Beheer

Duurzaam beleggen: evenwicht tussen mens, milieu & meerwaarde

5/10/2017

Duurzame beleggers kijken verder dan de pure cijfers. Ook goed bestuur en impact op milieu en maatschappij spelen een belangrijke rol in hun portefeuille. Maar… wat is verantwoord beleggen? Waarom zou u het overwegen? En hoe gaat het in zijn werk?

___________________________________________

Hoe kan ik het rendement van mijn belegging opvolgen?

Wanneer u belegt, hoopt u uiteraard op een rendement. Het is dus belangrijk dat u de evolutie van uw beleggingen gemakkelijk kunt opvolgen.
In dit filmpje vertelt NN Investment Partners u waar en hoe u die informatie snel terugvindt.

_____________________________________________

Hoelang moet ik mijn geld kunnen missen wanneer ik in een fonds beleg?

14/08/2017

U spaart misschien voor uw pensioen, de studies van uw kinderen of uw bouwplannen … U denkt dus op de middellange tot lange termijn.
Hetzelfde geldt bij beleggen. Het is belangrijk dat u rekening houdt met uw beleggingshorizon om te bepalen welke belegging het best bij u past.
In dit filmpje vat NN Investment Partners de elementen samen waar u bij uw keuze rekening mee moet houden.

______________________________________

Kapitalisatie- of distributiedeelbewijs? Wat kiest u?

17/7/2017

Wanneer u belegt, hoopt u uiteraard op een rendement. Maar wat gaat u met dat rendement doen? Wilt u dat het verder oploopt of ziet u het liever jaarlijks uitbetaald?
In dit filmpje helpt NN Investment Partners u de juiste keuze te maken tussen een kapitalisatie- of een distributiedeelbewijs.

___________________________________________________________

Mijn beleggingsfonds verkopen … maar welke kosten komen daarbij kijken?

12/6/2017

Beleggen in fondsen kan je overwegen om wat kapitaal op te bouwen. Maandelijks of jaarlijks stort je dan een bepaalde som geld in het fonds, dat op zijn beurt door de beheerder van het fonds belegd wordt in financiële instrumenten zoals aandelen en obligaties. Maar stel dat je onverwacht geld nodig hebt of dat je gewoon van het opgebouwde kapitaal wilt genieten. Kan je dan zomaar je geld terug krijgen? En zo ja, welke kosten komen daarbij kijken? Aan de hand van deze video, beantwoordt NN Investment Partners deze vragen.

Het risico van een fonds begrijpen dankzij één video

3/5/2017

Beleggen in fondsen is niet zonder risico en er bestaan grote verschillen tussen fondsen. Om u te helpen het risico van een fonds in te schatten, legt NN Invetsment Partners u in deze video het begrip ‘risico’uit en hoe het de rendement van je fonds kan beïnvloeden.

______________________________________________________________

Het rendement van je fonds inschatten : Een paar eenvoudige regels

15/3/2017

Beleggen in fondsen kan je zeker overwegen om een kapitaal op te bouwen om bepaalde financiële doelen te bereiken. Maar welk rendement kan je behalen wanneer je in een fonds belegt? In tegenstelling tot een spaarrekening of een kasbon is het rendement bij een fonds vooraf niet gekend. Het rendement uit het verleden kan je gebruiken om een idee te krijgen van de beleggingsfondsen waarin je geïnteresseerd bent, maar het vormt geen garantie voor het rendement in de toekomst. Om het mogelijke rendement van een fonds in te schatten gelden een aantal vuistregels.

______________________________________________________________

Kleine herinnering rond verantwoord beleggen

Verantwoord beleggen bestaat uit drie pijlers. De beleggers van SRI fondsen doen hun rechten als aandeelhouder gelden door gebruik te maken van hun actief stembeleid. Vervolgens integreren ze ESG factoren (milieuvriedenlijke, sociale en deugdelijk bestuur) in hun beleggingsproces. Ze sluiten ook alle ondernemingen uit die betrokken zijn bij de productie en/of commercialisatie van controversiële wapens.

__________________________________

Nuttige tips bij het kiezen van je beleggingsfonds

Dat spaarboekjes weinig of niks meer opleveren, hoor je tegenwoordig overal. Daarom zijn tal van Belgen op zoek naar alternatieven om hogere opbrengsten te realiseren. Beleggen in fondsen kan een interessante alternatief zijn. Maar eenmaal je op zoek gaat, merk je al snel dat er ontzettend veel fondsen beschikbaar zijn. Hoe weet je welk fonds het best bij jou past? Met welke parameters moet je rekening houden? NN Investment Partners geeft je een paar tips in deze video.

__________________________________

Zo weet je wanneer je het best belegt

14/11/2016

 “Wanneer beleg ik het best”? Dit is één van de veel gestelede vragen wanneer het om beleggen in fondsen gaat. Tal van mensen hebben de reflex om te gaan beleggen wanneer de koersen op hun laagst zijn en de markt niet al te volatiel is. Anderen beleggen dan liever hun geld op periodieke momenten.

 

Het verschil tussen beiden en wat je het best kan doen, legt NN Investment Partners je uit aan de hand van deze video.

 

_________________________

Beleggen in fondsen … maar aan welke prijs?

12/10/2016

Een droomhuis, je pensioen, een steuntje in de rug voor de kinderen later,… Beleggen in fondsen kan je helpen om je eigen kapitaal op te bouwen en zo die doelen te bereiken. Maar aan beleggen zitten ook kosten verbonden. Het is dan ook een gezonde reflex om die kosten duidelijk in beeld te krijgen vooraleer je een beleggingsbessling neemt.

 

 

_________________________

Vier voordelen van beleggen in fondsen

5/9/2016

Op eigen houtje gaan beleggen in aandelen, obligaties en andere producten kan veel tijd in beslag nemen en vraagt ook een zekere kennis. Daarom maakt een zeer groot aantal Belgen gebruik van beleggingsfondsen, waarbij de beheerder van het fonds het ingezamelde geld van de beleggers investeert. Deze manier van beleggen biedt tal van voordelen. De experten van NN Investment Partners sommen ze eenvoudig voor jou eens op in deze korte video.

_________________________

Volatiliteit uitgelegd in 90 seconden

1/8/2016

Een financieel woord dat men dezer dagen nogal eens tegenkomt is “volatiliteit”. Maar waarop slaat dit begrip precies? Een beter begrip ervan kan je misschien helpen bij het nemen van beleggingsbeslissingen.
NN Investment Partners legt het helder en eenvoudig uit in een video van anderhalve minuut.

_________________________

Vanaf welk bedrag kan ik in een fonds beleggen?

Spaarboekjes brengen bijna niets meer op, beleggingsfondsen kunnen een ideale oplossing vormen om wat meer uit je geld te halen. Maar vaak denken mensen dat veel geld nodig is om in een fonds te beleggen. Weet dat je niet noodzakelijk over een groot startkapitaal moet beschikken om te beleggen. In deze video legt NN Investment Partners je uit vanaf welk bedrag je al van start kan gaan.

_____________________________________________

Is beleggen iets voor mij?

Misschien ben je op zoek naar een alternatief voor je spaargeld of hoor je steeds vaker het advies dat je zou moeten beleggen …
Maar ja, is fondsbeleggen wel een interessante optie voor jou? De experts van NN Investment Partners beantwoorden deze en nog andere vragen aan de hand van korte video’s. Ontdek alvast hieronder of beleggen iets voor jou is:

_____________________________________________

“Whatever it takes”

Door Valentijn van Nieuwenhuijzen, Hoofd Multi-Asset, bij NN Investment Partners

31/3/2016

De ECB verlaagde onlangs opnieuw haar rentetarieven. Onder marktvolgers is er al enige tijd een levendige discussie of het verder verlagen van de rente – zelfs tot in negatief niveau – nog veel effect heeft. Een groot deel van de staatsobligaties in Europa handelt tegen negatieve rentes, wat kopzorgen oplevert voor veel beleggers. Pensioenfondsen zien hun dekkingsgraden dalen en spaarders krijgen steeds minder rente over hun tegoeden.

In de afgelopen maanden kwamen ook de banken weer onder druk te staan; door de dalende rentemarges dalen de inkomsten. De zorgen dat het ontluikende herstel van de kredietverlening in de eurozone in de knop zou worden gebroken namen toe. De centrale bank heeft deze zorgen onderkend en komt met maatregelen die de kredietverlening moeten stimuleren. Door middel van nieuwe TLTRO’s (‘targeted long-term refinancing operations’) worden banken die meer krediet gaan verlenen daarvoor beloond.

De ECB tracht zo de economie een nieuwe impuls te geven, door het aanbod van krediet te stimuleren. Echter, de vraagzijde van de economie blijft nog altijd achter. De consument is meer gaan besteden en heeft tot nu toe het herstel van de economie voor een belangrijk deel gedragen. Investeringen van bedrijven zijn achtergebleven, mede omdat zij nog weinig groeiperspectieven zien. Bovendien is er nog altijd sprake van overcapaciteit in de economie, dus waarom zouden zij investeren als de vooruitzichten op hogere groei zo beperkt zijn?

Een duwtje in de rug
Bemoedigend waren de economische groeicijfers over het vierde kwartaal, waaruit bleek dat de groei van de investeringen aantrekt. Mede door de onzekere economische omgeving lijkt het nu de hoogste tijd voor een extra duwtje in de rug. Dat is iets waar de ECB in directe zin niet veel aan kan doen. Overheden echter wel. Nu de bodem van de gereedschapskist van de ECB in zicht is, is het aan overheden om de groei te stimuleren. Zij kunnen al geruime tijd tegen zeer aantrekkelijke rentes geld lenen – sommige krijgen zelfs geld toe – waardoor het juist nu zo aantrekkelijk is om te investeren.

Mario Draghi heeft met zijn “whatever it takes” in juli 2012 en de daaropvolgende reeks maatregelen aangetoond dat het hem en de ECB menens is de eurozone in veilige haven te loodsen. Hij hamerde er echter ook altijd op dat overheden ook hun steentje moeten bijdragen in de vorm van hervormingen en investeringen. Tot nu toe zijn zij schromelijk in gebreke gebleven. Dit terwijl de ultra-lage renteomgeving een unieke kans biedt om te investeren in onderwijs, in duurzame energie en in verschillende vormen van infrastructuur. Op deze manier zou zowel het cyclisch momentum, op de korte termijn, als het economisch groeipotentieel op de lange termijn een belangrijke impuls krijgen. Het zou tevens een sterke aanjager zijn voor de private investeringen. De kosten voor rente en aflossing stijgen daarbij nauwelijks. Sterker nog, overheden die zichzelf tegen negatieve rentes kunnen financieren worden betaald om te investeren in hun eigen toekomst!

De vraag is nu; wie komt er als eerste over de brug en geeft het goede voorbeeld. Een eurozone-breed gecoördineerd actieplan zou uiteraard het meest wenselijk zijn. Echter, een bekend Europees politicus heeft nog niet zo lang geleden geroepen “wir schaffen das” en we weten allemaal wat dat tot nu toe heeft opgeleverd…

_________________________

De markten hangen erg sterk aan de steun van de centrale banken

1/2/2016

De markten zijn dit jaar steeds volatieler geworden en lijken veel meer te worden gedreven door het beleggerssentiment dan door economische fundamentals. In de afgelopen jaren zijn de markten zeer sterk gaan hangen aan de steun van de centrale banken en hun reactie op veranderingen in het monetaire beleid is onvoorspelbaar en vaak drastisch.

We zagen dit jaar enkele goede voorbeelden. De centrale bank van China droeg bij aan het verhogen van de marktvolatiliteit door de plotselinge devaluatie van de renminbi op 11 augustus. Vervolgens weigerde zij om honderden miljarden dollars in de markt te blijven pompen om deze te stabiliseren. Op 24 augustus, ‘Zwarte Maandag’, leverden de Chinese aandelenmarkten op één dag bijna 9% in. De turbulentie op de Chinese markt werd ook overzee gevoeld. Op Zwarte Maandag verloor de Dow Jones bij opening 1.000 punten, de grootste daling ooit.

Het meest recente voorbeeld dateert van 3 december, de dag waarop ECB-voorzitter Mario Draghi extra stimuleringsmaatregelen aankondigde om de economie en de inflatie in de eurozone op te krikken. De markten hadden echter ‘Super Mario’ in gedachten, de centrale bankier die had laten zien dat hij de toch al hoge marktverwachtingen kon overtreffen. In september en oktober had Draghi gezinspeeld op ‘QE2’, een uitbreiding van het obligatie-opkoopprogramma van de ECB, deels om de potentiële dreiging van de problemen in China voor de economie van de eurozone af te wenden. Gezien de status van Draghi rekenden de markten er dan ook op dat de centrale bank op de vergadering van december een aanzienlijk pakket aan extra stimuleringsmaatregelen bekend zou maken. Super Mario bleef dit keer echter in gebreke en voldeed niet aan de marktverwachting. Dit resulteerde in dalende aandelenmarkten, een oplopende euro en, in het bijzonder, een sterke stijging van de rente op staatsobligaties. De rente op de Duitse tienjarige Bund liep in enkele uren tijd met liefst 20 basispunten op, een stijging van bijna 50%!

Het mag duidelijk zijn dat zo’n zeer volatiele omgeving beleggers voor grote uitdagingen stelt. We hebben heel wat voorbeelden gezien van centrale banken die moeite hebben om hun bedoelingen over te brengen aan de markten. Het is niet onwaarschijnlijk dat er meer voorbeelden zullen volgen. Met het oog op portefeuillerisicomanagement benadrukken dit soort voorvallen het belang van een weloverwogen, onbevooroordeelde en actieve assetallocatie. Vanwege de genoemde flinke stijgingen van de volatiliteit kiezen steeds meer beleggers ervoor om hun allocatiebeslissingen uit te besteden aan gespecialiseerde multi-asset-teams.

__________________________________

Wat zijn de voordelen van Multi-asset-strategieën?
22/12/2015

Een van de belangrijkste redenen waarom multi-asset-beleggen aantrekkelijk is, zijn de over het algemeen lage rentes. Als gevolg van de financiële crisis hebben centrale banken over de hele wereld hun rentes verlaagd en buitengewone versoepelingsmaatregelen genomen. In dit klimaat proberen veel beleggers in te spelen op het effect dat overvloedige liquiditeit zal hebben op toekomstige rendementen in de verschillende beleggingscategorieën.

Anders dan een positionering op basis van fases in de conjunctuur- of kredietcyclus of algemene “risk-on/risk-off” bewegingen, creëert overvloedige liquiditeit een klimaat waarin zowel risicovolle als veilige beleggingen goed presteren. In feite zorgt het ervoor dat alle beleggingen met een claim op toekomstige kasstromen het goed doen. Dit kan gaan om coupon- of dividenduitkeringen die ervoor zorgen dat de eigenaar van de belegging op langere termijn een beter rendement behaalt dan op een kaspositie. Dit betekent dat veilige categorieën (staatsobligaties), ”yield plays” (credits en vastgoed) en groei-beleggingen (aandelen) in het algemeen allemaal goed presteren zodra er sprake is van een grote toestroom van liquiditeit naar de markten.

Men zou kunnen stellen dat sinds de markten ervan overtuigd raakten dat de Europese Centrale Bank en de Bank of Japan net als de Federal Reserve bereid zijn om het liquiditeitswapen vol in te zetten om het economische systeem nieuw leven in te blazen, liquiditeit een van de meest dominante krachten op de financiële markten is. Sinds de beroemde toespraak van Mario Draghi op 26 juli 2012 over de potentiële ECB-maatregelen om de euro te ondersteunen (“whatever it takes”), en de politieke en beleidsmatige veranderingen in Japan na de verkiezingszege van Shinzo Abe later in 2012, was duidelijk dat de drie grootste centrale banken in de wereld bereid waren om alle mogelijke liquiditeitswapens in te zetten om de wereldwijde deflatierisico’s tegen te gaan. Zowel aandelen als vastgoed stegen cumulatief met meer dan 50% vanaf het moment dat de liquiditeit werd opgevoerd, terwijl Duitse Bunds met iets minder dan 20% zijn gestegen.

Uit het bovenstaande blijkt dat beleggen in meerdere beleggingscategorieën kan zorgen voor aantrekkelijke rendementen. Maar de rentes op staatsobligaties zullen naar verwachting in de nabije toekomst laag blijven en dus weinig rendementspotentieel bieden. Liquiditeit zal waarschijnlijk een dominante factor blijven. Hoewel de Fed de rente al in december zou kunnen gaan verhogen, wordt algemeen verwacht dat het een zeer geleidelijk rentepad zal zijn. ECB-voorzitter Draghi heeft gezinspeeld op een verlenging van de kwantitatieve versoepeling (“QE”) in december, terwijl ook de BoJ naar verwachting verder zal versoepelen.

Door de lage obligatierentes hebben doorgaans behoudende beleggers beperkte mogelijkheden om te beleggen. Grote institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, die traditioneel een relatief groot deel van hun portefeuille in staatsobligaties beleggen, worden vanwege hun actuariële doelen bijvoorbeeld gedwongen om op zoek te gaan naar hoger renderende alternatieven. Men kan stellen dat de groep conservatieve beleggers alleen maar groter zal worden, gegeven factoren zoals demografische veranderingen, strengere regelgeving en de collectieve herinnering aan de financiële crisis van 2008, waardoor het vermogen en/of de bereidheid om risico te nemen bij beleggers die voorheen een hogere risicobereidheid hadden, is afgenomen.

Flexibele multi-asset-strategieën bieden traditionele obligatiebeleggers een alternatief. Ze bieden toegang tot een bredere waaier aan rendementsmogelijkheden, terwijl het totale portefeuillerisico wordt beperkt. Beleggers met een bescheiden risicoprofiel zouden dan ook beter af zijn als zij een deel van het renterisico in hun obligatieportefeuilles zouden omruilen voor een potentieel beter beloond risico in andere beleggingscategorieën, zonder dat het totale portefeuillerisico toeneemt. Multi-asset-fondsen streven naar aantrekkelijke rendementen bij een risiconiveau dat vergelijkbaar is met dat van een gespreid obligatiefonds.

_____________________________________________

Obligaties: wel of niet beleggen?

23/9/2015

Er is één vraag die al enkele jaren steeds opnieuw wordt gesteld – of men (nog) belegd moet zijn in wereldwijde obligaties. We kunnen de redenen om voorzichtig te zijn ten aanzien van de vooruitzichten voor deze obligaties indelen in drie hoofdcategorieën.

De eerste reden tot bezorgdheid is dat de obligatiekoersen al gedurende een lange periode zijn opgelopen, dus op een gegeven moment moeten deze gaan dalen. Het is onwaarschijnlijk dat de koersen voor eeuwig blijven stijgen, maar – zoals blijkt uit onderstaande grafiek – die conclusie hadden we ook vijf, tien of vijftien jaar geleden kunnen trekken.

par défaut 2015-09-16 à 09.03.01Moet wat omhoog gaat ook weer naar beneden? De voortdurende daling van de obligatierentes in de afgelopen decennia is hoe dan ook intrigerend. Een verklaring voor deze rentedaling is te vinden in wat experten als een ‘seculiere stagnatie’ omschrijven. Het onderliggende probleem daarbij is dat het reële renteniveau, wat sparen en investeren bij volledige werkgelegenheid in balans zou brengen, fors negatief kan zijn. Volgens ons is deze verschuiving in de balans tussen sparen en investeren voor een groot deel het gevolg van demografie. In de afgelopen decennia is het aantal mensen dat ‘vooral spaart’(ruwweg tussen 25 en 65 jaar) als percentage van de totale bevolking gestaag toegenomen, wat leidt tot een grote voorkeur voor sparen versus investeren. Op dit moment is die verschuiving echter grotendeels voorbij, wat suggereert dat de rentedaling bijna ten einde is.

Een tweede reden tot bezorgdheid is dat hogere koersen bij obligaties duiden op lagere rentes, en de rentes kunnen niet lager zijn dan nul. Tenminste, dat is wat we tot voor kort dachten. Op dit moment biedt ongeveer 20% van de obligaties binnen de indices voor eurostaatsleningen een negatief rendement. Eerder dit jaar was dit zelfs bijna 30%. De rentes zijn nog steeds erg laag en rond 1,7% – het huidige rendement van de Barclays Global Aggregate-index – lijkt het opwaartse potentieel van de rentes (of het neerwaartse potentieel van de koersen) veel groter dan het tegenovergestelde. Dit klopt voor een deel wel, maar we moeten niet vergeten dat de Japanse tienjaarsrente van 1,8% aan het begin van deze eeuw ‘belachelijk’ laag werd gevonden. In de daaropvolgende 15 jaar kwam de Japanse tienjaarsrente zelden boven die 1,8% uit. Terugkijkend begrijpen we allemaal dat de economische fundamentals deze lage obligatierentes rechtvaardigden.

Dit brengt ons op de derde reden: waardering. Dit lijkt de enige juiste manier om de vooruitzichten voor wereldwijde obligaties te beoordelen. Helaas is het ook de meest subjectieve manier. Zelfs zonder kwantitatieve versoepeling laten modellen die het correcte renteniveau inschatten op basis van traditionele factoren als economische groei, inflatie en de officiële beleidsrentes erg verschillende waardes zien, afhankelijk van iemands visie op deze variabelen. Daar komt bij: met hoeveel moet dit ‘fair value’-renteniveau worden verlaagd, om rekening te houden met het erg lage aanbod aan staatsobligaties? Het aanbod aan nieuwe uitgiftes in staatsobligaties, verminderd met de opkopen van de centrale banken, zal in 2015 vrijwel nul zijn in de vier grote ontwikkelde economieën; dit is het kleinste aantal sinds begin deze eeuw.

Alles bij elkaar gaan we voor de komende zes tot twaalf maanden uit van slechts licht hogere obligatierentes. De demografische ontwikkeling op de lange termijn zal voor obligaties waarschijnlijk negatief in plaats van positief zijn. Dit is echter een zeer geleidelijk proces, en niet iets dat de obligatierentes volgend jaar sterk zal opstuwen. Verder zijn de obligatierentes weliswaar zeer laag, maar we zien goede redenen voor een aanhoudend klimaat van ‘lagere rentes gedurende langere tijd’- de enorme obligatieopkopen van de centrale banken zijn daar een voorbeeld van.

Tot slot nog iets over een van de belangrijkste zorgen op de financiële markten – de renteverhogingen van de Fed. We willen benadrukken dat de impact van Amerikaanse renteverhogingen niet moet worden overschat. Zo zal de Fed de rente waarschijnlijk verhogen als de economie het goed doet, wat positief is voor de risicopremies op bedrijfsleningen. Ervan uitgaande dat de Amerikaanse tweejarige swaprentes – een richtsnoer voor de verwachte Fed-rente – in de komende twee jaar met 250 basispunten zullen stijgen, zal de rente op de Barclays Global-index naar schatting met circa 1,0% toenemen (op basis van historische relaties). Dit zal op de koersen wegen. Inclusief de couponopbrengst leidt dit tot een totaalrendement van -1,0% per jaar. Slecht, maar niet desastreus. Elk obligatiefonds met een meer progressief actief rendementsprofiel moet het totaalrendement weer in de positieve cijfers kunnen krijgen.

_____________________________________________

Beleggen in obligaties en het belang van de rentestand

9/6/2015

De rente bevindt zich momenteel op een historisch laag niveau. Dat is positief voor de waarde van (staats)obli­gaties. Obligaties zijn leningen van landen of bedrijven, waarvan het rendement bestaat uit de couponrente en de waardeontwikkeling. De verwachting is dat de rente op langere termijn weer licht gaat stijgen. Als u belegt in obligaties of dat wilt gaan doen, is het van belang dat u op de hoogte bent van de gevolgen van een mogelijke rentestijging op uw beleggingen. Een stijgende rente op de kapitaalmarkt kan namelijk negatief uitpakken voor de waarde van obligaties.

De waarde van obligaties beweegt omgekeerd aan de rente

Als de rente stijgt of daalt, verandert de waarde van uw obligaties. De waarde is veelal omgekeerd evenredig aan de rente. Dat betekent dat de waarde daalt als de rente stijgt en vice versa. De afbeelding hieronder laat het verband zien tussen rente en waarde. De verzameling kleine stenen links is de rente, de grote steen rechts de waarde: een kleine verandering aan de linkerkant (de rente), heeft een groot effect op de rechterkant (de waarde). Dat geldt ook andersom.

Een voorbeeld: U koopt in 2015 voor 1000 euro een obligatie met een looptijd van 10 jaar en een couponrente van 3 procent. De couponrente is gelijk aan de rente op de kapitaalmarkt van dat moment. Dat betekent dat u de komende 10 jaar ieder jaar een couponrente ontvangt van 3 procent van 1000 euro = 30 euro per jaar. Aan het einde van de looptijd, in 2025, ontvangt u uw invest­ering van 1000 terug.

Als in de tussentijd de rente op de kapitaalmarkt stijgt tot 4 pro­cent, worden er in de markt obligaties verkocht met een coupon­rente van 4 procent. U blijft op uw obligaties nog steeds 3 procent rente ontvangen. Als u uw obligatie dan wilt verkopen aan iemand anders, dan bieden kopers u een lagere prijs, omdat uw obligatie nu een lagere rente biedt dan de nieuwe papieren op de markt. De waarde van de obligatie daalt dus.

Andersom stijgt de waarde als de rente op de markt in de tus­sentijd daalt. Als de rente in 2019 2 procent bedraagt, brengt uw obligatie nog steeds een jaarlijkse rente van 3 procent op. Andere beleggers zijn dan bereid om meer geld neer te tellen voor uw obli­gatie, omdat die meer opbrengt dan de nieuwe obligaties die worden uitgegeven.

Wat gebeurt er met obligatiefondsen?

De gevolgen van een rentestijging zijn voor obligatiefondsen groter dan voor losse obligaties. Als u belegt in losse obligaties en u houdt de papieren tot het einde van de looptijd, krijgt u in princ­ipe uw oorspronkelijke investering terug. In een obligatiefonds combineert de fondsmanager meerdere obligaties van verschei­dene uitgevers en belegt u daarin samen met honderden andere investeerders.

Als de rente stijgt, zullen sommige van uw medebeleggers hun belang in het fonds verkopen om zich te beschermen tegen ver­dere rentestijgingen en waardedalingen. Daardoor zal de fonds­manager gedwongen worden om obligaties tegen marktprijs te verkopen. De prijs zal op dat moment, zoals boven uitgelegd, lager liggen dan uw oorspronkelijke investering. Daardoor daalt ook de waarde van het totale fonds.

Hoe kan een obligatiebelegger zich indekken?

Men verwacht dat de rente in Europa nog lan­gere tijd laag blijft, terwijl de rente in de Verenigde Staten in de tweede helft van het jaar mogelijk licht gaat stijgen.

Wilt u beleggen in obligaties en toch enige bescherming hebben tegen de negatieve gevolgen van een rentestijging? Dan kunt u beleggen in een flexibel obligatiefonds, waar fondsmanagers de mogelijkheid hebben om snel in te spelen op renteontwikkelingen en een breed palet aan beleggingstechnieken en –instrumenten tot hun beschikking hebben.

Actief beheerde fondsen zijn daarbij per definitie minder afhanke­lijk van de marktontwikkelingen dan fondsen die passief een index volgen. Fondsmanagers zijn voortdurend bezig met het monitoren van de renterisico’s en zoeken actief naar beleggingen en regio’s die de beste kansen bieden.

_____________________________________________

In de onzekerheid schuilen mogelijkheden

5/2/2015

Politieke onrust in Griekenland en een scherpe daling van de olieprijs hebben voor druk op de consumentenprijzen en verwarring op de financiële markten gezorgd. We zien die onzekerheid als een kans om risico toe te voegen.

De volatiliteit laaide in de eerste weken van januari op door zorgen om de houdbaarheid van de wereldwijde economische groei, de disinflatietrend en de beleidseffectiviteit. Een nieuw politiek drama in Griekenland en de angst voor de gevolgen van de sterke daling van de olieprijs lijken de meest directe oorzaken van de recente onrust op de markt, maar ook de slepende discussies over de wenselijkheid van een versoepelingsprogramma van de ECB droegen bij aan het huidige onzekere klimaat.

Wereldwijde koers-winstverhouding boven het tienjarige gemiddelde

par défaut 2015-02-03 à 13.36.03Wereldeconomie kan met 3% groeien

De wereldeconomie laat begin 2015 een positieve trend zien, maar er is een groot verschil: ontwikkelde economieën trekken aan, terwijl de opkomende economieën vertragen. In de ontwikkelde economieën neemt de onzekerheid af en is het economische beleid gericht op het stimuleren van de economische activiteit. Opkomende economieën hebben daarentegen last van forse onevenwichtigheden en de lagere grondstoffenprijzen. Per saldo zal de wereldeconomie in 2015 waarschijnlijk een groei van 3% laten zien. Dit betekent een lichte stijging ten opzichte van 2014 (2,9%).

Huidige onzekerheid kan instapmogelijkheid zijn

Wereldwijde aandelen zijn nerveus en volatiel aan het jaar 2015 begonnen. Beleggers bleven gespannen vanwege de Griekse verkiezingen op 25 januari en de aanhoudende daling van de olieprijs. Volgens ons maken de lagere olieprijs, een sterkere dollar, verdere monetaire versoepeling en een mogelijk overdreven reactie op de Griekse politieke situatie de huidige correctie tot een instapmoment.

Risicoaversie en inflatieverwachtingen drukken rentes naar historische dieptepunten

De 10-jaarsrentes op Duitse en Amerikaanse staatsleningen bereikten in januari nieuwe dieptepunten. Deze obligaties profiteren van toenemende risicoaversie. In januari daalde de Amerikaanse rente tegen een achtergrond van bezorgdheid over afnemende inflatieverwachtingen en een sterke vraag van institutionele beleggers. In de eurozone leidden het ECB-beleid, het zwakke economische momentum, de neerwaartse trend van de inflatieverwachtingen, de daling van de olieprijs en de groot blijvende vraag van institutionele beleggers tot voortdurende druk op de obligatierentes.

_____________________________________________

Uw pensioen voorbereiden, een ingewikkelde oefening

31/12/2014

Van pensioen horen spreken bij het begin van een loopbaan lijkt onzin. Maar hoe vroeger we beginnen te sparen, hoe hoger de rendementen op lange termijn zijn. De senioren van vandaag hebben bovendien andere verwachtingen dan de vorige generatie. Ze zijn actiever en beter opgeleid. Ze surfen op internet en zijn oordeelkundige en veeleisende consumenten. Ze sporten, reizen en hebben een goed gevuld sociaal leven. De tijd dat opa bij de haard bleef en oma de soep in de keuken voorbereidde, is achter de rug. Senioren willen van het leven genieten, al dreigt het spook van de ouderdom en van de medische zorgen die ditmet zich kan meebrengen. Want terwijl de gemiddelde levensduur toeneemt, stellen we ook een verschijnsel van ‘oververoudering’ vast, dat voor een duidelijk minder goede levenskwaliteit vanaf een oudere leeftijd zorgt. Tot wanneer zullen we van een actief leven kunnen profiteren? Hoeveel zal het kosten om in een tehuis te leven of van thuisverpleging te genieten?

De portefeuille die we mettertijd opbouwen, moet met al die aspecten rekening houden. Maar hoe wordt een dergelijke portefeuille specifiek voor het pensioen opgebouwd? Dit is een portefeuille voor het hele leven, die bijgevolg in de tijd aangepast moet worden. Bij het begin kan hij een grotere aandelenweging hebben omdat de beleggingshorizon lang is. Naarmate de pensioenleeftijd dichterbij komt, wordt het tijd om de balans op te maken met de adviseur om te zien hoe de veiligheid verhoogd kan worden en hoe de volatiliteit verminderd kan worden.

Het is dus belangrijk dat de belegger zijn risicoprofiel bepaalt. Hij zal ook zijn financiële planning moeten uitstippelen rekening houdend met zijn behoeften, zijn verwachte inkomsten en zijn terug te betalen schulden. Veel senioren verliezen uit het oog dat het wettelijke pensioen niet voldoende zal zijn om de gehoopte levenstandaard te verzekeren. Hoe kunnen we met een gemiddeld pensioen van 1.000 euro per maand de kosten voor het intrekken in een tehuis betalen? De spaarpot die we tijdens ons actieve leven opbouwen, zal dus in die behoeften moeten voorzien. Laten we niet vergeten dat terwijl obligaties de veiligheidsbuffer van een portefeuille vormen, aandelen voor rendement zorgen. We moeten dus ons spaargeld niet laten slapen. Dankzij regelmatige stortingen samen met een actief en dynamisch beheer zullen we een kapitaal voor onze oude dag kunnen opbouwen.

De belastingaspecten mogen we ook niet uit het oog verliezen. Talrijke beleggings­oplossingen op lange termijn genieten immers van een fiscale vrijstelling (pensioensparen, levensverzekering, tweede pijler voor de zelfstandigen,…). Afgezien van deze voordelen moet de belegger ook weten dat geen risico nemen soms ook een risico kan zijn. Grote bedragen op een spaarboekje laten slapen, zorgt voor een risico van monetaire erosie. De inflatie kan mettertijd het rendement van dit soort beleggingen afknagen, waardoor de belegger bij het opnemen van zijn pensioen misschien niet voldoende inkomsten zal hebben. Vandaag biedt een ruime waaier aan beveks en indexfondsen portefeuilles die tegen lagere kosten door professionelen beheerd worden. Als we met pensioen gaan, zullen we ook moeten nakijken of de inkomsten van de portefeuille voldoende zijn om in onze behoeften te voorzien en of het nodig is om een deel van het kapitaal te gebruiken. Een gesprek met de adviseur zal het mogelijk maken om de balans op te maken over de portefeuille die, eens hij opgebouwd is, onze levenstandaard voor onze pensioenjaren moet verzekeren.

_____________________________________________

Het ligt niet aan mij!

4/8/2014

Beleggers die grote winsten boeken kloppen zichzelf graag op de schouders, maar zo gauw er verlies wordt gedraaid, wijst men maar al te snel naar de ongunstige marktomgeving en pech. Dit gedrag noemt men in de psychologische wetenschap ook wel de ‘self-serving’ of ‘zelf attributie’ bias.             Dit houdt in dat wij als mensen de natuurlijke neiging hebben om successen toe te wijzen aan persoonlijke vaardigheden en daartegenover negatieve uitkomsten toewijzen aan factoren van buitenaf. Wat is nu de impact van deze bias op onze beleggingsbeslissingen?

De self-serving bias impliceert dat wij vaak de neiging hebben om onze verantwoordelijkheid te nemen voor positieve uitkomsten, maar niet de verantwoordelijkheid willen nemen voor negatieve uitkomsten. Wij hebben de neiging positieve uitkomsten toe te dichten aan persoonsgebonden factoren, zoals onze vaardigheden, eigenschappen en overige inspanningen. Negatieve uitkomsten daarentegen neigen we vaak toe te schrijven aan externe factoren, zoals wel/niet ondernomen activiteiten van anderen, pech, (weers-) omstandigheden of de stand van de economie.

Dit gedrag komt men in vele contexten van ons dagelijks leven tegen. Zo hebben werknemers vaak de neiging promoties toe te kennen aan hun harde werken en exceptionele vaardigheden, terwijl afwijzing van promoties aan ‘oneerlijke’ bazen wordt toegemeten. Ook ontslag kennen we vaak toe aan factoren als de economie of zinloos gedrag van een leidinggevende. In de sportwereld zien we dit gedrag ook terug. Atleten nemen bijvoorbeeld vaker persoonlijk de verantwoordelijkheid voor hun goede prestaties, maar doen dit niet als het even minder gaat. En in ons rijgedrag hebben we de neiging ongelukken toe te wijzen aan externe factoren, zoals het weer, de conditie van de auto of weg en de slechte rijvaardigheden van andere bestuurders. Daarentegen kennen we positief rijgedrag toe aan onze alerte houding op de weg en onze bekwaamheid in het verkeer.

In de financiële sector gaat dit er niet heel anders aan toe. Hier kennen we goede prestaties toe aan onze beleggingsvaardigheden en tegenvallende prestaties aan de markten en factoren buiten onze controle. Recent onderzoek van Arvid Hoffmann en Thomas Post (2014) van de Universiteit van Maastricht, toont zulk gedrag aan onder een groep Nederlandse beleggers. Zij hebben aan een groep beleggers, die gemiddeld meer dan €50,000 belegden, grofweg de volgende statement voorgelegd over een periode van 3 maanden; “De recente prestaties van uw beleggingsportefeuille geven een accurate afspiegeling van uw beleggingsvaardigheden. Geef aan in hoeverre u het hiermee eens bent op een schaal van 1 (volledig mee oneens) tot 7 (volledig mee eens).” De lage scores geven aan dat beleggers in feite geen verantwoordelijkheid nemen voor hun recente beleggingsprestaties. Figuur 1. laat de gemiddelde score op deze vraag zien (ononderbroken lijn) afgezet tegen de gemiddelde prestaties (in rendementen) van hun portefeuilles (de gestreepte lijn) of van de AEX (de gestippelde lijn).

Het blijkt dat men het gemiddeld vaker oneens is met deze statement in de maanden dat men een lager rendement realiseerde (voor een gedegen statische onderbouwing zie het onderzoek van Hoffmann en Post). Verder blijken beleggers met de top 50% prestaties over een maand, het vaker met deze statement eens te zijn dan beleggers met de onderste 50% prestaties. Kortom, als deze beleggers slechter presteren menen ze dat hun prestaties minder goed overeenkomen met hun beleggingsvaardigheden. Anders gezegd, goede prestaties worden eerder aan onze beleggingsvaardigheden toegekend, terwijl slechte met andere factoren worden geassocieerd; de self-serving bias.

 par défaut 2014-07-30 à 08.25.06

Figuur 1. Bron: Hoffmann en Post (2014).

De grote vraag is: Waarom zijn we onderhevig aan deze self-serving bias?
Psychologisch onderzoek geeft verschillende oorzaken aan. Zo is de self-serving bias gunstig voor ons zelfbeeld, wat vaak onbewust leidt tot de neiging om ‘self-serving’ te zijn. Wij zijn er als mensen van overtuigd dat gewenste uitkomsten komen door hoe goed wij zijn, wat ons zelfbeeld versterkt. Daarentegen zouden ongewenste uitkomsten ons zelfbeeld verslechteren, dit proberen we dus onbewust te vermijden.

Een consequentie hiervan, is dat mensen die een negatief zelfbeeld hebben, minder gevoelig blijken te zijn voor de self-serving bias dan mensen met een positief zelfbeeld. Interessant is dat de self-serving bias cultuur gedreven blijkt; mensen uit Westerse culturen laten een grotere self-serving bias zien dan mensen uit Oosterse culturen. Daar staat tegenover dat mensen uit Oosterse culturen vaak een zogenaamde groepsattributie bias laten zien. Dit houdt in dat men groepssuccessen toekent aan iets van de groep (zoals ‘we werken echt goed samen’) en het falen van een groep toekent aan factoren van buiten de groep (zoals ‘het was onmogelijk voor ons om de deadlines te halen’).

Een andere oorzaak voor de self-serving bias is dat het helpt onze impressies te managen. We willen liever niet als incapabel of incompetent worden gezien door anderen en wijzen daarom liever negatieve uitkomsten toe aan externe factoren buiten onze controle. Daarnaast hebben we vaak positieve verwachtingen over wat er komen gaat. Realisaties die niet overeenkomen met verwachtingen leiden tot het zoeken naar een oorzaak elders. Zo blijkt ook dat de self-serving bias sterker is als we positieve verwachtingen hebben, en een stuk minder sterk (en soms zelfs omgekeerd!) is als we negatieve verwachtingen hebben. Daarbij lijken vrouwen minder onderhevig te zijn aan de self-serving bias dan mannen. In situaties waarin vrouwen positievere verwachtingen hebben van hun prestaties dan mannen, ervaren ze een sterkere self-serving bias.

Wat zijn de consequenties voor beleggers van deze ‘self-serving’ bias?
Het systematisch toewijzen van succes aan onze vaardigheden en het toewijzen ongunstige uitkomsten aan factoren buiten onze controle, leidt onder andere tot een groter vertrouwen in ons kunnen. Een valkuil hiervan is dat we mogelijk te optimistisch worden en teveel vertrouwen krijgen in ons kunnen. Dit noemt men in de psychologische literatuur ook wel ‘overconfidence’, welke leidt tot bijvoorbeeld het onderschatten en daarmee het nemen van te grote risico’s en het excessief handelen. Daarnaast leidt de self-serving bias ertoe dat we de uitkomsten van situaties vertekend inschatten en daarmee dus moeilijker van onze fouten leren. Dit is een van de redenen waarom het overkomen van verschillende gedragsvalkuilen zo moeilijk is. Het is raadzaam bewust te zijn van het effect dat deze bias op de gemoedstoestand en besluitvormingsprocessen heeft, vooral in situaties die belangrijk zijn en waar positieve uitkomsten worden verwacht (dan is de self-serving bias vaak sterker!). ‘Een gewaarschuwd mens telt voor twee’.

_____________________________________________

Biedt Rusland na de sancties nog beleggingskansen?

10/6/14

De kapitaalvlucht uit Rusland heeft enorme vormen aangenomen en de politieke druk vanuit de rest van de wereld neemt toe. In het licht van deze gebeurtenissen bespreken we de beleggingskansen in het land en de zorgen van beleggers over verdere sancties.

“Het basisscenario blijft dat het niet waarschijnlijk is dat Rusland Oost-Oekraïne zal binnenvallen en daardoor ook ‘fase 3’-sancties van het Westen over zich afroept. Wij verwachten echter wel dat Rusland de druk op de Oekraïense regering zal opvoeren.”

“Toch is de Europese Unie, die momenteel een zwak economisch herstel doormaakt, voor haar energie-import afhankelijk van Rusland en vrezen sommige lidstaten voor hun lucratieve export naar Rusland. Een eenzijdige actie van de VS om Rusland ‘fase 3’-sancties op te leggen heeft verstrekkende gevolgen voor het zakendoen van de Europese partners met Rusland. Dit maakt mogelijk ongecoördineerde actie hoogst onwaarschijnlijk.”

“De politieke en economische banden tussen Duitsland en Rusland (Duitsland blijft Ruslands’ grootste Europese handelspartner en heeft de grootste Russisch sprekende gemeenschap in de EU) zijn van groot belang. Niettemin zien we dat de gesprekken van Duitsland met de Oekraïense regering een beperkt effect hebben op het terugdringen van de marktvolatiliteit.”

“De impact van sancties op de economie van Rusland moeten we niet onderschatten. Rusland kan nog meer expliciete en impliciete sancties tegemoet zien. Maar ook als verdere sancties uitblijven, zullen in Rusland de langetermijneffecten in 2014 voelbaar zijn. Hoewel de kortetermijneffecten van de huidige sancties al grotendeels zijn ingeprijsd, krijgen Russische bedrijven en consumenten te maken met hogere kapitaalkosten en wordt het steeds lastiger zaken te doen met de buitenwereld.”

“Rusland blijft een van de weinige economieën in de wereld die relatief onafhankelijk is van de instroom van buitenlands kapitaal. Zolang strenge economische sancties tegen Russische ondernemingen uitblijven en de olieprijs niet onderuit gaat, blijven de macrovooruitzichten voor Rusland stabiel. Het Russische overschot op de lopende rekening zou, samen met de zwakkere roebel, de regering moeten helpen de federale begroting in evenwicht te brengen en de sociale uitgaven in 2014 op peil te houden. Wat betreft beleggingskansen bieden particuliere Russische energie- en grondstoffenbedrijven een aantrekkelijk instapmoment gelet op de lage waarderingen, uitstekende bedrijfsmiddelen, het steeds stabielere belastingkader en de aantrekkelijke vrije kasstroom en dividendrendementen.”
“Samen met mijnbouwondernemingen profiteren vooral de grote Russische oliemaatschappijen van de huidige valutazwakte omdat hun kosten meestal in roebels worden uitgedrukt en hun opbrengsten in Amerikaanse dollars. Vanwege de oplopende kapitaalkosten en de vrijwel gesloten financiële markten moet over het algemeen blootstelling aan Russische bedrijven met een hoge schuldenlast vermeden worden.”

“Het vermeende gebrek aan kansen is waarschijnlijk beter te verklaren door het ontbreken van hervormingen en het vertrouwen dat het land een duidelijk en bestendig macro-economisch beleid kan voeren dan door geopolitieke risico’s. Rusland is altijd al een zeer volatiele markt geweest. Beleggers zijn dus gewend aan verhoogde risico’s bij het beleggen in Russische aandelen.”

“De kapitaalvlucht  die over het eerste kwartaal van 2014 gepubliceerd werd, was de grootste sinds de financiële crisis van 2008 en de uitstroom zal dit jaar hoogstwaarschijnlijk aanhouden.”

_____________________________________________

A day in the sun

21/5/14

Eind 2013 en begin 2014 ging het gerucht dat de vastrentende markt zou instorten. De rente zou, met name in de VS, omhoogschieten omdat het langverwachte herstel van de Amerikaanse economie krachtig zou doorzetten. Beleggers die de afgelopen jaren hadden geprofiteerd van vastrentende creditproducten zouden deze producten van de hand doen, zo luidde de voorspelling. Daarnaast liet de Amerikaanse Federal Reserve op onhandige wijze doorschemeren het beleid van kwantitatieve versoepeling (QE), dat al sinds november 2008 wordt gevoerd, geleidelijk te willen afbouwen. Marktdeskundigen voorzagen opnieuw een uitzonderlijk jaar voor aandelen van ontwikkelde markten, vooral in de VS.

We zijn nu bijna halverwege 2014 en tot ieders verbazing zijn de aandelenrendementen in de VS vlak, waarbij waardeaandelen beter presteren dan groeiaandelen. In Europa zijn de aandelenrendementen licht positief en nemen landen die het de afgelopen jaren het zwaarst te verduren hadden het voortouw. De Aziatische aandelenmarkten, met name Japan, hadden het moeilijk en realiseerden tot 30 april een negatief rendement van 12,3%. Let wel: Japanse aandelen werden in 2014 nog volkomen veilig gewaand als gevolg van de “Abenomics”, het economische herstelplan van premier Shinzou Abe. In Rusland, waar beleggers sterk op hadden ingezet, daalde de aandelenmarkt niet verwonderlijk met 13,3%.

De “afgeschreven” vastrentende markt blijft het tot nu toe onverminderd goed doen. De rente op 10-jarige Amerikaanse staatsobligaties, in 2013 nog 3%, bedraagt momenteel tot verassing van velen 2,65%. Geld uit fondsen voor gemene rekening blijft richting bedrijfsobligaties stromen, waaronder high-yield en creditproducten met een middellange duration. Obligaties van opkomende markten, die in 2013 een bijzonder moeilijk jaar doormaakten, hebben zelfs geprofiteerd van enige instroom en hebben tot nu toe (tot 30 april) een positief rendement van 3,7% behaald.

Dus wat staat ons te doen? Wereldwijd zijn de ontwikkelde markten bezig zich te verbeteren. De VS, die over het eerste kwartaal een lusteloze bbp-groei met 0,1% rapporteerden, blijken veel last te hebben gehad van het strenge winterweer in de eerste drie maanden. De groei zit er echter aan te komen. De gegevens uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de Zuid-Europese landen zijn ook bemoedigend, evenals de uitspraken van financiële leiders die steun hebben toegezegd. Toekomstgerichte indicatoren, zoals de inkoopmanagerindex (PMI), wijzen allemaal op economische groei. Ondanks alle zorgen, zal China bemoedigende groeicijfers van rond de 7% noteren en blijven profiteren van de verstedelijking in een land met meer dan 1,3 miljard inwoners. Dit is een aspect om in de gaten te houden.

Gezien de financiële onrust de afgelopen jaren en de daaruit voorvloeiende onzekerheid omtrent de beleidsmaatregelen, regelgeving en procedures van overheden, weerstonden zowel consumenten als bedrijven de drang tot consumeren. Die opgekropte vraag wordt nu wereldwijd zichtbaar voor allerlei goederen en diensten, software, auto’s, woningen, machines en uiteraard menselijk kapitaal. De balansen van bedrijven zien er goed uit, met grote hoeveelheden liquide middelen. De waarderingen van aandelenmarkten blijven over het geheel genomen acceptabel. De recente toename van overname- en fusieactiviteit lijkt niet alleen het niveau van de aandelenmarkten te rechtvaardigen, maar ook het idee te onderbouwen dat bepaalde sectoren wellicht aantrekkelijk zijn.

Ook de behoefte aan inkomsten vanuit een vergrijzende bevolking neemt toe. De vraag naar effecten die inkomsten genereren – in de vorm van dividend of rente – blijft sterk. Nu het aantal wanbetalingen door ondernemingen de komende jaren naar verwachting op een historisch laag niveau blijft, zullen producten met een premie ten opzichte van schatkistpapier blijven profiteren van een vraag die het aanbod overtreft.

_____________________________________________

Moeten we bang van China zijn?

9/4/2014

In de afgelopen jaren zijn de zorgen in de markt over China duidelijk toegenomen. Deze zorgen gingen eerst vooral over groei. In de laatste maanden is de aandacht verschoven in de richting van het financiële systeem. Kredietgroei in China is de afgelopen tien jaar excessief geweest, met een gemiddelde van 25% en met uitschieters tot boven de 40%. Nu de berichten over slechte leningen en wanbetalingen blijven toenemen, groeit de twijfel in de markt over hoe de Chinese banken de huidige groeivertraging gaan doorkomen. Dit is zichtbaar in de zwakke Chinese aandelenmarkt, dalende grondstoffenprijzen en zelfs in de renminbi die de afgelopen weken wat in waarde is gedaald. Al met al een logische marktreactie op de combinatie van dalende groei en duidelijke tekenen van stress in het financiële systeem.

En toch wringt er iets. Hoewel er duidelijk een negatievere analyse gemaakt wordt door een grotere groep economen en strategen, is deze analyse nog altijd erg voorzichtig. Dus er zijn toenemende zorgen, maar ze blijven vrijblijvend. Bijna niemand in de financiële wereld durft blijkbaar duidelijke conclusies te trekken, terwijl de risico’s enorm zijn. De meer dan zeventig procentpunten groei van de totale Chinese schuld als percentage van de economie in de laatste vijf jaar is ongekend. Het zal het financiële systeem onder grote druk zetten als de economie verder blijft vertragen.
Tegelijkertijd weet iedereen dat staatsbedrijven en lokale overheden tot over hun oren in de schuld zitten en dat herfinancieren steeds lastiger wordt. De provinciebesturen houden veel verliesgevende industrieën in leven, vooral in staal, cement en andere constructiematerialen. Tevens zijn ze voor hun inkomsten afhankelijk van grondverkopen aan vastgoedontwikkelaars. En juist deze sector begint het in grote delen van China steeds moeilijker te krijgen door dalende prijzen als gevolg van tegenvallende verkopen en een nog steeds stijgend aanbod.

Problemen om hun schuld te herfinancieren met nieuwe langlopende leningen heeft bedrijven en lokale overheden gedwongen steeds kortere leningen af te sluiten. De centrale overheid heeft hiertoe grote hoeveelheden nieuw geld in de economie gepompt. Dit begint nu zichtbaar te worden in de dalende waarde van de renminbi. Een zwakkere renminbi kan de exportsector helpen, maar dit is een effect voor de lange termijn. Voorlopig is het veel belangrijker te kijken naar het risico van kapitaaluitstroom als gevolg van het verdwijnen van de vanzelfsprekendheid van een alsmaar sterker wordende wisselkoers. Kapitaaluitstroom zal de druk op de bedrijven met de grootste financieringsbehoefte en daarmee ook de banken verder opvoeren.

Objectief gezien wordt het steeds moeilijker een scenario te schetsen waarin een kredietcrisis of een scherpe groeivertraging voorkomen kunnen worden. Dat er desondanks slechts een enkeling is die een crisis of een recessie voorspelt, kan verklaard worden door angst. Angst voor de grootheid van de implicaties van het voorspellen van een Chinese crisis voor beleggingsportefeuilles. En angst voor de Chinese autoriteiten die niet gediend zijn van kritische economen die teveel afwijken van de partijlijn.

_____________________________________________

Economen nog in crisis, maar de economie gaat verder

6/2/2014

Het crisisgevoel is nog sterk aanwezig onder economen. Deels omdat sombere tijden net als bij ons allemaal een stempel op hun denken hebben gedrukt. Mogelijk nog belangrijker is dat de economische “wetenschap” nog altijd niet in staat is gebleken een duidelijke verklaring te geven voor wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Hierdoor blijven economen ook worstelen om een geloofwaardige visie op de toekomst te hebben.

Ook met beperkt inzicht in de ware complexiteit van economische stelsels, zal het onderliggende organisme zich op een gegeven moment aanpassen en verder ontwikkelen. Dat moment lijkt nu gekomen. De wereldeconomie bevindt zich in de duurzaamste fase van herstel sinds de uitbraak van de crisis. Hoewel veel economische “modellen” dus nog bijstelling vereisen, is het goede nieuws dat de economie in de praktijk weer opkrabbelt.

Een treffend voorbeeld van de verwarring binnen de economische leer is de toekenning van de Nobelprijs in 2013 aan het zeer van mening verschillende trio Fama, Hansen (enerzijds) en Shiller (anderzijds). Zoals Shiller bij de ontvangst van de prijs benadrukte, denken deze economen totaal verschillend over hoe markten werken (altijd efficiënt ten opzichte van dikwijls irrationeel) en met welk type modellen je de werkelijkheid kunt beschrijven.

Als pragmatische leidraad voor het inzichtelijk maken en sturen van, of investeren in de economie, is het gebrek aan overeenstemming in de economische wetenschap (en het deelterrein “finance”) verontrustend. Daarom moet dit worden aangevuld met een kritische, en minder op overtuiging gebaseerde, analyse van de economische praktijk.

Dat de economische en financiële theorie geen vat heeft gekregen op de recente conjunctuurcyclus en het marktgedrag, heeft ons allen verbaasd. In zekere zin is dit verrassend. Niet alleen de axioma’s waarop de gangbare economische theorie berust, maar ook de voorwaarden om deze hypothesen te kunnen afstemmen op de werkelijkheid zijn al geruime tijd twijfelachtig.

Aannames over de rationaliteit van “agenten” (in plaats van intuïtief en emotioneel gedrag van “mensen”), een volmaakte en onbeperkte vooruitziende blik en het neutrale karakter van geld en schuld lijken allemaal onrealistisch. Ook de beperkte rol voor onzekerheid in deze modellen en het idee dat onzekerheid correct is te meten aan de hand van historische gegevens zijn aanvechtbaar.

Gesteld dat deze aannames de werkelijkheid getrouw weergeven. Dan nog zouden een efficiënte prijsstelling in de markt en een stabiel evenwicht alleen optreden als marktpartijen homogeen, de markten transparant en de drempels voor toetreding laag zijn. Ook zou alle bruikbare informatie tijdig en in gelijke mate beschikbaar moeten zijn voor alle marktpartijen. Daar komt nog bij dat deze condities op zijn zachtst gezegd niet altijd aanwezig zijn.

Wetenschappelijke modellen geven altijd een onvolmaakte, vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid. Dit is acceptabel zolang de modellen, die op deze aannames berusten, de waargenomen dynamiek van de reële economie en de financiële markten correct weten vast te leggen. Al in de jaren vijftig van de vorige eeuw stelde de beroemde econoom Milton Friedman dat onvolmaakte aannames in het economisch denken alleszins te rechtvaardigen zijn zolang ze nauwkeurige voorspellingen opleveren[1]. Een voetballer of biljarter bijvoorbeeld hoeft ook niet de baan van de bal te kunnen berekenen aan de hand van bewegingsvergelijkingen. Uiteindelijk telt alleen de nauwkeurigheid van hun spel. Als spelers daarin excelleren, winnen ze de wedstrijd zonder precies te weten hoe het onderliggende model van de werkelijkheid in elkaar steekt.

Dit zou voor economische modellen ook kunnen gelden en meestal zijn ze vrij nauwkeurig. Zijn ze dat echter niet, dan zitten ze er ook gelijk ver naast. Dat gebeurde in 2008, toen zowel het gedrag van de markt als de wereldeconomie radicaal afweken van wat de modellen hadden voorspeld. Deze economische theorieën voorspellen dat economische groei of financiële markten zich rond een stabiele “evenwichtswaarde” bewegen met gelijkmatig verdeelde schommelingen. In de praktijk blijkt echter dat zowel de evenwichtswaarde en vooral de schommelingen eromheen veel wispelturiger zijn dan de theorieën voorspellen. Ook vóór de crisis van 2008 was hier al een toenemende mate van empirisch bewijs voor, hetgeen in belangrijke rol speelde in het opbouwen van de reputatie van de eerder genoemde Nobelprijswinnaar Shiller.

De wijze waarop de crisis uiteindelijk door de economische wetenschap zal worden verteerd, blijft dus nog onduidelijk. Zolang dat niet helder is moeten economische visies, beleids- en beleggingsadvies op grond van de huidige theorieën altijd kritisch tegen het licht gehouden worden. Alleen al dit besef en de acceptatie dat de toekomst onzekerder is dan velen durven erkennen, is een cruciale eerste stap om toch tot betere en meer consistente besluitvorming te komen. Voor vrijwel elke “economische” beslissing die mensen nemen – zeker bij beleggingen – is een zuivere en samenhangende besluitvorming essentieel om financieel te overleven in deze onzeker wereld. Ook zonder een volledig en onomstreden model van ons economisch stelsel, wijzen zowel onze kwalitatieve analyses als de meer op empirische gedragsregels gebaseerde indicatoren op verdere verbreding en opleving van de wereldeconomie. De groei gaat dus verder zonder dat we precies weten waarom en zal niet schromen om het doorgaande zwartkijken van vele economen in positieve zin te verrassen.


[1]  Friedman, M. “Essays in Positive Economics”, University of Chicago Press (1953), 1970, pp. 3-43

_____________________________________________

Beheer : Het blijven plakken aan verliezers

2/12/2013

Beleggers zijn meer geneigd om beleggingsinstrumenten te verkopen die op een winst (ten opzichte van hun aankooprijs) staan, dan beleggingsinstrumenten die op een verlies staan. Zo laat bijvoorbeeld Odean in een studie uit 1998 zien dat beleggers winnaar aandelen ongeveer 1.6 keer vaker verkopen dan verliezer aandelen. Sindsdien zijn vele studies verricht die dit effect bevestigen. Kortom; beleggers hebben de neiging om te blijven plakken aan verliezers.

In deze column zal ik ingaan op dit effect, ook wel het ‘dispositie effect’ genoemd. Dit effect blijkt een grote valkuil voor beleggers te zijn, vooral omdat vele beleggingsinstrumenten de neiging hebben om te ‘trenden’. Dit betekent dat het verkopen van winnaars en het aanhouden van verliezers vaak geen goed idee is en ons geld zal kosten. Waarom vallen beleggers dan ten prooi aan deze valkuil? En hoe zou men deze valkuil kunnen vermijden? En leidt deze valkuil ook tot voorspelbare patronen in financiële markten, zodat we als beleggers het in ons voordeel kunnen gebruiken?

Waarom?

Een van de populairste verklaringen uit de Behavioral Finance literatuur voor het dispositie effect is dat beleggers waarde hechten aan daadwerkelijk gerealiseerde verliezen en winsten, i.p.v. papieren verliezen en winsten. Wanneer een verlies geleden wordt bij de verkoop van een beleggingsinstrument zal men hier een verslechtering in nut mee realiseren, terwijl men bij een verkoop met winst een verbetering in nut zal realiseren.

Stel nu dat een beleggingsinstrument op een papieren winst staat. Over de gerealiseerde winst is men in het algemeen risico avers en vaak ook ongeduldig, waardoor er de neiging ontstaat winnaars te verkopen. Dan realiseert men immers de papieren winst en daarmee een toename in nut op korte termijn, terwijl het risico dat met het aanhouden van de winnaar gepaard gaat vermeden wordt.

Stel daarentegen dat een beleggingsinstrument op een papieren verlies staat. Bij gerealiseerde verliezen is men vaak op zoek naar risico (men wil maar al te graag het verlies goed maken) en wordt de realisatie van verliezen het liefst zo lang mogelijk uitgesteld. Om die reden houdt men verliezers het liefst wat langer aan. Men realiseert zich dan immers niet het papieren verlies en de bijhorende afname in nut. Wel stelt men de realisatie van het verlies uit en behoudt men ook de kans om van de verliezer een winnaar te maken, om zo alsnog een toename in nut te realiseren.

Recentelijk hebben onderzoekers van onder andere Yale en Calltech deze verklaring bevestigd met behulp van hersenactiviteit analyses. Hierbij moesten mensen beleggingsbeslissingen nemen terwijl ze in een fMRI scanner lagen. Uit het onderzoek is gebleken dat op het moment dat er een beleggingsinstrument met winst (verlies) wordt gerealiseerd , er een sterke toename (afname) in activiteit van bepaalde hersengebieden ontstaat. Dezelfde hersengebieden die ook het subjectieve genot van o.a. goede muziek, aantrekkelijke gezichten, lekker eten en lekkere wijn aangeven. Met andere woorden: juist op het moment van realisatie van een winst of verlies ervaren we sterkere veranderingen in ons nut.

Wat kunnen we doen om het dispositie effect te vermijden?

Afgaand op deze bevindingen zou men belangrijke constructieve stappen kunnen nemen om het dispositie effect te verminderen. Zo zou men zich moeten gaan realiseren dat het bij een aan- of verkoop beslissing niet gaat om historisch gerealiseerde rendementen, maar juist om verwachte, toekomstige rendementen. Een manier om dit expliciet te maken in de beleggingsbeslissing is door verwachte rendementen op te schrijven voor elk beleggingsinstrument (en juist de historische aankoopprijs te negeren). Vervolgens kunnen deze getoetst worden aan de verwachtingen van anderen (experts!) en op basis hiervan kan een beslissing genomen worden. Hierdoor richt men zich op verwachte (i.p.v. historische) aspecten van de beslissing.

Kunnen we als belegger ook een voordeel behalen uit het dispositie effect?

Het dispositie effect zou tot een soort van momentum patronen in financiële markten kunnen leiden. Kortom, door op momentum  (of nog beter ‘dispositie-momentum’) te beleggen zou er voordeel behaald kunnen worden van beleggers die ten prooi vallen aan het dispositie effect.

Laten we, voor het gemak, veronderstellen dat er twee type beleggers zijn; rationele beleggers en beleggers die ten prooi vallen aan het dispositie effect. Beide kunnen in verschillende beleggingsobjecten beleggen die hetzelfde verwachte rendement hebben (tevens voor de simplificatie). Ga er  ook vanuit dat beide groot genoeg zijn om marktprijzen te beïnvloeden (en dit is een cruciale veronderstelling!).

Stel dat een beleggingsobject op een winst staat ten opzichte van de historische gemiddelde aankoopprijs, door een toename in zijn fundamentele waarde. De dispositie beleggers zullen de neiging hebben het beleggingsobject te verkopen en zullen daarmee verkoopdruk en een bijhorende prijsdaling veroorzaken. Hierdoor zal het beleggingsobject dus onder zijn fundamentele waarde verhandelen en naar verwachting een hoger rendement realiseren. Kortom, de voorspelling is dat winnaars uit het verleden het naar verwachting relatief goed blijven doen.

Stel nu dat een beleggingsobject door een onverwachte gebeurtenis een daling in zijn fundamentele waarde realiseert. De rationele beleggers zullen het beleggingsobject verkopen om zo de prijs naar beneden te drijven richting de lagere fundamentele waarde. De dispositie beleggers zullen het beleggingsobject aanhouden, waardoor de kans aanwezig is dat er op korte termijn te weinig verkoopdruk plaatsvindt en de prijs boven de fundamentele waarde blijft handelen. Op langere termijn is hierdoor het verwachte rendement lager. Kortom, verliezers uit het verleden blijven het naar verwachting relatief slecht doen.

Naar mijn verwachting zal het dispositie effect een van de grootste beleggersvalkuilen blijven (gedrag afleren blijkt namelijk zeer moeilijk). Mijn advies is dan ook om tijdens uw beleggingsbeslissingen aan deze valkuil te denken en de tips als aangedragen in deze column toe te passen. En wilt u nog een stap verder gaan, dan kunt u daarnaast profiteren van het dispositie effect door middel van momentum beleggen.

Lees ook:

Het metier van beheer: welke rol spelen de analisten?

Niet de sterkste die overleeft

_____________________________________

Verantwoord beleggen loont de moeite

17/10/13

Het jaar 2012 was een mijlpaal voor Verantwoord Beleggen: het in de categorie belegde vermogen steeg zeer sterk. Dit was te danken aan de groeiende belangstelling van beleggers en onderzoek dat aantoont dat er een positief performance-effect is voor bedrijven en fondsen die ESG-factoren (Environmental, Social and Governance) opnemen in hun strategie. Een studie van de Harvard Business School wijst in dezelfde zin.

Het concept Verantwoord Beleggen omvat een breed scala aan strategieën en etiketten, zoals ethisch, groen, thematisch, betrokken en duurzaam beleggen. Deze strategieën passen bij het beoordelen van ESG-risico’s en –kansen ‘positieve criteria’ of ‘negatieve criteria’ toe, of een combinatie van beide. Bij positieve criteria gebruikt men een ‘best-in-class’ selectieproces waarbij de leidende of best presterende bedrijven in een universum op basis van ESG-criteria worden geselecteerd of gewogen. Negatievescreening beperkt het beleggingsuniversum door het uitsluiten van bedrijven of hele sectoren op basis van activiteit of gedrag. Hoewel de performances van fonds tot fonds sterk verschillen, blijkt uit recent wetenschappelijk onderzoek dat een ‘best-in-class’ aanpak, voor fondsen in veel gevallen tot betere risicogecorrigeerd rendementen leidt dan ‘traditioneel’ beleggen.

Duurzame bedrijven presteren beter

Daarnaast is er steeds meer bewijs dat duurzame bedrijven op de lange termijn beter presteren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een onderzoek (2011) van de Harvard Business School naar performance op de lange termijn. Dat liet zien dat Amerikaanse bedrijven die jaren geleden vrijwillig een milieu- en sociaal beleid zijn gaan voeren het duidelijk beter hebben gedaan dan ‘weinig duurzame’ bedrijven; op de aandelenmarkt (met 4,8% per jaar) en qua financiële resultaten. Een belangrijke onderscheidende factor voor deze bedrijven is de mate van betrokkenheid van het topmanagement bij ESG-vraagstukken. Een uitstekende ESG-positionering en -performance zijn een indicatie voor de kwaliteit van het management en de operationele kracht.

BASF: voorbeeld van integratie ESG-factoren

Een voorbeeld van een bedrijf dat deze aanpak al had voordat het een trend werd, is het Duitse BASF. Om middelen efficient te gebruiken, heeft het chemieconcern een zogenoemd ‘Verbund’-concept ontwikkeld. Verbund koppelt fabrieken, energiestromen en infrastructuur. Los van de financiële en economische voordelen van het op één locatie samenbrengen van de olie/gas- en chemieproductie, bespaart het grondstoffen en energie, vermindert het de uitstoot, beperkt het de logistieke kosten en benut het synergiën.

Er zijn zes Verbund-vestigingen op wereldschaal, gericht op productie, technologie, klanten en medewerkers. Ongeveer een derde van de researchuitgaven van BASF zijn gericht op energie-efficiëntie en bescherming van het klimaat. BASF verwacht dat de lopende onderzoeksactiviteiten op deze gebieden (zoals hernieuwbare energie en accumaterialen) de verkoop van producten die het klimaat beschermen zullen doen toenemen. Het bedrijf behoort volgens ons tot de best in- class in zijn sector. Het is niet gerelateerd aan uitgesloten activiteiten en controversies.

BP: ernstige gevolgen door negeren ESG-factoren

Daartegenover staat oliegigant BP, waar het negeren van ESG-factoren ernstige gevolgen heeft gehad. Het aandeel BP verloor meer dan 50% na het ongeluk met het platform Deepwater Horizon in 2010; de grootste olieramp op zee ooit. De geldelijke sanctie was ook zwaar; het bedrijf heeft totnogtoe USD 42 miljard betaald. Hoewel BP beleid en strategieën had voor wat betreft veiligheid en milieubeheersystemen, week het daadwerkelijke gedrag daarvan af. BP is door de jaren heen betrokken geweest bij talloze incidenten op het gebied van omkoping, corruptie en gezondheid & veiligheid, waaronder het veroorzaken van de grootste olieramp ooit in Alaska. Deze incidenten werden gezien als vroege waarschuwingen die zorgden voor twijfel over de betrokkenheid van het management bij het integreren van ESG-factoren.

Identificeren van langetermijnwinnaars

Deze voorbeelden benadrukken het belang van een strikte aandelenanalyse die rekening houdt met alle factoren die van invloed zijn op de bedrijfsperformance. De traditionele financiële analyse richt zich alleen op het ‘topje van de ijsberg’ en is op zichzelf niet toereikend voor het veranderde concurrentie- en beleggingsklimaat waarin bedrijven actief zijn. Een aanpak die de financiële analyse met een grondige analyse van de verborgen beleggingsrisico’s en waardefactoren combineert, zal bepalen welke bedrijven op de lange termijn winnaars zullen zijn. Deze waardefactoren zijn sterk gerelateerd aan een betere beheersing van toekomstige kosten, geavanceerde ‘branding’ en omzetmogelijkheden en een lagere kans op aanzienlijke reputatieschade.

Lees ook:

– zwarte lijsten

_____________________________________

Europese aandelen: de weg die voor ons ligt

23/9/2013

Het is niet duidelijk of er een consistent, positief verband bestaat tussen de gemiddelde temperatuur op de Europese stranden en de beursperformance. Maar sinds het begin van de zomer lijken beleggers wereldwijd de Europese aandelenmarkt met andere ogen te bekijken. Hoewel we ons hierdoor niet te veel moeten laten meeslepen – één zwaluw maakt nog geen zomer – denken we dat beleggers terecht positiever zijn geworden over Europa.

Om te beginnen is Europa in het tweede kwartaal uit de recessie geklommen. De verbetering was breed gedragen, waarbij zowel Duitsland als Frankrijk de verwachtingen overtrof. Ook het Verenigd Koninkrijk blijft verrassen in positieve zin, getuige de oplopende huizenprijzen, de toegenomen detailhandel-verkopen en de industriële productiecijfers. Een opgaande conjunctuur in de VS en Japan, een iets minder sterke gerichtheid op bezuinigingen, een ruim monetair beleid en de perceptie van afnemende systeemrisico’s liggen ten grondslag aan dit herstel.

Ten tweede is de winstontwikkeling het dieptepunt gepasseerd. Daarom verwachten wij voor de tweede helft van het jaar en 2014 een versnelling van de winstgroei. Rekening houdend met de grote gevoeligheid van Europese winsten voor zelfs de geringste omzetverbetering, verwachten we het komende jaar margeverbreding en winstgroei met dubbele cijfers, mits de wereldwijde groeiomstandigheden gunstig blijven.

Om dit beeld nog interessanter te maken: voor deze winstgroei hoeft geen hoge prijs te worden betaald. De koers/winstverhouding van Europese bedrijven ligt 15% onder het wereldwijde gemiddelde. In vergelijking met de Amerikaanse markt is het disagio zelfs 35% – bijna historisch hoog. Zeker, Europa – of tenminste de eurozone – kent een aantal unieke (economische en politieke) uitdagingen bij het opbouwen van een stabielere monetaire unie, en deze rechtvaardigen waarschijnlijk een disagio. Maar we betwijfelen of dit wel 35% moet zijn.

De aandelenmarkt is niet alleen aantrekkelijk vergeleken met andere beurzen, maar ook afgezet tegen de obligatiemarkt. Het dividendrendement op Europese aandelen bedraagt 3,6%, bijna het dubbele van de rente op een Duitse staatsobligatie. Er is echter één belangrijk verschil. Een combinatie van ‘tapering’ (geleidelijk afbouwen van de monetaire verruiming) in de VS en betere macrogegevens zal de obligatierendementen hoogstwaarschijnlijk opstuwen, wat leidt tot een verlies op het obligatiebezit. Dividenden daarentegen hebben volop ruimte om te groeien, gelet op de betere winstgevendheid van bedrijven en de hoge ingehouden winsten. Dit vormt voor bedrijven ook een stimulans om hun balans te herstructureren. Het vervangen van duur eigen vermogen door goedkope leningen vermindert de gemiddelde kapitaalkosten, verlaagt de ‘hurdle rate’ voor nieuwe investeringen en vergroot het rendement op eigen vermogen. Dit moet aandelenbeleggers als muziek in de oren klinken.

Ze lijken het thema te hebben omarmd. Er zijn tekenen dat de omslag van obligaties naar aandelen eraan komt. Dit zal niet van de ene op de andere dag gebeuren. Toch heeft de aandeleninstroom voor het eerst sinds 2007 de instroom in obligaties overtroffen, en recentelijk heeft deze trend zich versneld. Of deze omslag zal doorzetten hangt af van de duurzaamheid van de fundamentele bedrijfseconomische ontwikkelingen. Dit hangt uiteraard deels af van externe factoren, zoals de groei van opkomende markten en de ontwikkeling van de olieprijs. Een geruststellende gedachte is echter dat zowel Draghi als Carney bereid is de financiële condities soepel te houden en elk inzetbaar middel aan te grijpen om dit doel te bereiken. Zoals altijd zal de praktijk het leren, maar de voortekenen zijn goed.

Daarmee rest de vraag: wat moeten we kopen in Europa? Wij zien drie veelbelovende thema’s: verdere afname van staartrisico’s, meer investeringsuitgaven en herstel van de consumentenbestedingen. De gemakkelijkste manier om posities in deze thema’s in te nemen is middels financiële waarden, industrie en luxe consumentengoederen.

Maar bedenk wel: de weg gaat weliswaar weer omhoog, maar het pad is lang en vol bochten en kuilen. Als belegger in Europese aandelen moet je beschikken over een stel goede schokbrekers.

Lees ook :

– Actualiteit

_____________________________________

Niet de sterkste die overleeft

26/8/2013

Bijna vijf jaar na de val van Lehman Brothers die de ‘Great Financial Crisis’ (GFC) inluidde, houden de schuldproblemen nog altijd aan. Ook de vrees voor nieuwe crises blijft in de hoofden van beleidsmakers, beleggers en vele anderen in de samenleving rondspoken. Er is veel discussie geweest over wat er gedaan moet worden om de schuldproblemen op te lossen en wat in deze situatie –waarin schulden ons in een wurggreep houden – de juiste beleggingsaanpak is. Een van de redenen dat er nog niet veel oplossingen zijn gevonden, is dat twee belangrijke elementen van krachtige besluitvorming voor zowel beleidsmakers als beleggers opvallend genoeg veelal ontbreken, het erkennen van onzekerheid en het toegeven van fouten.

Het accepteren van de onzekerheid die de realiteit met zich meebrengt ten opzichte van de modellen die we gebruiken, kan voor sommigen ongemakkelijk en/of vernederend zijn. Het houdt onze geest echter soepel en verhindert dat we vastroesten in onze opvattingen. Hierdoor helpt het overmoed of buitensporige risico’s nemen op grond van onbetwiste opvattingen te voorkomen.

Een tweede zwakke plek van zowel beleidsmakers als beleggers hun gebrek aan bereidheid om fouten toe te geven. Dit gedrag valt sinds de GFC overal waar te nemen. Het heeft er waarschijnlijk toe geleid dat de crisis onnodig lang voortduurt en dat sommige beleggingsportefeuilles er onnodig zwaar van te lijden hebben gehad.

Drie voorbeelden springen er in dit opzicht uit. Ten eerste de diagnose van de eurocrisis. Door deze te bestempelen als een staatsschuldencrisis hebben velen voorgesteld dat de “oplossingen” gezocht moesten worden in de sfeer van overheidsfinanciën en structurele hervormingen. Als gevolg hiervan zijn beleidsadviezen en beleggingsstrategieën vaak te afhankelijk geworden van ontwikkelingen op dit gebied.

Hierbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat de invoering van de euro veel meer onvoorziene gevolgen met zich mee heeft gebracht dan zelfs de sceptici op dat moment voorspelden. Behalve dat het valutagebied van de euro niet optimaal is (wat de speelruimte om soepel in te spelen op externe schokken beperkt), heeft de euro zelf ook bijgedragen aan de grote onevenwichtigheden in de lopende rekening van de lidstaten. In combinatie met de buitensporige leverage in de private sector waren het veel eerder deze onevenwichtigheden op de lopende rekening die de eurocrisis veroorzaakten dan de toestand van overheidsbalansen. Deze laatste raakten pas na de crisis ernstig uit hun evenwicht omdat ze het gat moesten vullen dat ontstond in zowel de activiteiten als balansen van de private sector.

Door eerst de verkeerde diagnose te stellen van de oorsprong van de crisis en vervolgens de koers niet te verleggen, hebben beleidsmakers evengoed als beleggers steeds het verkeerde medicijn verstrekt (gecoördineerde budgettaire verkrapping) en te weinig aandacht besteed aan belangrijke stappen voorwaarts, zoals het opkoopprogramma voor staatsobligaties van de ECB of de bereidheid om een bankenunie op te richten. Dit heeft zich vertaald in een veel zwakkere groei dan voorspeld door de beleidsmakers en veel sterkere markten dan de meeste beleggers hadden voorzien.

Twee andere voorbeelden van onjuiste analyse: bezuinigingsmaatregelen zouden het vertrouwen in de private sector versterken en de simplistische veronderstelling dat kwantitatieve verruiming (QE) per definitie inflatoir werkt.

Het bezuinigingssprookje is vanaf het begin flinterdun geweest. Zelfs de conventionele macro-economie bood nauwelijks onderbouwing voor het idee dat van budgettaire verkrapping een expansionair effect op de economie uitgaat. Daar komt nog bij dat, sinds de brede bezuinigingen in de eurozone zijn doorgevoerd, bijna al het empirische bewijsmateriaal erop wijst dat het vertrouwen van de private sector door dit beleid is afgekalfd in plaats van ondersteund.

Het derde “feit” dat QE of andere typen onconventionele monetaire versoepeling altijd zouden leiden tot inflatie gaat voorbij aan de complexiteit van het doorwerkingsmechanisme van monetair beleid in een moderne economie en de rol die de geldvraag en het geldaanbod hierin spelen. Ook gaat het volledig voorbij aan de bewijzen van tientallen jaren in Japan, waar dit beleid de economie niet uit de deflatie heeft kunnen tillen.

Tot slot blijken alle voorspellingen over oplopende inflatie sinds de Fed begin 2009 startte met het QE-beleid er naast te hebben gezeten en kwamen ze beleggers die op basis van deze visie posities innamen duur te staan. Het failliet van deze opvatting wordt inmiddels duidelijk onderstreept door het feit dat de anti-QE-fundamentalisten de motivering voor hun verzet gewoon volledig hebben gewijzigd. De vrees voor inflatie wordt niet langer publiekelijk geventileerd. Nu vormen de risico’s van “financiële instabiliteit” echter de nieuwe rechtvaardiging om maar niet de vergissingen te hoeven toegeven over waarschuwingen tegen het soepele monetaire beleid van centrale banken.

Of politici, economen en andere experts bereid zijn hun vergissing wat betreft de bovengenoemde onderwerpen toe te geven, is van cruciaal belang voor de samenleving. Het heeft immers grote invloed op de werkgelegenheidsvooruitzichten en de welvaart in het algemeen. Beleggers kunnen geen directe invloed uitoefenen op deze overwegingen, die worden bepaald door verkiezingen, reputatie en publiciteit in tijdschriften en andere media. Ook helpt het beleggers niet duidelijk te maken wat beleidsmakers “zouden moeten” doen.

Beleggers moeten beoordelen wat er “zal” gebeuren omdat het hun verantwoordelijkheid is een aantrekkelijk rendement te genereren over de portefeuille die zij beheren. Alleen dan kunnen ze goed passen op het zuurverdiende spaargeld van de mensen en instellingen waar ze voor beleggen. Hiertoe is een realistische en flexibele analyse van het huidige beleggingslandschap onmisbaar. Net als bij de analyse van complexe systemen biedt Darwin’s visie op toekomstig succes in dit opzicht een zeer belangrijke richtlijn voor zowel beleidsmakers als beleggers: “Het is niet de sterkste van een soort die overleeft, ook niet de intelligentste. Wel degene die zich het beste aan veranderingen kan aanpassen.”

_____________________________________________

Waarvoor dienen derivaten bij het beheer

21 mei 2013

Het gebruik van derivaten is de jongste jaren fors toegenomen. Volgens de Bank voor Internationale Betalingen (BIB), is de totale marktwaarde van de over-the-counter derivaten sinds 2006 meer dan verdubbeld, tot zowat 24,7 triljard dollar[1]. Er bestaan uiteraard talrijke soorten derivaten, gaande van derivaten op aandelen, rente, munten, grondstoffen, enz. tot credit default swaps (CDS), maar derivaten met een rente of munt als onderliggende waarde worden het meest gebruikt.

Wat is een derivaat?

Een derivaat of afgeleid product is een financieel instrument dat zijn waarde ontleent aan de waarde van een onderliggend goed zoals vastgoed, aandelen, obligaties, indexen, rente, grondstoffen, munten, enz. Beleggen in een derivaat wordt enkel overwogen als men een strategie ten opzichte van zijn onderliggende goed heeft. Meestal doet het beheer een beroep op derivaten om drie redenen: om het risico te beheren, om het beheer van de portefeuille te optimaliseren en om het rendement zoveel mogelijk op te voeren.

De risico’s dankzij derivaten beter beheren

Risico gaat altijd met beheer gepaard en kan diverse vormen aannemen, zoals een daling van de markten, een rentestijging, de wanbetaling van een uitgever van obligaties of muntschommelingen. Het gebruik van derivaten laat het mogelijk om zich op een flexibele wijze en tegen een geringe prijs tegen de meeste risico’s te beschermen. Zo kan een aandelenbelegger zijn portefeuille tegen een daling van de markten beschermen door putopties te kopen. Die opties geven hem het recht om zijn aandelen tegen een vooraf gestelde prijs te verkopen. Een obligatiebelegger kan zich van zijn kant tegen het faillissement van een uitgever beschermen door credit default swaps te kopen. Naast beleggingsrisico’s kunnen derivaten ook nog de operationele risico’s van marktspelers afdekken. Een handelaar in landbouwgrondstoffen kan zich bv. tegen de schommelingen van de graanprijzen en/of de verschillende munten waarin hij handelt, beschermen door op voorhand de prijzen via termijncontracten («futures») vast te stellen.

Het beheer van de portefeuille optimaliseren

Een portefeuille die volgens het principe van de goede huisvader beheerd wordt, moet een goede diversificatie vertonen en relatief flexibel zijn om bij wijzigingen van de marktvoorwaarden snel aangepast te kunnen worden. De diversificatiecapaciteiten van particuliere beleggers worden echter vaak door de omvang van de portefeuilles beperkt en als ze de positionering van hun portefeuille snel moeten aanpassen, hebben particulieren soms met liquiditeitsbeperkingen te kampen. Het gebruik van derivaten zoals termijncontracten kan een oplossing voor die problemen bieden. Via een termijncontract kan men een synthetische bloostelling aan een activaklasse (men heeft die niet fysisch in portefeuille) tegen een lagere prijs krijgen. Om in dergelijke contracten te beleggen, volstaat het immers om een waarborgdeposito van zowat 5 à 10% van de nominale waarde van het contract bij een tussenpersoon (online broker) te storten. Zo geniet men van een hefboomeffect en kan men zijn portefeuille op een goedkopere wijze diversifiëren en tegelijk van een grote flexibiliteit profiteren omdat deze termijncontracten gestandaardiseerd zijn en hun liquiditeit door de marktoperatoren verzekerd wordt.

Het rendement zoveel mogelijk opvoeren

Beleggen in opties of termijncontracten laat het in het algemeen mogelijk om van een hefboomeffect te profiteren omdat het mogelijk is om een positie op een bepaald nominaal bedrag te nemen terwijl slechts een klein gedeelte van dit nominale bedrag vastgelegd wordt. Derivaten kunnen dus het rendementspotentieel van elke belegde euro zoveel mogelijk opvoeren.

Hoewel derivaten in verschillende opzichten nuttig kunnen blijken, is de grootste voorzichtigheid bij hun gebruik geboden. Het hefboomeffect dat bepaalde instrumenten bezorgt, kan immers zowel het rendement opvoeren als de belegger aan grotere verliezen dan zijn startkapitaal blootstellen.


[1] Som van de volgende markten: Australië, België, Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, Nederland, Spanje, Zweden, Zwitserland, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten.

_____________________________________________

Risicoanalyse bij het beheer

9 april 2013

Risico is een variabele die niet te scheiden is van het beheer en een portefeuille beheren is vooral risico’s, naar boven of beneden toe, beheren. De verschillende activaklassen binnen het beleggingsuniversum vertonen elk een specifiek risicoprofiel en om dit risico te meten, gebruikt men meestal de volatiliteit.

Wat is de volatiliteit?

De volatiliteit van financiële activa is de mate waarin het rendement over een gegeven periode verandert. Zo betekent een hoge volatiliteit dat men een omvangrijke winst mag verwachten, maar ook dat het risico op een verlies even groot is. Het rendement en het risico zijn dus de twee zijden van eenzelfde munt, wat de beroemde spreuk van Milton Friedman – ‘there is no such thing as a free lunch’ – bevestigt. De belegger zal dus meestal het rendement van zijn portefeuille willen maximaliseren en tegelijk de volatiliteit van deze laatste minimaliseren. Hiervoor zal hij zijn portefeuille diversifiëren door ‘risicovolle’ en ‘minder risicovolle’ activa op te nemen.

Kan men nog van ‘risicovolle’ en ‘minder risicovolle’ activa spreken?

Voorzichtigheid is immers geboden als men dit soort onderscheid maakt omdat de activaklassen niet homogeen zijn, omdat hun volatiliteit niet stabiel in de tijd is en, ten slotte, omdat de volatiliteit van een activaklasse niet noodzakelijk alle mogelijke risico’s ‘inhoudt’. Op het vlak van risico mag men dus geen binaire conclusies trekken, te meer daar bepaalde ‘risicovolle’ activa – naar het voorbeeld van slangengif dat geneeskrachtige eigenschappen heeft – nuttig kunnen blijken om een portefeuille te beschermen. Zo kunnen bepaalde derivaten die hun houders tot verliezen van meer dan 100% blootstellen, die laatste paradoxaal genoeg tegen verschillende risico’s (rente, inflatie, volatiliteit…) beschermen.

Aandelen, die met een volatiliteit tussen 15% en 20% altijd als de risicovolle activaklasse bij uitstek beschouwd werden, vormen geen homogeen blok: er zijn «defensieve» en «cyclische» aandelen. Deze laatste kunnen overigens hun houders tegen de inflatie beschermen, wat niet het geval is voor de meeste obligaties die als weinig risicovol worden beschouwd.

Obligaties vormen ook geen homogeen blok daar sommige een kredietrisico vertonen (al dan niet hoogrentende bedrijfsobligaties), terwijl een wisselrisico aan andere gekleefd is (obligaties uit de opkomende markten). Staatsobligaties uit de ontwikkelde landen, die lang als de risicoloze activaklasse bij uitstek beschouwd werden, bezorgen nu kopzorgen aan hun houders daar een taboe in 2012 gevallen is met de – weliswaar geordende – schuldherstructurering in Griekenland. Men kan dus niet langer beschouwen dat staatsobligaties geen kredietrisico vertonen, of zelfs dat hun ‘liquiditeit’ optimaal is daar de liquiditeit van talrijke obligatiemarkten bij het hoogtepunt van de schuldencrisis van de eurozone opgedroogd is.

Betekent dit dat de liquiditeit – de ‘cash’ – de laatste wal is tegen de risico’s die de citadel van onze portefeuille belegeren? Jammer genoeg niet, zoals de spaarders die hun geld in 2008 bij de IJslandse banken or recentelijk bij de Cypriotische banken hadden geplaatst, kunnen getuigen. De risico’s die aan de liquiditeiten gebonden zijn, kunnen niet langer genegeerd worden, de waarborg op de deposito’s rust op het vertrouwen in het banksysteem, terwijl het risico in verband met de fiscaliteit steeds groter wordt. Zelfs de baksteen die iedere Belg in de maag heeft, zou ten slotte moeilijk te verteren kunnen worden door het toenemende verschil tussen de prijs en het gemiddelde inkomen enerzijds en de veranderingen in de ‘consumptie’ als gevolg van de vergrijzing van de bevolking anderzijds.

Al bij al kan men concluderen dat er – net zoals er geen ‘free lunch’ is – geen risicoloze activa zijn. Risico is overal, het is veelzijdig en beweeglijk. Beleggen betekent meer dan ooit risico’s beheren en hiervoor moet men de nodige afstand kunnen nemen om de theoretische gronden waarop onze beslissingen steunen, aanhoudend in twijfel te trekken.

_____________________________________________

Open architectuur: waarom en hoe?

28/2/2013

Toen de Europeanen bij het einde van de jaren 90 hun eenheidsmunt invoerden, hoopten ze o.m. dat die de ontwikkeling van de Europese markt zou versnellen, waardoor Europese bedrijven zou kunnen ontstaan die op wereldvlak zouden meetellen. In de financiële sector werd deze doestelling onbetwistbaar bereikt. Tijdens de jaren 2000 was er immers een forse toename van de fusies tussen banken en verzekeraars, waardoor het bankverzekeringsmodel de norm in het Europese financiële landschap werd. Dit leidde tot de creatie van groepen van internationaal formaat.

Terwijl deze allianties gevormd werden om een kritieke omvang te bereiken, streefden ze uiteraard ook naar synergiën. De activabeheersafdelingen van de verzekeringspolen van deze groepen kregen bv. toegang tot de distributienetwerken van de bankpolen. In een context van stijgende markten konden de activiteiten van de activabeheerders hierdoor fors groeien, terwijl de ‘interne’ distributeur ruim vergoed kon worden dankzij de inschrijvingsprovisies en de retrocessies op de beheerprovisies.

Voor de distributeur kan deze rendabele werkwijze echter tot belangenconflicten leiden. Het is immers weinig waarschijnlijk dat een – interne of externe – activabeheerder enerzijds een productgamma kan bieden dat het gehele beleggingsuniversum dekt en anderzijds altijd de beste resultaten haalt in alle activaklassen waarin hij bedrijvig is. Dit plaatst de distributeurs voor een dilemma omdat ze de morele en wettelijke verplichting hebben om in alle objectiviteit oplossingen te bieden die met het risicoprofiel van hun cliënten passen. Men kan zich echter afvragen of het mogelijk is om volledig objectief te zijn als men slechts de producten van één interne leverancier biedt. Zelfs met een hoog niveau van integriteit veronderstelt dit dat de distributeur bepaalde producten die bij zijn activabeheerder niet beschikbaar zijn, niet kan bieden of verplicht kan zijn om producten te kiezen die niet de beste resultaten uit de markt halen.

Deze kwestie heeft heel vlug tot discussies binnen de financiële kringen geleid, maar het heeft tot 2008 geduurd opdat deze werkwijze op losse schroeven werd gezet. Enerzijds heeft de crisis van 2008 de beleggers, die door hun beursverliezen ontnuchterd werden, kritischer ten opzichte van de adviezen van de banken gemaakt. Anderzijds heeft de crisis een aantal bankverzekeraars ertoe aangezet om hun activiteiten te scheiden om de omvang van hun balans te verminderen.

In de wereld van het activabeheer betekende dit het einde van de interne distributiekanalen. Een aantal distributeurs namen een zogenaamde «open» architectuur aan, dit wil zeggen dat ze hun distributiekanalen stilaan voor de producten van externe activabeheerders openden. Deze trend is echter verre van voltooid. In België hebben, met uitzondering van één grote bank, slechts middelgrote banken en/of entiteiten die in het vermogensbeheer gespecialiseerd zijn, voor een open architectuur gekozen. Het is nochtans te hopen dat deze praktijk in de komende jaren algemeen zal worden daar een open architectuur de beste garantie is dat de beleggers toegang krijgen tot een volledig productassortiment en tegelijk de beste producten uit de markt kunnen selecteren.

Men moet echter oppassen en niet in het andere uiterste vallen. De distributeur mag in geen geval een gewone supermarkt van beleggingsfondsen worden. De selectie van beleggingsfondsen vergt immers veel deskundigheid en de keuze van de partners is cruciaal om de best mogelijke dienst aan de cliënten te bieden. Naast goed presterende fondsen moet de distributeur ervoor zorgen dat de activabeheerders met wie hij werkt, hem de nodige elementen verschaffen opdat hij zijn wettelijke verplichtingen in termen van inlichting van de cliënten kan vervullen. Het ideale model van open architectuur lijkt dus meer op een delicatessenwinkel dan op een supermarkt.

_____________________________________________

Uw portefeuille beheren met beveks: voor- en nadelen

24/01/2013

Wie een roerend vermogen bezit, zal zich onvermijdelijk afvragen hoe hij dit vermogen kan beleggen om te vermijden dat zijn spaargeld traag maar zeker door de inflatie wordt opgesoupeerd.

Beleggen doe je echter niet zomaar. Naast een perfecte kennis van zichzelf in termen van gewenst rendement en tolerantie ten opzichte van het risico, vergt het beleggingswezen een goede kennis in economie en financiën, evenals een aanzienlijke investering in tijd om de evolutie van de financiële markten op te volgen. De laatste jaren zijn de beleggingen bovendien steeds ingewikkelder geworden als gevolg van de globalisatie van de financiële markten, de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en de toenemende crisissen.

Als men vandaag zijn portefeuille als een goede huisvader wil beleggen, kan men zich niet langer beperken tot een belegging in onze nationale juwelen – de BEL 20 en de OLO’s. Een holistische aanpak is onontbeerlijk om de financiële markten in hun verscheidenheid te bekijken. Deze holistische aanpak vergt echter een kennis die enkel professionelen of fanaten (die veel tijd aan hun passie kunnen besteden) kunnen verwerven. De opvolging van de 6000 aandelen die in de MSCI World-index worden opgenomen, vergt immers meer tijd en kennis dan de opvolging van onze 20 grootste nationale aandelen. Dit veronderstelt ook dat we de schommelingen van de verschillende munten waarin deze aandelen worden uitgedrukt, kunnen begrijpen en anticiperen. Dit geldt ook voor beleggingen in obligaties, waarvoor we naast de munt waarin ze uitgedrukt worden, ook nog de verschillende economische parameters eigen aan het uitgevende land moeten kunnen opvolgen, omdat die laatste samen met het monetaire beleid en de inflatie de obligatiekoersen kunnen beïnvloeden.

De nodige kennis hebben om deze holistische aanpak te begrijpen is een noodzakelijke, maar zeker niet voldoende voorwaarde om zijn portefeuille volgens de huidige standaarden te beleggen. Toen men zich op de Bel 20 toespitste, kon men zich immers tevredenstellen met een goede diversificatie tussen de sectoren. Vandaag moet men daarnaast – zowel voor aandelen als voor obligaties – voor een fraaie diversificatie in termen van regio’s en munten zorgen. Een dergelijke diversificatie vergt echter een omvangrijke portefeuille als men niet verplicht wil zijn om concessies ten opzichte van zijn beleggingsstrategie te maken. Zelfs met het hoogste roerende vermogen per inwoner uit Europa zullen de meeste Belgen nooit een portefeuille hebben die groot genoeg is om alle verfijningen van de huidige financiële engineering te integreren, zelfs als ze alle parameters ervan beheersen.

Uw portefeuille beheren met beveks maakt het mogelijk om deze moeilijke equatie op te lossen omdat professionele beheerders en omvangrijke kapitalen die van talrijke beleggers komen, in eenzelfde beleggingsinstrument verenigd worden. Volgens de gevallen zal de belegger zelf zijn portefeuille samenstellen met beveks – in de domeinen die hij minder goed kent – en directe beleggingen in aandelen en obligaties, of het beheer van zijn gehele portefeuille aan gemengde beveks overlaten. Deze beveks hebben verschillende compartimenten waarvan de strategische activaspreiding (aandelen/obligaties) aan de verschillende beleggersprofielen beantwoorden. Die beveks zullen volgens de gevallen in beveks en/of directe lijnen beleggen. Naast het voordeel van een professioneel en gediversifieerd activabeheer profiteert de belegger van een professioneel risicobeheer en van een rapportage die hem een synthetisch beeld geeft van de factoren die zijn portefeuille hebben beïnvloed.

Beleggen met beveks heeft natuurlijk niet enkel voordelen, er hangt ook een prijskaartje aan (instap- en beheerkosten…) dat door een overeenkomstige prestatie gecompenseerd moet worden, d.w.z. door een beter resultaat dan dat van de referentie-index. Wanneer men een bevek selecteert, is het dus belangrijk om de bestendigheid van zijn (fraaie) prestaties te bekijken. Een slechte prestatie kan het gevolg zijn van een slecht beheer of van een te zware kostenstructuur. Het is cruciaal om de transparantie van de gekozen bevek te onderzoeken om na te gaan of de genomen belegginskeuzes in het belang van de aandeelhouder en niet van de beheervennootschap waren. Er bestaan gelukkig verschillende objectieve indicatoren die de selectie van een bevek vergemakkelijken, zoals het aantal sterren van Morningstar of de rating van de noteringsagentschappen.

Een bevek die op grond van objectieve criteria nauwkeurig geselecteerd wordt, kan dus een uitstekend alternatief vormen voor een persoonlijk beheer in directe lijnen. De fanaten die deze weg hebben gekozen, kunnen zich troosten met het lezen van de maandverslagen en een beetje stockpicking tijdens hun vrije tijd.

_____________________________________________

Aandelen hebben hun laatste woord niet gezegd … in het kader van een gediversifieerde portefeuille

13/12/2012

In zijn publicatie van 24 mei 2012 besloot de Financial Times om de provocerende titel die in 1979 door de Business Week werd gebruikt, in vraagvorm te hernemen: Zijn aandelen dood? («The Death of Equities?»). Volgens een recente «Barometer van de Beleggers» van ING verwacht minder dan één derde van de Belgische beleggers dat aandelen binnen de komende 12 maanden meer dan 5% zullen opbrengen. De particulieren zijn niet de enigen die weinig vertrouwen in aandelen hebben, de institutionele beleggers zijn ook zeer voorzichtig: hun posities in cash en veilige kwaliteitsobligaties blijven hoger dan het historische gemiddelde. Dit verklaart waarom de Financial Times zich eind augustus afvroeg of het nog de moeite was om in aandelen te beleggen. Voor ons is het antwoord op deze vraag duidelijk: ja. En dit om drie redenen. Ten eerste hebben aandelen ondanks de verschillende crisissen op lange termijn relatief goed gepresteerd, terwijl hun waarderingen ten opzichte van de andere traditionele activaklassen (obligaties en vastgoed) aantrekkelijk zijn. Ten tweede moeten de aandelenbeleggers niet uit het oog verliezen dat ze mits een voldoende diversificatie en een beleggingstermijn op middellange/lange termijn correct vergoed worden voor het gelopen risico. En ten slotte moet niet vergeten worden dat beleggingsopportuniteiten vaak in periode van financiële stress optreden. Of met de woorden van Sir John Templeton: “Bullmarkten worden geboren uit pessimisme, groeien door scepticisme, rijpen door optimisme en sterven bij euforie. Het beste moment om aandelen te kopen is wanneer het pessimisme het grootst is.”

De balans is verre van volledig negatief voor aandelen

De beurzen hebben weliswaar talrijke crisissen meegemaakt, maar dit heeft ze niet belet om indrukwekkende rendementen op lange termijn te boeken. Sinds de Business Week van 1979, na 10 jaar van zwakke groei en inflatiespanningen, de dood van aandelen («Death of Equities») aangekondigd heeft, is de S&P 500 met zowat 1460% vooruitgegaan! Deze prestatie kan ertoe aanzetten om een zekere volatiliteit op korte termijn te dulden. Vooral als er ook rekening met de herbelegde dividenden gehouden wordt. Als men bv. de MSCI-index van de belangrijkste Europese «blue chips» bekijkt, ziet men dat de koersen tijdens de voorbije 10 jaar amper met 11% gestegen zijn, maar als men rekening houdt met de dividenden en de winsten die dankzij hun herbelegging gemaakt werden, stijgt het rendement tot liefst 55%! Op jaarbasis vormt dit een gemiddelde prestatie die de inflatie met 3% overschrijdt.

Waarom nog in aandelen geloven…

Men heeft soms de indruk dat de aandelenmarkten de voorbije jaren alleen maar voor slechte verrassingen hebben gezorgd. Er wordt bovendien algemeen aangenomen dat de economische groei in de toekomst onder het gemiddelde op lange termijn zal blijven, met als gevolg lagere aandelenrendementen.

Ondanks de negatieve fundamentele factoren lijken de aandelenkoersen echter te herstellen omdat de beleggers onder de impuls van het uiterst soepele monetaire beleid van de centrale banken meer vertrouwen hebben in de positieve technische factoren (zoals de waarderingen en het dividendrendement) die de risicovolle activa ondersteunen.

Aandelen blijven relatief goedkoop

Op grond van de evolutie op 20-30 jaar blijven de waarderingscriteria van de aandelen aantrekkelijk. Voor de VS zijn de verschillende koerswinstverhoudingen van de aandelen uit de S&P 500 niet overdreven: ze schommelen tussen 14,7 en 22,3. De Amerikaanse aandelen lijken ook redelijk geprijsd als de waarde van de bedrijven met de omvang van de nationale economie vergeleken wordt. De ratio beurskapitalisatie van de S&P 500/bruto binnenlands product van de VS bedraagt ongeveer 83%, na hoogtepunten van 101% in mei 2007 na een stijging van de markt tijdens 5 jaar en van 131% in augustus 2000, vlak vóór de uitbarsting van de internetluchtbel van de jaren 1990. De aandelen van de eurozone worden van hun kant door 45% van de fondsenbeheerders (een ongeëvenaard percentage) als de meest ondergewaardeerde uit alle regio’s beschouwd. Op grond van de MSCI Europe-index worden ze tegen 12,1 maal de verwachte winst verhandeld, terwijl hun gemiddelde koerswinstverhouding van de voorbije 20 jaar zowat 23 bedraagt. De ratio koers/inventariswaarde wijst op eenzelfde beeld: de Europese aandelen worden tegen een veelvoud van 1,5 verhandeld, te vergelijken met een historisch gemiddelde van 2,2.

Aandelen bieden dividenden die met de coupons van de obligaties kunnen wedijveren

Naast gunstige absolute waarderingen, vertonen aandelen ook aantrekkelijke waarderingen ten opzichte van de andere activaklassen. Ondanks 30 jaar van stijgende obligatiemarkten en dalende rente, zijn de staatsobligaties niet beschut tegen een destabilisatie die van een inflatoire of zelfs deflatoire cyclus zou kunnen komen. In deze context beschikken aandelen over een belangrijke troef: hun dividendrendement ligt ruim hoger dan het obligatierendement. De bijdrage van de herbelegde dividenden in het totale rendement van een aandelenbelegging is historisch gezien significant. Als de volatiliteit op de markten aanhoudt, zouden de dividenden en de dividendgroei bovendien nog een grotere rol kunnen spelen. De capaciteit van de bedrijven om dividenden uit te keren is immers zeer groot dankzij het bijna recordpeil van hun liquiditeiten. Bovendien stijgen dividenden traditioneel samen met de inflatie. Net deze dynamische kant van de dividenden kan voor een extra rendement ten opzichte van de vastrentende instrumenten zorgen.

… en vooral dan in aandelen die als «investment grade» beschouwd worden

Gelet op de historisch lage obligatierendementen en op de voorzichtigheid die geboden is ten opzichte van de vastgoedrendementen, is een wijziging van de activaspreiding ten voordele van aandelen niet uitgesloten. Hoewel we beseffen dat dit proces veel tijd in beslag zou kunnen nemen daar de beleggers nog steeds de voorrang aan kapitaalbescherming geven, zullen aandelen waarschijnlijk een grotere plaats in de beleggingsportefeuilles krijgen. De strategieën van activaspreiding, die tot nu toe nog defensief zijn, zullen dan ook gewijzigd worden. We moeten echter toegeven dat de beleggers voor een pijnlijk dilemma staan. Enerzijds is het moeilijk om op de obligatiemarkten positieve reële inkomsten te krijgen zonder enige risico’s te nemen (beleggen in leningen van bedrijven met een lagere kredietrating). Anderzijds worden talrijke aandelen in de huidige omgeving (zwakke groei, onstabiel banksysteem en onzekerheid rond de overheidsschulden) als risicovol beschouwd.

In deze context verkiezen we de zogenaamde «investment grade» aandelen (om de terminologie van de obligatiemarkten te hernemen), d.w.z. aandelen met stevige historische prestaties, een gezonde balans en een stabiele dividendgroei. Tegelijk blijven we de diversificatie tussen de activaklassen voortrekken. Wat de tolerantie ten opzichte van het risico en het risicoprofiel ook mogen zijn, is het uiteindelijk deze diversificatie die het mogelijk maakt om de risicograad van de portefeuilles te verlagen, terwijl de timing van de beleggingen van minder belang is.

_____________________________________________

Stockpicking: dividendrendement, een ideaal selectiecriterium

20/11/2012

Tussen de recessie die we meemaken, de twijfels over de houdbaarheid van de schuldenlast van veel landen, de lage rente en de eurocrisis zijn de langetermijnbeleggers vandaag ten einde raad. Bij gebrek aan herkenningspunten trekken ze zich langzamerhand terug uit de aandelenmarkten. In deze oceaan van onzekerheden blijven bepaalde indicatoren, zoals het dividendrendement, echter een verzekering om veilig de haven te bereiken.

Tal van studies tonen dat dividenden op lange termijn het grootste gedeelte vormen van het rendement van een aandelenportefeuille en dat bedrijven die hoge dividenden betalen, beter presteren dat bedrijven die lage of geen dividenden uitkeren. Dividenden betekenen bovendien meer dan een eenvoudige geldteruggave aan de aandeelhouders; voor hen kunnen ze een manier zijn om de handelingen van de directie beter onder controle te houden door minder liquiditeiten in het bedrijf te laten.

Het dividendbeleid is een zeer belangrijk element in de strategie van een bedrijf en kan gebaseerd zijn op verschillende logica’s. Een bedrijf kan immers zijn dividendbeleid afstemmen op het vertroetelen en binden van zijn aandeelhouders. Door een groot gedeelte van zijn winst uit te keren, versterkt een bedrijf enerzijds zijn corporate governancemodel door de financiële bewegingsruimte van de directie in te perken en voldoet het anderzijds aan de voorliefde van de aandeelhouders voor cash. Terwijl ingehouden winsten een boekhoudkundig concept vormen, zijn dividenden echte, door het bedrijf uitgekeerde liquiditeiten. Het dividenduitkeringsbeleid geeft de beleggers dus een stevig signaal over de financiële gezondheid van het bedrijf. Beleggers reageren dan ook dikwijls positief op een verhoging van het dividend, terwijl ze een verlaging van het dividend negatiever inschatten dan een neerwaartse herziening van de winst.

Meestal worden drie factoren gebruikt om de houdbaarheid van het dividendbeleid van een bedrijf te beoordelen:

  1. De uitkeringsratio wordt berekend door het dividend van het bedrijf te delen door de winst per aandeel na belastingen. Een uitkeringsratio hoger dan 1 betekent dat het bedrijf in dat jaar een hoger dividend uitkeert dan de geboekte winst. In een historisch perspectief hebben de ondernemingen 40% tot 50% van hun winst in dividenden uitgekeerd. Momenteel stelt men vast dat de uitkeringsratio onder zijn historische gemiddelde ligt. In deze context lijkt een daling van de dividenden weinig waarschijnlijk zelfs al wordt voor 2013 een winstdaling verwacht.
  2. Het dividendrendement wordt berekend door het brutodividend te delen door de koers van het aandeel. Dit zegt hoeveel cash een bedrijf jaarlijks uitkeert in verhouding tot de koers van het aandeel. Als er geen meerwaarde op de koers is, vormt het dividendrendement de return on investment op een aandeel. De voorbije twee jaar bedroeg het dividendrendement in Europa zowat 4%.
  3. De dividenddekking is de verhouding tussen de winst van het bedrijf en de aan de aandeelhouders betaalde dividenden. Dit wordt berekend door de winst per aandeel te delen door het dividend per aandeel. Als een bedrijf bv. een winst per aandeel boekt van 10 USD en een dividend uitkeert van 2 USD, is de dividenddekking gelijk aan «5 keer».

Vanuit puur boekhoudkundig standpunt ziet de betaling van een dividend eruit als een waardeverlies voor het bedrijf dat dit dividend uitkeert, terwijl men vanuit economisch standpunt redeneert dat de waarde van een bedrijf overeenkomt met de huidige waarde van alle toekomstige dividenden. Er wordt immers vastgesteld dat veel beleggers niet onverschillig staan tegenover de winstuitkering door de bedrijven waarvan zij aandeelhouder zijn en dat ze, net als Warren Buffet, de voorkeur lijken te geven aan aandelen met hoge dividenden, en dit om verschillende redenen.

Om te beginnen onderstrepen we – en dit wordt bevestigd door tal van academische studies – dat dividenden op lange termijn het grootste gedeelte van het aandelenrendement vormen. Als we bv. het gemiddelde jaarrendement van de MSCI World-index over de voorbije 40 jaar ontleden, stellen we vast dat het grootste deel daarvan afkomstig is van dividenden.

Voorts hebben verschillende studies getoond dat de bedrijven die hoge dividenden betalen, beter presteren dan bedrijven die geen dividend uitkeren. De recentste studie ter zake is die van Kenneth French van de universiteit van Dartmouth. Die komt tot het besluit dat de Amerikaanse aandelen die geen dividend uitkeren, sinds 1927 een totaal rendement opleverden van 8,4% per jaar, tegenover 11,2% voor bedrijven die hoge dividenden betalen. Deze trend wordt zonder grote verschillen wereldwijd waargenomen zoals blijkt uit onderstaande grafiek, waarin de evolutie van de MSCI World-index vergeleken wordt, met of zonder herbelegging van dividenden, van 1970 tot nu. De interpretatie spreekt voor zichzelf.

 

Bronnen : Thomson Datastream – ING Investment Management

Cijfers: MSCI World in $, van januari 1970 tot oktober 2012

De outperformance van aandelen die hoge dividenden uitkeren zou makkelijk te verklaren zijn als die aandelen riskanter of volatieler waren dan andere, maar dit is niet het geval. Integendeel, wanneer de groei- en rendementsaandelen gedefinieerd worden door het dividendrendement, zijn het de rendementsaandelen die de laagste volatiliteit vertonen.

2013 dient zich in menig opzicht aan als een moeilijk jaar. In Europa zal de schuldencrisis waarschijnlijk de krantenkoppen blijven halen tegen de achtergrond van een zeer slappe werelwijde economische groei, met tal van landen op het rand van de recessie. We verwachten immers een wereldgroei van zowat 3,3% in 2013, of minder dan het potentieel.

In die context zullen de bedrijfsresultaten waarschijnlijk onder druk komen te staan. Hoewel veel analisten een positieve winstgroei in 2013 verwachten, mikken we dan ook op een nulgroei in Europa en op een groei van minder dan 5% in de VS. Natuurlijk zal dat een schadelijk effect hebben voor de aandelenmarkten, maar dankzij hun lage waarderingen zullen ze waarschijnlijk goed standhouden.

_____________________________________________

Bedrijfsobligaties vanuit het oogpunt van de groeilanden

13/11/2012

De high yield- of investment grade-bedrijfsobligaties vormden begin 2012 een van de belangrijkste beleggingsthema’s. In een marktklimaat dat door een grote volatiliteit en een historisch lage rente werd gekenmerkt, was het ook logisch dat beleggers de voorkeur gaven aan een activacategorie met stevige fundamentals, die ondanks alles nog altijd een vrij aantrekkelijk extra rendement oplevert. Door hun homebias gaven Europese beleggers automatisch de voorkeur aan Europese bedrijfsobligaties. Hoewel de schuldenlast[1] van die ondernemingen op zijn laagste peil in tien jaar stond, werden ze de eerste vijf maanden van het jaar nog altijd met een spread van gemiddeld meer dan 200 basispunten (investment grade-rating[2]) verhandeld. Beleggen in Europese bedrijfsobligaties was dus zeker een goede keuze vanuit absoluut standpunt, maar relatief bekeken hebben de goede fundamentals van de Europese ondernemingen misschien wel verhuld dat die van de bedrijven uit de groeilanden nog beter zijn. Iedereen weet zo langzamerhand wel dat de groeilanden qua koopkrachtpariteit meer dan 50% van de wereldeconomie uitmaken en dat zij voortaan de belangrijkste groeimotor zijn. Dat hun ondernemingen die motor doen draaien, wordt echter wel nog al te vaak over het hoofd gezien. Ze werden door de westerse multinationals lange tijd stiefmoederlijk behandeld, zij zagen hen enkel als middel om toegang te krijgen tot goedkope arbeidskrachten om zo de productie van hun in het westen ‘bedachte’ producten uit te besteden. De afgelopen jaren lijkt de rubriek ‘fusies en overnames’ van de financiële dagbladen aan te tonen dat de ‘leerling’ misschien wel goed op weg is om de ‘meester’ te overtreffen. Zo zijn de paradepaardjes van de Britse auto-industrie, Jaguar en Land Rover, in handen gevallen van de Indische groep Tata, wist de Russische staalgigant Severstal het Amerikaanse PBS Coals in de wacht te slepen, terwijl het Chinese bedrijf CNOOC zelfs ongevraagd een bod durfde uit te brengen op het Amerikaanse oliebedrijf Unocal … Niet alle acties kenden een goede afloop, maar het toont wel aan dat bedrijven uit de groeilanden op de internationale scène willen meespelen. Ze vormen vandaag trouwens al een kwart van de vijfhonderd grootste bedrijven van de wereld qua omzet[3], dat is viermaal meer dan tien jaar geleden. We vinden die bedrijven in alle sectoren, zoals de Zuid-Afrikaanse brouwerij SAB Miller, het Russische mijnbouwbedrijf Norilsk Nickel en de Braziliaanse vliegtuigbouwer Embraer. Om hun ambities te financieren en gesterkt door hun nieuwe legitimiteit, zijn ondernemingen uit groeilanden almaar nadrukkelijker aanwezig op de obligatiemarkten, waar zij het grootste deel van de uitgiften van groeilandobligaties in harde valuta op zich nemen (zie grafiek 1). Deze markt heeft zich zo snel ontwikkeld dat bedrijfsobligaties uit groeilanden door de jaren heen tot een volwaardige activacategorie zijn uitgegroeid, met heel wat interessante kenmerken voor de beleggers.

Grafiek 1: uitgiften van bedrijfs- en staatsobligaties uit groeilanden in harde valuta (in miljard dollar)

Bron: JPMorgan op grond van gegevens op 30 maart 2012

Waarom beleggen in bedrijfsobligaties uit groeilanden?

De analyse van de index JPMorgan CEMBI Diversified (Corporate Emerging Markets Bond Index) is waarschijnlijk de beste manier om deze activacategorie in haar geheel te benaderen. Meer dan 60% van de bedrijfsobligaties uit groeilanden heeft immers die index als benchmark. Zo zien we dat de kapitalisatie van deze activacategorie de afgelopen tien jaar een jaarlijkse groei van 25% liet optekenen, terwijl de fundamentals van de emittenten alleen maar beter zijn geworden. Zo heeft 75% nu een investment grade-rating, waardoor de CEMBI een gemiddelde rating BBB heeft (zie grafiek 2).

Grafiek 2: uitsplitsing per rating van de CEMBI Diversified index

Bron: JPMorgan op grond van gegevens op 30 maart 2012

De emitterende ondernemingen uit groeilanden bieden overigens het voordeel geografisch en sectoraal goed gespreid te zijn (zie grafiek 3), wat de CEMBI een goede diversifiëring oplevert en waardoor de correlatie[4] met andere activacategorieën vrij beperkt blijft.

Grafiek 3: regionale en sectorale samenstelling van de CEMBI Diversified-index

 Bron: JPMorgan op grond van gegevens op 30 maart 2012

Bedrijfsobligaties uit groeilanden in harde valuta zijn absoluut een goede manier om uw obligatieportefeuille te diversifiëren, zonder de kredietkwaliteit ervan te verlagen. Maar daarnaast zijn ze ook een uitstekend middel om het rendement van uw portefeuille te verhogen. Ondanks de goede fundamentals worden ondernemingen uit groeilanden immers met een hogere spread verhandeld dan hun Europese tegenhangers met eenzelfde rating (zie tabel).

 Bron: JPMorgan op grond van gegevens op 30 maart 2012

Zo konden de bedrijfsobligaties uit groeilanden in harde valuta het voorbije decennium een hoger rendement boeken dan bedrijfsobligaties op de ontwikkelde markten en dat zowel in het investment grade- als het high yield-segment (zie grafiek 4).

Grafiek 4: geannualiseerd rendement van 2002 tot 2011[5]

Bronnen: ING IM, JPMorgan

Uit wat voorafgaat kunnen we dan ook alleen maar besluiten dat bedrijfsobligaties uit groeilanden in harde valuta een activacategorie vormen die qua diversifiëring en rendement heel wat te bieden heeft. Deze activacategorie biedt in dollar immers een gemiddelde kredietkwaliteit van investment grade-niveau, met een spread die minstens 100 basispunten hoger is dan voor vergelijkbare emittenten in Europa. Helaas blijft ze nog moeilijk toegankelijk voor particuliere beleggers omdat het universum vrij ruim is en die obligaties niet noodzakelijk in onze banknetten worden verdeeld. Activabeheerders bieden natuurlijk wel al fondsen aan waarmee een blootstelling aan die activacategorie mogelijk is. Het kan gaan om een opportunistische blootstelling in een portefeuille staatsobligaties uit groeilanden volgens de EMBI[6] GD-index of een ‘zuivere’ blootstelling in specifieke fondsen die doorgaans de CEMBI volgen. Welke oplossing u ook kiest, als u deze activacategorie optimaal wilt benutten, gaat u beter altijd voor een activabeheerder voor wie groeilandobligaties onderdeel van zijn corebusiness zijn en die dus een stevige lokale aanwezigheid biedt. Om voordeel te halen uit deze activacategorie in volle bloei is het immers noodzakelijk om over analisten ter plaatse te beschikken die de besluitvormers van die ondernemingen kunnen ontmoeten en hun business model in de specifieke context van elke regio of elk land (lokale wetgeving, gebruiken en gewoontes …) kunnen plaatsen. Kortom, allemaal zaken die niet vanuit de financiële centra in New York, Londen of Parijs te beheren vallen.


[1] Bron: Bloomberg – STOXX Europe 600 – Total Debt to Total Equity

[2] Bron: Thomson Datastream – Iboxx Euro Corporate All Maturities – Redemption Yield – Germany Benchmark Bond 10 Years Redemption Yield

[3] Fortune Global 500 – juli 2011

[4] Bron: ramingen ING Investment Management. Correlaties: ‘CEMBI – US Treasuries = 0,3’, ‘CEMBI – MSCI World = 0,5’ en ‘CEMBI – EM Equities = 0,6’.

[5] EM Corporates HY: CEMBI Broad Div HY, US HY: JPMorgan HY, EM Corporates IG: CEMBI Broad Div IG, US IG Corporates: JULI; gegevens op 31 januari 2012.

[6] Emerging Market Bond Index – JPMorgan.

Une réponse à Beheer

  1. Beleggen dit :

    Ik zou voorlopig toch van obligaties afblijven, er zijn toch betere opportuniteiten dan dat?!

Laisser un commentaire

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *