Wat is geldillusie?

Door Fidelity

Geld is belangrijk. Toch begrijpen sommige beleggers maar weinig van hoe de waarde van geld verandert als gevolg van inflatie. Geldillusie is de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële (voor inflatie gecorrigeerde) termen te denken. Met andere woorden, mensen kijken alleen naar het absolute bedrag op hun bankrekening in plaats van wat ze met dat geld echt kunnen kopen. Wat je met een bepaald geldbiljet in de loop van tijd kunt kopen, hangt vooral af van prijsstijgingen (of -dalingen). Veel beleggers zien geld echter los van de koopkracht.

Het begrip geldillusie is voor het eerst aangekaart door Irving Fisher en werd naderhand algemeen bekend door John Maynard Keynes. Fisher omschreef het “als de onmacht van het publiek om te zien dat de dollar, of welke munteenheid ook, in waarde groeit of daalt”. Sindsdien zijn onder economen het bestaan van geldillusie en de gevolgen hiervan onderwerp van debat. Recent onderzoek op het gebied van gedragseconomie heeft het begrip geldillusie echter weten af te bakenen als een probleem voor individuele beleggers dat, in zijn totaliteit, belangrijke effecten op de economische bedrijvigheid kan hebben.

In termen van gedragspsychologie is de kwestie geldillusie te typeren als een voorbeeld van een algemenere cognitieve tekortkoming die bekend staat als frame dependence. Onze beslissingen hangen vaak af van hoe iets geformuleerd wordt en vermeende verliezen spelen in onze besluitvorming vaak een te prominente rol (salience). De inmiddels klassieke tekst van Shafir, Diamond en Tversky (1997) over gedragseconomie, die het bestaan van geldillusie aantoont, is gebaseerd op een reeks experimenten en echte situaties. Zo kregen de onderzoeksdeelnemers het volgende scenario voorgeschoteld:

Stel dat Adam, Ben en Carl elk een erfenis ontvangen en een huis kopen voor 200.000 euro. Een jaar later verkoopt ieder zijn huis, maar onder verschillende economische omstandigheden.

  • Adam verkoopt zijn huis voor 154.000 euro, 23% minder dan wat hij ervoor heeft betaald. Toen Adam eigenaar was van het huis, heerste er voor alle goederen en diensten een prijsdeflatie van 25%.
  • Ben verkoopt zijn huis voor 198.000 euro, 1% minder dan wat hij ervoor heeft betaald. Toen Ben eigenaar was van het huis, was er geen sprake van inflatie of deflatie.
  • Carl verkoopt zijn huis voor 246.000 euro, 23% meer dan wat hij ervoor heeft betaald. Toen Carl eigenaar was van het huis, heerste er voor alle goederen en diensten een prijsinflatie van 25%.

De deelnemers werd gevraagd aan te geven hoe succesvol deze transacties waren. Uit de resultaten bleek dat ze sterk beïnvloed werden door de nominale waarde. Het merendeel (60%) gaf aan dat Carl de beste transactie had gesloten, Ben kwam op de tweede plaats en Adam eindigde als derde.

Reëel gezien is het omgekeerde waar. In feite was Adam het beste uit omdat de prijzen over het algemeen met 25% daalden, terwijl hij zijn huis verkocht voor slechts 23% minder dan wat hij ervoor had betaald – een reële koopkrachtwinst van 2%. Ben kwam als op één na beste uit de bus met een nominaal en reëel verlies van 1% gezien het ongewijzigde algemene prijspeil. Tot slot kwam Carl er het slechtst vanaf met een reëel verlies van 2%. Terwijl de nominale waarde van zijn huis met 23% toenam, steeg de inflatie met 25% – een koopkrachtverlies van 2%.

De verklaring van de gedragseconomie voor geldillusie is dat het denken van mensen wordt bepaald door automatische, emotionele reacties op de veranderingen in nominale waarden die ons sterk opvallen. De berekening om inflatie mee te laten wegen, is niet moeilijk. Toch betekent het een extra stap in het hoofdrekenen en althans een deel van onze hersenen lijkt zich vreemd genoeg te fixeren op de opflitsende nominale waarden.

Sterker nog, dit heeft – zoals opgemerkt in eerdere columns – deels te maken met het feit dat verschillende delen van de hersenen verantwoordelijk zijn voor emotionele en berekende reacties. Dit wordt bevestigd door gedragsexperimenten in neurologisch onderzoek. Daarin wordt Magnetic Resonance Imaging (MRI) toegepast in situaties met reëel gezien identieke beloningen. Uit deze MRI-scans blijk dat de prefrontale cortex – die verband houdt met beloning en verwachte beloning – gevoelig is voor geldillusie en dat de mate van activering evenredig is aan de mate van illusie tussen nominale en reële waarden.

Kortom, door bepaalde emotionele delen van onze hersenen zijn we geneigd vast te houden aan deze getallen zonder rekening te houden met wat deze getallen nu eigenlijk betekenen. Deze door emoties bepaalde snelle reacties waren ongetwijfeld handig voor onze voorouders om bedreigingen het hoofd te bieden. In onze moderne tijd leveren ze meer problemen op.

Er zijn talloze financiële implicaties. Een van de belangrijkste problemen is dat een nominale stijging van het inkomen wordt verward met een echte toename van de koopkracht, terwijl de inflatie de koopkracht in reële termen uitholt. In feite wordt geldillusie wel als reden genoemd waarom een lage inflatie (1 à 2% per jaar) wenselijk is voor de economie, althans voor de groei van bedrijfswinsten. Bij een lage inflatie kunnen werkgevers de lonen in nominale termen licht verhogen zonder in reële termen meer te betalen. Hierdoor maken veel mensen die loonsverhoging krijgen, de denkfout dat hun vermogen toeneemt. Ze houden namelijk geen rekening met inflatie.

In tijden van oplopende inflatie hebben inkomens en prijzen vaak een positieve relatie. In het verleden hebben we loon-prijsspiralen gezien waarbij deze twee factoren elkaar opstuwen. In tijden van deflatie zou het proces – in theorie – omgekeerd moeten werken met een neerwaartse loon-prijsspiraal. In werkelijkheid is dit echter niet het geval. De reden daarvoor is dat arbeid, deels vanwege geldillusie, zich verzet tegen nominale loonsverlagingen. Lonen vertonen dus geen neerwaartse trend, ook niet wanneer de prijzen dalen en werknemers niet slechter af zouden zijn. Deze situatie leidt vaak tot werkloosheid want uiteindelijk reageren bedrijven op dalende prijzen (en winsten) door te snijden in het personeelsbestand.

Bij beleggen is de te nemen horde voor elke belegger het behalen van reëel rendement. Als de inflatie 3% bedraagt en uw belegging u 5% oplevert, is het reële rendement 2%. Omdat inflatie net als belasting de koopkracht in de loop van tijd uitholt, kunt u zich het beste tegen inflatie beschermen of indekken door te beleggen in vermogenstitels die een reëel rendement boven de inflatie kunnen bieden.

Nu de rente op een historisch laag niveau staat, levert geld op een spaarrekening van de bank of in een geldmarktfonds te weinig rendement op om gelijke tred te houden met zelfs een bescheiden inflatie. Desondanks lijken beleggers liever nominale dan reële risico’s te mijden. Denk aan de “vlucht naar veiligheid” die tijdens de meeste recessies en dalende beurzen optreedt. Beleggers vluchten naar veilige havens als staatsobligaties, die niet meegroeien met de inflatie. En aandelen laten ze links liggen, ondanks het feit dat die fors goedkoper zijn geworden. Het idee om liquide middelen aan te houden kan emotioneel gezien aantrekkelijk zijn (het voelt veilig in nominale zin) om marktvolatiliteit te vermijden. Toch lopen beleggers door deze behoudzucht het risico van koopkrachtvermindering.

Ervan uitgaande dat we niet afstevenen op een periode van regelrechte deflatie geloven sommige analisten dat, in het huidige klimaat van een historisch lage rente, beleggingen in liquide middelen en staatsobligaties op dit moment het risico van een negatief reëel rendement lopen. Dit moedigt veel beleggers aan meer risico te nemen en op zoek te gaan naar reëel rendement in high-yield obligaties, vastgoed en aandelen.

Beleggers met een tijdshorizon van vijf jaar of meer moeten zeker overwegen overtollige liquiditeiten onder te brengen in beleggingscategorieën die vooruitzicht bieden op reëel rendement na inflatie. Aandelen kunnen aantrekkelijke inflatiebestendige eigenschappen bieden. Veel bedrijven kunnen prijsstijgingen doorberekenen aan de consument om zo hun winst en dividend te beschermen. Laten we Warren Buffet het laatste woord geven, die het over geldillusie en aandelenselectie had toen hij zei: “Prijs is wat je betaalt. Waarde is wat je krijgt.”

Lees ook:

– corner aandelen

narrative fallacy

halo effect

Dit bericht is geplaatst in Aandelen met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *