Beroemde economen: Welke zijn de theorieën van David Ricardo?

Painting by Thomas Phillips

Doorheen de geschiedenis hebben economen telkens in hun specifieke tijdperk fenomenen beschreven, verklaringen gegeven en daaruit theorieën afgeleid. Soms werden die theorieën herzien naar aanleiding van gebeurtenissen die zich later hebben voorgedaan.

Om de economie en de financiën beter te begrijpen of gewoon om het geheugen op te frissen, nemen we u mee op enkele korte trips in het land van de grote economen. Met toelichting door Etienne de Callataÿ, Gastdocent aan de Universiteit van Namen en Voorzitter van Orcadia Asset Management, nemen we u mee op reis met David Ricardo Hierna volgt een korte synthese van zijn ideeën.

Welke zijn zijn belangrijkste theorieën?

David Ricardo werd geboren in 1772. Deze autodidactische econoom was effectenmakelaar in Londen. Na fortuin te hebben gemaakt, kon hij zich in alle onafhankelijkheid van geest bezighouden met enkel en alleen maar zijn economische theorieën. Als liberaal en verdediger van vrijhandel heeft hij een meesterwerk gepubliceerd dat meermaals werd herwerkt: “On the Principles of Political Economy and Taxation

Van de belangrijkste ideeën die hij in dat werk ontwikkelt, zullen we dat over de waarde eruit lichten. Voor Ricardo hangt de waarde van een goed niet samen met het nut ervan, maar wel met de zeldzaamheid ervan en de arbeid die nodig was om het te maken. Een voorbeeld: water en brood zijn nuttiger dan een diamant. Welnu, een diamant is meer waard dan een liter water of een brood omdat een diamant zeldzamer is. Het is één van de grote economische principes die hij hier aanhaalt. Zo zijn het ook de productiekosten, dit wil zeggen de kwantiteit, maar vooral de kwaliteit (intensiteit en knowhow) van de arbeid die nodig was om een product te maken, die de waarde ervan zullen bepalen.

Maar, wat ons vooral zal bijblijven van deze econoom, is de notie van de comparatieve voordelen. Als het makkelijker is om wijn in Portugal te produceren en vlas in Engeland, dan is het beter dat elk land zich specialiseert. Ricardo is dan ook voorstander van vrijhandel en internationale handel, zodat producten die elders worden geproduceerd, kunnen worden aangeboden op de markt tegen een lagere prijs.

Hij deelt de bevolking in in drie groepen: de landeigenaren, de kapitalisten en de arbeiders. Ricardo meent dat belastingen op de productie de producenten treffen, die, wegens de hoge belastingen, het wel eens beter zouden kunnen vinden te stoppen met produceren en van beroep te veranderen. Hierdoor zou het aanbod dalen en zouden de prijzen van de goederen stijgen. De loonbelastingen zorgen dan weer voor een daling van de bestaansmiddelen en de belastingen op goederen veroorzaken een prijsstijging ervan. Voor Ricardo zijn de beste belastingen dus deze op de rente.

Vanuit monetair standpunt verdedigt Ricardo de notie van de goudstandaard: in plaats van teveel bankbiljetten uit te geven, wat een bron is van inflatie, raadt hij aan de gelduitgifte te beperken tot de beschikbare goudreserve. Hij vraagt zich ook af wat er zal gebeuren wanneer de aarde niet meer voldoende voedsel zal produceren om de demografische ontwikkeling te kunnen volgen.

Wat rest nog vandaag van de erfenis van David Ricardo?

Als vandaag de naam van Ricardo opduikt in economische debatten, dan is dat hoofdzakelijk om twee redenen, namelijk de notie van de comparatieve voordelen inzake internationale handel en de Ricardiaanse equivalentie inzake begrotingsbeleid.

Met de comparatieve voordelen toont Ricardo aan dat zelfs het land dat er op alle vakken bovenuit steekt, er belang bij heeft handel te drijven met een land dat in alle opzichten minder productief is, en dat dit voor beide landen voordelig zal zijn. We hebben dus de fundamentele dimensie van een economie als een taart die groter kan worden, met een win-winhandel. Het win-win denken gaat echter tegen onze intuïtie in. “Als mijn concurrent een markt verovert, is dat een markt die ik verlies“. Het is met die redenering dat Donald Trump de internationale betrekkingen benadert, dit in tegenstelling tot Ricardo. De verrijking van mijn buur betekent immers niet dat ik arm word.

We moeten echter wel toegeven dat de voordelen van internationale handel moeten worden geanalyseerd in het licht van de restrictiev hypotheses die een weerspiegeling zijn van de maatschappij in zijn tijd: een maatschappij met overheersend landbouw, zonder delokalisaties of migraties van de arbeiders. De beperkingen van de theorie van Ricardo zijn vandaag meer voelbaar. Sociale dumping en milieukosten verbonden aan de internationale handel moeten in de analyse worden opgenomen, alsook het feit dat als de handel tussen landen win-win blijft, er ook verliezers kunnen zijn in die landen.

De Ricardiaanse equivalentie is een notie die nauwelijks werd behandeld door Ricardo, maar waarvan de oorsprong wel aan hem wordt toegeschreven. Volgens dit argument is de overheid niet bij machte om de economische activiteit nieuw leven in te blazen door een expansief begrotingsbeleid. Inderdaad, als de overheid een belastingvermindering aankondigt of een verhoging van de overheidsuitgaven, gaan de economische actoren ervan uit dat ingevolge dit beleid diezelfde overheid later de belastingen zal moeten verhogen of in de uitgaven zal moeten snijden, zodat ze eenvoudigweg alles gaan oppotten om het hoofd te bieden aan de verwachte toekomstige bezuinigingen. Dus, wanneer het overheidstekort toeneemt, stijgen de spaargelden in de rest van de economie. Maar in werkelijkheid zien we dergelijke hyperrationaliteit niet: de gezinnen reageren onmiddellijk, en als de fiscale druk daalt, gaan ze meer consumeren.

Er is nog een ander idee bij Ricardo dat actueel is, namelijk dat in plaats van de arbeiders en ondernemers te belasten, de rente zou moeten worden belast. Rente is bij Ricardo de grondrente van de meest productieve gronden. Deze notie van rente vinden we terug in de actuele analyse van Joseph Stiglitz, die het gebrek aan concurrentie en het belang van een gunstige ligging aanhaalt in economieën die nochtans zogenaamd elkaars concurrenten zijn. Het vraagstuk van de belastingen op grondrenten van Ricardo wordt dan dit van de belastingen op de meerwaarde.

Ricardo wordt soms nog vanuit een ander oogpunt bekeken, namelijk dat van de zakenman die, na fortuin te hebben vergaard, ervoor kiest zich terug te trekken uit de zakenwereld om economie te studeren. Het beeld is dan dat van het vermogen dat, daar waar het vaak afhankelijk maakt, soms ook kan leiden tot onafhankelijkheid.

Vond u dit artikel interessant? Lees dan ook:

Beroemde economen: Welke zijn de theorieën van Adam Smith?

Welke zijn de theorieën van Thomas Malthus?

Welke zijn de theorieën van John Maynard Keynes?

Welke zijn de theorieën van Milton Friedman en de monetaristen?

Wat is keynesianisme en wat is monetarisme?

Club der wijzen

Dit bericht is geplaatst in Club der wijzen met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *