Wie heeft schuld aan de lage rente?

William hand high-rDoor William De Vijlder, Group Chief Economist, BNP Paribas

Onlangs beschuldigde een auteur in een Angelsaksische financiële krant de ECB ervan dat ze de spaarders tot armoede dreef met haar beleid van kwantitatieve versoepeling. Die kritiek was eerder al te horen, bijvoorbeeld tijdens de persconferenties van Mario Draghi, meer bepaald vanuit Duitse hoek.

Feit is dat de Europese tarieven laag, zelfs erg laag zijn. Dat is niet alleen zo voor de basisrente die nagenoeg op nul staat, maar ook voor de langetermijnrente. Daardoor is de vermogensaanwas door herbelegging van de geïnde rente sterk vertraagd. Bij een rente van 4% is er ongeveer 18 jaar nodig om zijn vermogen te verdubbelen. Bij een rente van 1% is dat zowat 70 jaar. In de eurozone vind je, tenzij in Griekenland, nog amper staatspapier dat een nominaal rendement van meer dan 1,5% (d.w.z. de geraamde inflatie op de lange termijn) biedt, zelfs niet in de erg lange looptijden. Dat heeft loodzware gevolgen: door de negatieve reële rente kunnen Europese gezinnen zich niet langer indekken tegen de verwachte inflatie zonder andere risico’s, zoals risico’s verbonden aan emittenten, te nemen.

Bij dit alles is de verleiding groot om de schuld bij de centrale bank te leggen die met haar maatregelen (verlaging van de basisrente en vervolgens kwantitatieve versoepeling) de langetermijnrente naar beneden duwde. Vergeten we echter niet dat die langetermijnrente uiteenvalt in een reële rente en een risicopremie (voor een engagement op de lange termijn). Had de ECB niets gedaan, dan zou de verwachte inflatie nog lager of zelfs negatief zijn, net zoals de reële rente die nauw verbonden is met de groeiverwachtingen. De reële rente is dus laag omdat de groeiverwachtingen lange tijd somber waren. Dat resulteerde in behoedzaamheid op het vlak van de investeringen en een spaaroverschot (omdat de consument voorzichtig is) wat dalingsdruk op de rente zette.

Dat de centrale banken de geldkraan opdraaiden, droeg hier eveneens aan bij, maar ook hier lagen de zwakke groei en het deflatierisico aan de basis van hun beleidsbeslissingen. Voor een herstel van de obligatierente is er dus een duidelijke en duurzame verbetering van de groei nodig. Dat zou uiteindelijk ook het pad bereiden naar een normalisering van het monetaire beleid. Dit proces zal echter veel tijd vergen, zeker omdat de centrale banken – de Federal Reserve aan kop – eerst met zekerheid zullen willen vaststellen dat de economie het vangnet van een lage rente niet langer nodig heeft. De belegger staat dus voor een dilemma: wachten tot de rente voldoende stijgt, wat veel geduld zal vereisen, of nu al wat meer risico nemen in de veronderstelling dat het Europese herstel dat dag na dag vaste vorm krijgt de winsten van beursgenoteerde bedrijven opdrijft.

Lees ook corner Markten

Dit bericht is geplaatst in Actualiteit met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *