaat van elk misbruik in de productieketen.

Dit toont aan dat het belangrijk is dat de bevoorradingsketen wordt gecontroleerd. Dit is van groot belang voor alle stakeholders van het bedrijf. De keuze van de leveranciers moet gebeuren na een grondige analyse en integraal deel uitmaken van de bedrijfsstrategie.

_____________________________________________

Is corruptie een noodzakelijk kwaad?

 6 Mei 2013

Corruptie in de zakenwereld is schering en inslag. Hoewel dit duidelijk indruist tegen de zakelijke ethiek, zullen veel investeerders zeggen dat het noodzakelijk is voor het welslagen van projecten, voornamelijk in landen zoals Nigeria en dergelijke. Een bedrijf dat weigert om mee te doen uit ethische overwegingen zou zijn kansen op succes zien smelten als sneeuw voor de zon.

Is het dus onmogelijk om succesvol te zijn zonder zijn toevlucht te nemen tot corruptiepraktijken? Is een belegger in een bedrijf daarom verplicht om te kiezen tussen performance en ethisch zakendoen?

Zeker niet.

Enerzijds tonen verschillende recente gevallen, zoals o.a. het Olympus-schandaal, aan dat de beurskoers eronder lijdt wanneer een corruptiegeval bekend wordt.

Anderzijds wordt de wetgeving ter zake steeds strikter en dwingt ze bedrijven om aandachtiger en vooral transparanter te zijn over de gedane betalingen.

De Verenigde Staten hebben hierrond in 2004 al wetgeving opgesteld. Het Verenigd Koninkrijk volgde pas in 2010 met de Bribery Act-wetgeving, die beschouwd wordt als de meest vergaande op dit gebied. En dat terwijl de Europese instellingen nog maar net een ontwerp van verdrag hebben gemaakt.

De voorsprong van de Verenigde Staten op de wetgeving hierrond kan verklaren dat Amerikaanse bedrijven, volgens de laatste studie van Vigeo[1] over corruptiepreventie binnen beursgenoteerde bedrijven, beter voorbereid lijken, en duidelijke engagementen laten zien. De transparantiegraad is quasi volledig met 99% van de geanalyseerde bedrijven die hun engagementen op dit gebied kenbaar maken. En dat terwijl slechts 87% van de Europese en maar 66% van de bedrijven uit Azië-Pacific dezelfde transparantie vertonen. Hoewel Europa vooruitgang heeft geboekt sinds de laatste enquête van Vigeo, verbergen de statistieken belangrijke verschillen tussen de lidstaten. Oostenrijkse en Ierse bedrijven behalen relatief zwakke scores met betrekking tot de duidelijkheid van hun engagementen; de score van Franse, Spaanse en Finse bedrijven is licht hoger, terwijl Nederlandse bedrijven een gemiddelde score van 55/100 behalen.

Het bestaan van een wetgevend kader blijkt dus een invloed te hebben op de bedrijven in het voorkomen van dit probleem.

En nochtans zou het in het licht van de latente risico’s opportuun zijn voor een bedrijf om zich hiertegen te beschermen, of er nu in het land een wettekst bestaat of niet.

Er zijn immers meerdere risico’s. Naast de kostprijs zelf van de corruptie en de eventuele boete bij een veroordeling – en dan zwijgen we nog over het risico op rechtszaken door de duur van de processen – is het reputatierisico aanzienlijk en kan het schandaal lange tijd wegen op het imago van het bedrijf. Als een bedrijf betrokken is bij een corruptiezaak kan het worden uitgesloten van veel aanbestedingen van klanten die een transparant beleid hebben rond het bannen van corruptie. Vervolgens zullen verschillende bedrijven weigeren om samen te werken met een corrupte partner. Andere partijen zouden het bedrijf in kwestie kunnen verplichten om de bestaande overeenkomsten te herzien.

Corruptie zorgt eveneens voor onduidelijkheid in de zakelijke relatie. Zal er een beperking staan op de corruptie? Wat gebeurt er als de gesprekspartners wisselen? Die onzekerheid levert bijkomende kosten op. Het gebrek aan transparantie en visibiliteit moet dus worden opgenomen in de beoordelingsmodellen van de projecten in kwestie. Het gaat over een belangrijke kostenpost, die volledig verkeerd kan worden ingeschat doordat er onduidelijkheid bestaat rond de berekening van het rendement op de investering. Het voorbeeld van het bedrijf BAE is op dat gebied interessant. In het licht van talrijke beschuldigingen van corruptie waarbij het bedrijf betrokken was en door de draagwijdte van de gerelateerde problemen, heeft het bedrijf een nultolerantiebeleid aangenomen voor corruptie, waardoor het bepaalde contracten heeft verloren. De kostprijs van de risico’s die hierboven worden vernoemd is duidelijk hoger dan een eventuele opportuniteitskost.

Volgens de studie van Vigeo zou corruptie nog meer aanwezig zijn op de zogenaamde ‘business to business’-markten. Zo zijn de sectoren die hieraan het meest onderhevig zijn, in volgorde van belangrijkheid, de bouw en openbare werken, de farma- en biotechnologiesector, de fabrikanten van medische uitrusting en diensten, oliedienstenleveranciers en ten slotte de autosector.

Vandaag is de ontginningssector relatief goed gepositioneerd binnen de klassementen. De druk van de stakeholders heeft resultaat gehad en heeft de bedrijven ertoe aangezet om zich beter te wapenen op dit gebied. Zo is Statoil regelmatig terug te vinden bij de best geplaatste bedrijven in verschillende studies over het onderwerp.

De ontwerptekst die is voortgekomen uit de onderhandelingen tussen de drie Europese instanties mikt eveneens op deze sector. Hij stimuleert zowel publieke als private groepen die actief zijn in de gas-, olie- of bosbouwsector om in alle transparantie te communiceren over de gedane betalingen aan overheden voor elk project dat meer dan 100.000 euro inkomsten genereert. De wet zal hen verplichten om de totale betalingen van elk project publiek te maken, net als de belastingen op winsten of productie, de royalty’s, dividenden, bonussen en elke betaling die verband houdt met de verbetering van de infrastructuur.

Hoewel de wet een sector reguleert die al veel vooruitgang heeft geboekt dankzij de druk van de stakeholders, lijkt ze een belangrijke stap voorwaarts te zijn in de richting van meer verplichte transparantie voor alle bedrijfstakken.

Maar is communicatie rond betalingen voldoende om corruptie te bestrijden?

Hoewel het normaal is dat de bedrijven de overheden vergoeden voor de exploitatie van natuurlijke rijkdommen, blijft de begunstigde van die betalingen een vraagteken. Nochtans zijn de bedrijven niet in staat om de bestemming van de betaalde vergoedingen na te gaan of zelfs te bepalen. De staat zou de belangrijkste speler moeten zijn die ervoor zorgt dat die financiële vergoedingen worden gebruikt voor het welzijn van de volledige bevolking, zodat de duurzaamheid ervan gewaarborgd wordt. Daarom is het werk van Transparency International rond de corruptie-index die elk jaar wordt gepubliceerd erg belangrijk om de minder goed presterende landen op dit gebied eruit te halen.

Het mag duidelijk zijn dat de overheden en regelgevende instanties een belangrijke rol te spelen hebben in de strijd tegen corruptie.

Multinationals moeten eveneens een duidelijk beleid voeren. Bovendien moet transparante communicatie samengaan met een duidelijk en sterk engagement bij de hoogste niveaus binnen het bedrijf, en moeten alle medewerkers worden opgeleid en gesensibiliseerd opdat de duidelijk bepaalde doelstelling van het bedrijf zou worden opgenomen en toegepast binnen alle geledingen en dochtermaatschappijen. Dat is nodig opdat ze effectief kan zijn in de strijd tegen corruptie binnen het hele bedrijf. De opleiding en sensibilisering van de medewerkers werd in de studie van Vigeo erkend als de zwakke schakel van het corruptiepreventiebeleid.

Ten slotte hebben zowel institutionele als private beleggers ook een rol te spelen. Hoewel ethiek binnen de zakenwereld volgens sommigen geen valabele reden is, kunnen de risico’s en kosten die ermee gepaard gaan en een belangrijke impact hebben op de betreffende belegging de bovenhand halen en tot dezelfde conclusie leiden: corruptie is geen noodzakelijk kwaad, wel integendeel. Hoewel we nog een eind verwijderd zijn van nultolerantie inzake corruptie, nagelt de toenemende druk van de wetgever en de stakeholders bedrijven die in gebreke blijven aan de schandpaal, en kunnen beleggers die hieraan weinig aandacht besteden forse verliezen lijden.


[1] What are companies doing to prevent corruption? – Vigeo – februari 2013

_____________________________________________

Groeilanden en duurzaam beleggen: onverzoenbaar?

3 april 2013

Er zijn momenteel twee duidelijke tendensen op de financiële markten. Enerzijds is er een brede consensus dat beleggingen in de groeilanden een goede zaak zijn, aangezien de groei en bijgevolg het rendement voor de komende jaren van daar zullen komen. Anderzijds is er een toenemende overtuiging dat men bij een staat of bedrijf verder moet kijken dan enkel de financiële rekeningen, maar ook elementen van duurzame ontwikkeling en sociale, milieu- en bestuurscriteria moet integreren.

En nochtans worden beide tendensen erg weinig tegelijkertijd in vraag gesteld, alsof ze de facto onverzoenbaar zouden zijn. Wel integendeel! Ze zouden onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten zijn, hoewel velen het argument zouden opwerpen dat het te vroeg is om ze met elkaar te associëren.

Het klopt dat de meeste groeilanden niet meteen een voorbeeld zijn op het vlak van ecologische of democratische duurzaamheid. Nochtans is het een reële meerwaarde om zich over dit vraagstuk te buigen in het kader van het beheer van een portefeuille die belegd is in deze regio.

Er zijn vandaag meer dan 7 miljard mensen op onze planeet en tegen 2050 zouden dat er volgens de statistieken van de Verenigde Naties 9,5 miljard worden. Welnu, het grootste deel van die toename zien we in ontwikkelende regio’s, die reeds te kampen hebben met overbevolking en een gebrek aan natuurlijke hulpbronnen. Het demografische vraagstuk is nauw verbonden met het energievraagstuk, en is dus een ecologische en daardoor ook economische uitdaging.

Het is belangrijk dat de fundamenten van een regelgevend kader dat gunstig is voor het welzijn van een bevolking en zijn duurzame ontwikkeling wel degelijk aanwezig zijn. Zo zijn politieke rechten en burgerlijke vrijheden, inclusief persvrijheid, van doorslaggevend belang aangezien ze de grondslag vormen van economische en sociale ontwikkeling. Corruptie moet eveneens worden uitgebannen. Wanneer er de indruk bestaat dat het onmogelijk is om succesvol zaken te doen zonder bepaalde gunsten te verlenen, is dat eveneens een belangrijk criterium in de beoordeling van de belegging. Een gebrek aan transparantie en de daarmee samenhangende risico’s moeten hierin worden opgenomen en er moet rekening worden gehouden met een bijkomende risicopremie.

Het is belangrijk om democratische waarden te verdedigen. Enerzijds is dit vanuit het oogpunt van een verantwoord belegger een morele verplichting. Anderzijds toont academisch onderzoek aan dat er een belangrijke correlatie bestaat tussen de kwaliteit van de instellingen van een land en het risico op wanbetaling van de overheidsschuld.

Een duidelijke en volledige analyse van de duurzaamheid van een staat vormt bijgevolg een reële meerwaarde voor de opbouw van een beleggingsportefeuille, meer nog dan de ideologische waarden die hierdoor op de voorgrond zouden kunnen treden. Het komt er op aan om de risico’s en opportuniteiten van een land volledig in kaart te brengen.

Het werk van de internationale ngo Freedom House is van belang om het democratische niveau van een land te beoordelen. Op basis van een jaarlijkse enquête van 25 vragen rond politieke rechten en burgerlijke vrijheden, worden landen beschouwd als vrij, gedeeltelijk vrij of niet-vrij.

Op basis van een beperkt aantal relevante criteria, die rekening houden met de specifieke context van de economische ontwikkeling die aan de gang is, en betrekking hebben op transparantie en waarden op het gebied van democratie, milieu, bevolking, gezondheidszorg en welvaartsverdeling, onderwijs en economie, toont een klassement van landen die door de financiële markten als groeimarkten worden beschouwd[1]duidelijk het verband aan tussen democratie en duurzaamheid van een land. Het is geen verrassing dat de grote meerderheid van de landen die niet-vrij zijn onderaan het duurzaamheidsklassement bengelen.

De analyse onthult dus belangrijke informatie over het duurzaamheidsniveau van de bestudeerde landen op verschillende domeinen. Ze laat toe om bepaalde landen met een gelijkaardig economisch ontwikkelingsniveau, maar een verschillend socio-ecologisch en bestuurlijk beleid voeren, met elkaar te vergelijken.

De bedoeling is niet om bepaalde landen die vandaag misschien nog een zwakke duurzaamheidsscore hebben, uit te sluiten. Meerdere landen die in een democratiseringsproces zitten, zijn onlangs in het universum gekomen. Jaren van dictatuur wegen en zullen nog lang wegen op de duurzame ontwikkeling van een land. De overgang naar volledig gegarandeerde burgerlijke vrijheden en politieke rechten, alsook persvrijheid of gelijke rechten tussen man en vrouw, gebeurt niet van de ene dag op de andere als die jarenlang met voeten werden getreden. Dat vereist dus de nodige tijd en de gemaakte vooruitgang moet van nabij worden opgevolgd. Ivoorkust is in dat opzicht een sprekend voorbeeld van een land met een veelbelovende economische ontwikkeling, rijk aan grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. De afzetting van Gbagbo werd gevolgd door ernstige instabiliteit en heel wat geweld. Hoewel de situatie vandaag gekalmeerd lijkt en het land op weg is naar een betere toekomst, is het land evenmin een volledige en echte democratie.

Een brede kijk op de risico’s en kansen van een land is een belangrijke bron van informatie om de haalbaarheid van de activiteiten van een bedrijf op zijn doelmarkten en de projecten van een staat te beoordelen. Zo kan de kwalitatieve waarde van een financiële belegging worden ingeschat.


[1] Volgens de opname in richtinggevende obligatie-indexen voor deze markten, als daar zijn Barclays of JP Morgan Emerging Markets.

_____________________________________________

Kan een land duurzaam zijn?

5/03/2013

Extra-financiële research voor bedrijven bestaat al sinds enkele jaren en rankings voor bedrijven op basis van een ‘best-in-classaanpak’ zijn vandaag vrij courant. Het lijkt er echter op dat de overheidsschuldencrisis in de eurozone en het feit dat het statuut van overheidsobligaties van de eurozone als risicovrij actief in vraag wordt gesteld, een noodzakelijk kwaad zijn geweest om ook voor staten rankings op basis van extra-financiële criteria te zien opduiken.

Duurzaamheidsmodellen voor landen blijven vandaag nog relatief beperkt, vooral aangezien er nog geen universele definitie is, die bovendien moeilijk te bepalen is.

Desalniettemin kunnen de eerste lessen die we trekken uit de overheidsschuldencrisis van de eurozone een leidraad zijn voor wat financiële duurzaamheid van een land inhoudt. Zo blijkt duidelijk dat overheidsschuld niet als een losstaand gegeven kan worden beschouwd. Ze moet worden geanalyseerd samen met de omvang van de schulden van de privésector, de bedrijven en de huishoudens. De lopende rekening is een belangrijk duurzaamheidscriterium.

Maar wat met duurzaamheidscriteria die buiten de financiële perimeter vallen? Wat zijn de andere duurzaamheidsfundamenten van een land en bestaat er een verband tussen die twee dimensies?

Aangezien er geen universele definitie bestaat van duurzaamheid, berust de methode op verschillende dimensies.

  1. De politieke en democratische dimensie: een duurzaam land respecteert zijn engagementen tegenover andere landen en zijn bevolking. Goed bestuur van een land zorgt ervoor dat er afdoende ontwikkelings- en controle-organismen bestaan om de goede werking van een land te verzekeren. Die organismen worden op een democratische manier opgericht, corruptie is bij wet verboden en burgers zijn vrij om zich uit te drukken.
  2. de milieudimensie: een duurzaam land dat bewust omgaat met zijn natuurlijke hulpbronnen en respectvol omgaat met zijn omgeving. Een duurzaam land beschouwt onze planeet als een publiek goed dat iedereen moet respecteren en vrijwaren.
  3. de sociale dimensie: een duurzaam land heeft aandacht voor het welzijn van zijn bevolking. De overheidsinstanties zorgen daartoe voor voldoende levenskwaliteit op alle niveaus, voor de hele bevolking. Ze staan in voor veiligheid en toegankelijkheid tot kwalitatieve gezondheidzorg.
  4. de toekomstdimensie: een duurzaam land investeert in zijn toekomstige generaties, enerzijds door te zorgen voor optimale omstandigheden voor de komst van toekomstige generaties en anderzijds door te zorgen voor een behoorlijke opleiding om zo de toekomstige ontwikkeling en het bestuur van een land te verzekeren.
  5. de economische dimensie: ten slotte zorgt een duurzaam land ervoor dat het genoeg middelen voorhanden heeft om zijn economische leefbaarheid te verzekeren, door het vermijden van overdreven schulden, ervoor te zorgen dat burgers prijsstabiliteit genieten en door zijn inkomsten en uitgaven als een goede huisvader te beheren.

Dankzij de selectie van de relevante criteria kunnen de vijf vermelde dimensies worden geëvalueerd, en kan er een onderscheid gemaakt worden tussen de landen van een relatief homogeen universum, zoals dat van de OESO bijvoorbeeld. Verschillende landen staan aan de leiding van het klassement, zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen en Zwitserland. Landen zoals Griekenland, Turkije of Mexico daarentegen vertonen zwakheden op het gebied van duurzaamheid, die zichtbaar zijn in elk van de vijf dimensies.

Kunnen we besluiten dat er een verband bestaat tussen economische duurzaamheid, waaronder het vermogen om met zijn schuldeisers om te gaan, en socio-economische duurzaamheid?

Hoewel er tot vandaag geen wetenschappelijk bewijs is geleverd, kunnen we moeilijk zeggen dat de behaalde resultaten enkel toe te schrijven zijn aan het toeval.

De belangrijkste uitdaging van de gekozen methodologie bestaat erin om de voorspellende waarde van het model te verzekeren. De financiële markten hebben immers de neiging om de gebeurtenissen te anticiperen, en daarom is een analysemodel relevant als het voorspellend is en vroege tekenen kan herkennen. Op basis van historische gegevens is het moeilijk om een zekere voorspellingswaarde van de gekozen factoren te weerhouden.Om de criteria te selecteren die relevant zijn binnen elke dimensie, werd de benadering bewust zo objectief mogelijk gemaakt. Door kwantitatieve gegevens te selecteren die vergelijkbaar zijn voor alle bestudeerde landen en die afkomstig zijn van betrouwbare en bekende bronnen, wordt het subjectieve karakter van het duurzaamheidsconcept, dat vooral wordt veroorzaakt door het gebrek aan universele definitie, gevoelig verminderd.

Dat euvel zou gedeeltelijk kunnen worden verholpen door rekening te houden met het gevoerde beleid of met de ondertekende verdragen en conventies. Nochtans gaat het in beide gevallen om engagementen en concrete resultaten zijn slechts na een bepaalde tijd meetbaar.

In het licht van de behaalde resultaten blijft Petercam er evenwel van overtuigd dat het beoordelen van de duurzaamheid van een land buiten zijn financiële duurzaamheid een toegevoegde waarde heeft voor de rating van een land en zijn kredietkwaliteit. Nu het model bijna vijf jaar bestaat, wordt het mogelijk om de dynamiek van een land binnen de verschillende bestudeerde dimensies te evalueren. Zo wordt er eveneens een trendcriterium opgenomen in het model, waarmee kan worden beoordeeld of een land dynamisch genoeg is om aan de top van het klassement te blijven, welke inspanningen het doet om een gemiddelde score te verbeteren dan wel of er een zekere laksheid bestaat die leidt tot een relatieve verslechtering ten opzichte van andere landen in de bestudeerde domeinen. Zo kunnen er bepaalde tendensen worden waargenomen die de belegger bijkomende informatie geven over de concrete engagementen van een land in zijn hoedanigheid van economische stakeholder.

We kunnen verschillende interessante vaststellingen doen op basis van de resultaten van een ‘best-in-classbenadering’ die de vijf duurzaamheidsdimensies van een land analyseert, wat de toegevoegde waarde en relevantie van een dergelijke oefening benadrukt.

De eerste vaststelling houdt verband met de relevantie van de kredietratings van de erkende ratingagentschappen. Wanneer men de ranking van de lidstaten van de OESO vergelijkt met die van de kredietratings door S&P bijvoorbeeld, is er een zekere mate van stabiliteit in het duurzaamheidsklassement terwijl de kredietratings de afgelopen jaren sterk hebben geschommeld.

Nemen we het voorbeeld van Spanje: bij de start van het duurzaamheidsmodel stond Spanje op de 22e plaats met een kredietrating die indertijd overeenkwam met een AAA-rating bij S&P. Bij het jongste klassement, in september 2012, tekende het land een lichte verbetering op van zijn duurzaamheidspositie (19e plaats), vooral dankzij de sociale dimensie, waarbij het lage aantal zelfmoorden, de afhankelijkheidsratio en de kindersterfte in relatieve termen sterke punten zijn van het land, terwijl zijn kredietrating bij hetzelfde ratingagentschap gevoelig is verslechterd (BBB-).

Griekenland is eveneens een sprekend voorbeeld van de dichotomie die er bestaat tussen de globale duurzaamheid van een land bij de start van het model (december 2007) en zijn kredietrating. Hoewel Griekenland sinds het begin onafgebroken bij de laatste 3 van het klassement behoort, is zijn kredietrating fors verslechterd van A- tot CCC via het statuut ‘not rated’ over de jongste drie jaar. Onlangs werd de rating wel met 6 trappen (!) verhoogd wat laat uitschijnen dat de kwaliteit van de Griekse debiteur fors is verbeterd.

De tweede vaststelling heeft betrekking op de leiders van het klassement. Hoewel er geen wetenschappelijk bewijs is van een positieve correlatie tussen duurzaamheid op het gebied van sociale kenmerken en milieu en economische duurzaamheid, zoals we hierboven hebben uitgelegd, moeten we vaststellen dat de eerste 10 landen, met uitzondering van IJsland, de financiële crisis relatief goed hebben doorstaan. Bovendien zijn het vaak diezelfde landen die op kop staan wanneer er nieuwe studies uitkomen over milieu-, sociale of bestuurselementen. Is dat louter toeval?

Zoals zo vaak is er een grote crisis nodig geweest om de zwakheden van bepaalde eendimensionale economische en financiële modellen aan het licht te brengen. In een globaliserende economie, met belangrijke uitdagingen zoals het demografische vraagstuk, grondstoffenschaarste en klimaatverandering lijkt het logisch dat de overheden, in hun hoedanigheid van belangrijke economische stakeholders, een belangrijke rol te spelen hebben en ten volle bijdragen aan de duurzaamheid van het systeem. Daarom moet een economie, als ze duurzaam wil zijn, functioneren in een gepast economisch kader, dat bestaat uit hoogwaardige bestuursorganismen.

Zonder te investeren in het welzijn en de kennis van de huidige en toekomstige generaties, wordt de langetermijntoekomst van een economie op het spel gezet. Als er geen duurzaam beheer is van natuurlijke hulpbronnen en het milieu, heeft een economie geen enkele kans om te overleven in het licht van de grote uitdagingen waarmee de aarde binnen enkele jaren zal worden geconfronteerd. Ten slotte is er een grote kans dat als een land zijn internationale verplichtingen (verdragen, conventies enz.) niet naleeft, het zijn verplichtingen tegenover zijn schuldeisers ook niet zal nakomen. Hoewel het bijzonder moeilijk is, is het daarom zo belangrijk om landen te beschouwen als economische stakeholders en ze te analyseren op basis van een model dat zowel financiële als economische elementen in rekening neemt als dimensies op het gebied van sociaal welzijn, milieu en deugdelijk bestuur, in navolging van wat steeds vaker wordt gedaan voor ondernemingen.

________________________________________________________________

Extra-financiële criteria in een beleggingsproces integreren is zinvol

31/1/2013

Maar waarom zou men uiteindelijk extra-financiële criteria integreren in een beleggingsproces? Welke toegevoegde waarde kan dit echt opleveren, rekening houdend met de talrijke hinderpalen?

Eerst en vooral worden we er door de media constant aan herinnerd: we leven in een geglobaliseerde economie waarin verschillende elementen nauw samenhangen, en het is niet langer mogelijk om er één element uit te lichten dat op zich staat en niet door externe factoren beïnvloed wordt. In het kader van een kwalitatieve en fundamentele analyse, heeft het zin om een onderneming te evalueren op haar mogelijkheid om het hoofd te bieden aan macro-economische uitdagingen zoals het demografische vraagstuk, klimaatverandering en grondstoffenschaarste. Met andere woorden, de bedrijven die het beste voorbereid zijn en het meest proactief zijn op dit domein hebben duidelijk een competitief voordeel ten opzichte van hun meer reactieve sectorgenoten. Dat is een competitief voordeel dat vroeg of laat tot uiting zal komen in de financiële performantie.

Het materiële aspect

Het opzet van het integreren van extra-financiële criteria in een beleggingsproces vloeit dus voort uit een competitief voordeel waarmee een betere financiële performantie kan worden behaald. Want bovenal blijven beleggers toch op zoek naar rendement. Dat verklaart waarom het integreren van extra-financiële criteria voornamelijk gericht is op materiële criteria, die waarschijnlijk op middellange of lange termijn een invloed zullen hebben op de performantie van een bedrijf.

Dit materiële aspect is eveneens een uitdaging voor wat betreft het integreren van extra-financiële criteria in een beleggingsproces. Bepaalde aspecten die verband houden met criteria op het gebied van milieu, sociaal welzijn of deugdelijk bestuur hebben immers vaak geen (onmiddellijke) impact op de beurskoers van een onderneming. Het is een uitdaging om twee tijdsperspectieven te verzoenen: de zoektocht naar rendement door beleggers, die nog al te vaak op de korte termijn gericht is, en de integratie van ESG-factoren die eerder op de middellange tot lange termijn gericht zijn.

Vandaag kan de beurskoers van een onderneming immers stabiel blijven terwijl deze onderneming zijn engagementen tegenover bijvoorbeeld zijn werknemers niet nakomt. Dat zal in de toekomst waarschijnlijk veranderen wanneer beleggers hun maatschappelijke rol ernstig beginnen te nemen en wanneer de regelgevers strenger en veeleisender worden.

Om de kwaliteit van de analyse van een bedrijf te verhogen, moeten de extra-financiële criteria die worden geïntegreerd in het beleggingsproces niet enkel materieel zijn, maar moeten ze ook toelaten om een echt onderscheid te maken tussen de verschillende spelers. Dit aspect is geen eenvoudig onderdeel van de analyse. Enerzijds hoort men vaak de opmerkingen ‘maar ze doen het toch allemaal’ en anderzijds moet men toch voorzichtig zijn in het vergelijken van de prestaties van concurrerende bedrijven aangezien het moeilijk is om verschillende aspecten te evalueren.

Beperkingen en limieten

De integratie van extra-financiële aspecten in een beleggingsproces botst bijgevolg op bepaalde beperkingen. Voornamelijk dan de toegang tot informatie. Hoewel er heel wat leveranciers zijn van extra-financiële data, zijn ze sterk gericht op de grotere beurskapitalisaties, die meer middelen hebben om de vereiste informatie te geven. Aangezien de vragenlijsten van extra-financiële ratingagentschappen heel wat werk met zich kunnen meebrengen, is het geen verrassing om vast te stellen dat de grotere beurskapitalisaties zich onderscheiden op het gebied van de kwantiteit en de kwaliteit van de geleverde informatie. Het gebrek aan rapportering van de kleinere bedrijven kan a priori worden beschouwd als een gebrek aan transparantie en kan dus worden afgestraft door de ratingagentschappen.

Ten slotte hebben de referentie-indexen op dit domein de neiging om een groter gewicht te geven aan de grotere beurskapitalisaties. Hun grotere beschikbaarheid aan informatie verklaart grotendeels deze vaststelling. Omwille van prestige willen de grote bedrijven ook deel uitmaken van dit referentie-universum. Op die manier ontstaat een vicieuze cirkel, waardoor er nog meer gewicht wordt gegeven aan de grotere kapitalisaties. Nochtans ontstaan er ook indexen op kleinere beurskapitalisaties, met methodologieën en criteria die aangepast zijn aan hun profiel en beschikbare middelen. Het is opnieuw een kwestie van tijd vooraleer de universa van de kleinere beurskapitalisaties even talrijk zijn als die van de grotere beurskapitalisaties in dit domein.

Besluit

Ten slotte, hoewel er talrijke uitdagingen zijn om extra-financiële criteria te integreren in het beleggingsproces, neemt het niet weg dat we een bedrijf opnieuw in een globale context moeten plaatsen, met uitdagingen op het gebied van milieu, sociaal welzijn en deugdelijk bestuur. Dit is echter gerechtvaardigd en de toegevoegde waarde zal na verloop van de tijd steeds duidelijker worden.

Het kortetermijndenken van beleggers is nog fors aanwezig op de financiële markten, en botst met de uitdagingen van morgen. Toch menen we dat een belegging die op langere termijn en vanuit een duurzamere insteek wordt gedaan, steeds meer opgang zal maken. Beleggers, maar ook alle economische stakeholders, zitten vandaag in een overgangsfase waarbij de impact van de modellen die tot op heden werden ontwikkeld, wordt geanalyseerd. Op die manier kunnen ze echt in vraag worden gesteld, waardoor het nieuwe financiële stelsel van morgen kan worden gebouwd.

_____________________________________________

Het integreren van extra-financiële criteria in een beleggingsproces: welke toegevoegde waarde?

2/1/2013

Beleggers, en vooral die in aandelen, zijn relatief vertrouwd met financiële ratio’s zoals winst per aandeel, totaalrendement enz. Hoe is het gesteld met extra-financiële criteria? Het gaat hier over elementen die niet meteen voorkomen in balansen en resultatenrekeningen van bedrijven. Wanneer ze worden gecommuniceerd, staan ze eerder in de bijlagen van de balansen, of zelfs in een apart rapport, dat het extra-financiële rapport wordt genoemd. Dit rapport is minder bekend bij aandelenbeleggers, vooral bij analisten en beheerder, maar nochtans is het niet minder interessant, integendeel.

Een brede kijk op bedrijven

Inderdaad, de financiële industrie bekijkt een bedrijf in een globale context, die relatief complex is en een sterke onderlinge samenhang heeft. De rol van een onderneming kan zich immers niet beperken tot winst maken, belastingen betalen, provisies nemen voor risico’s en pensioenen, en presteren op de beurs. In overeenstemming met zijn activiteit, heeft een bedrijf een rol te vervullen jegens zijn werknemers, klanten, leveranciers en regulators en dit in een globale context, terwijl het rekening moet houden met belangrijke uitdagen zoals klimaatverandering, het demografische vraagstuk en de schaarste aan energie- en landbouwgrondstoffen.

Nochtans is deze rol, en de impact ervan, niet gemakkelijk te meten en te kwantificeren. Extra-financiële criteria zijn vaak niet tastbaar, vandaar is het lastig om ze op een objectieve manier te evalueren. Bovendien is de extra-financiële benadering relatief recent en staan de gebruikte methoden en middelen nog niet volledig op punt. De financiële analyse daarentegen heeft nu meer dan 100 jaar ervaring en heeft haar standaarden en normen sterk heeft zien evolueren.

Elke sector heeft inderdaad zijn eigen kenmerken en vereist een speciale kennis. Er bestaat niet altijd een garantie dat de gebruikte methodologieën steeds volledig vergelijkbaar zijn aangezien er in dit domein nog weinig houvast en standaarden bestaan.

Tegelijkertijd hebben de controle-instanties, auditors enz. nog niet de nodige kennis vergaard in deze specifieke domeinen om de extra-financiële rekeningen met dezelfde garantie op controle en conformiteit goed te keuren en te controleren, zoals ze dat zouden doen voor de balansen en resultatenrekeningen. Er moet ook de nodige tijd voorzien worden voor opleiding en om de evoluties van de normen en standaarden op dat domein te verwerven. Er is dus nog een hele weg af te leggen, net zoals dat voor financiële rapporten het geval is geweest. Herinner u hoe moeilijk het was om geconsolideerde rekeningen in te voeren voor multinationals. Sommigen dachten zelfs dat het onmogelijk zou zijn. Vandaag lijkt het uitgesloten dat een multinational zijn geconsolideerde rekeningen niet rapporteert.

Une réponse à Duurzame beleggingen

  1. Niel dit :

    Leuke website en interessante artikels!

Laisser un commentaire

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *